ECLI:NL:RBAMS:2026:3739

ECLI:NL:RBAMS:2026:3739

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 15-04-2026
Datum publicatie 15-04-2026
Zaaknummer 13/034811-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Tbs met voorwaarden voor doodslag. Ontslag van alle rechtsvervolging, omdat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/034811-25

Datum uitspraak: 15 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van de zorginstelling [adres]

.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 maart 2026 en 15 april 2026. Verdachte was daarbij aanwezig, evenals zijn raadsman, mr. M. Rasterhoff.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. V.C. Padberg, en van wat verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.

Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mrs. G.S. Jongstra en F.H. van der Pol namens de nabestaanden [nabestaande 1] , [nabestaande 2] , [nabestaande 3] , [nabestaande 4] , [nabestaande 5] , [nabestaande 6] , [nabestaande 7] en [nabestaande 8] naar voren hebben gebracht, en van de verklaringen die zij namens de nabestaanden in het kader van hun spreekrecht hebben afgelegd.

Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting J. ter Harmsel (psycholoog), M.B.F. van Berkel (psychiater) en C. Harwig (reclasseringswerker bij Reclassering Nederland) op de zitting als deskundigen gehoord.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij op 1 februari 2025 in Amsterdam [slachtoffer] met een mes in de keel en/of hals en/of nek, althans in het hoofd en/of lichaam heeft gestoken dan wel gesneden, waarna die [slachtoffer] is overleden. Dit is ten laste gelegd als doodslag.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezenverklaard kan worden op grond van onder andere de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Op 1 februari 2025 om 04.55 uur belde verdachte aan bij het politiebureau aan de Overtoomsesluis in Amsterdam. Een verbalisant zag dat verdachte met zijn rechterhand een doek vasthield en dat die doek bebloed was. Ook zijn gezicht en kleding waren besmeurd met bloed, bij zijn rechterduim zat een diepe snee en verdachte keek verward uit zijn ogen. Verdachte zei tegen de verbalisanten: “Ik heb iemand vermoord. (…) Ze ligt in mijn huis, [adres] . Ik ben op het politiebureau geweest, maar jullie wilden mij niet helpen.”

Om 07.00 uur arriveerden verbalisanten bij de woning van verdachte. Zij zagen bloedspetters op de voordeur en in de woning zagen zij bloed op de grond en de muren. In de hal van de woning zagen de verbalisanten een vrouw liggen. Er lag veel bloed om de vrouw heen en in haar hals zat een grote wond. De verbalisanten constateerden dat de vrouw was overleden. De vrouw werd geïdentificeerd als [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ).

Uit het Definitief deskundigenrapport forensische pathologie volgt dat aan het lichaam van [slachtoffer] circa veertig scherprandige snij- en krasletsels zijn waargenomen, opgelopen door meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en deels krassend geweld, zoals herhaaldelijk snijden en krassen met een scherprandig voorwerp, zoals een mes, alsmede zeven scherprandige steekletsels aan het hoofd, de hals en de nek, door meervoudige inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig snijdend en perforerend geweld (steken) met een scherprandig steekvoorwerp, zoals een mes. Eén van deze snijletsels, te weten het snijletsel aan de rechterkant van de hals, ging gepaard met klievingen van de rechterhalsader en de rechterhalsslagader. Dit leidt doorgaans tot substantieel bloedverlies. Daarnaast heeft perforatie van de rechterhalsader geleid tot versleping en ophoping van lucht in het hart (een luchtembool). Door algehele weefselschade als gevolg van substantieel bloedverlies, en acute hartfunctiestoornissen als gevolg van een luchtembool die in de bloedcirculatie terecht is gekomen en zich naar het hart heeft verplaatst, is de dood ingetreden. Het intreden van de dood wordt hiermee volledig verklaard door het snijletsel aan de rechterkant van [slachtoffer] haar hals. De scherprandige snijletsels aan de handen/vingers van beide handen passen volgens het rapport goed bij afweerletsels tegen scherprandig geweld.

Tijdens zijn verhoor bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] in haar nek of in haar gezicht met een mes heeft gestoken.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk om het leven heeft gebracht door met een mes in haar hals te snijden.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 1 februari 2025 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes in de hals van die [slachtoffer] te snijden.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Omdat verdachte het ten laste gelegde heeft bekend, wordt op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de gebruikte bewijsmiddelen. Die bewijsmiddelen zijn opgesomd in bijlage II bij dit vonnis.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft verklaard dat hij zich heeft verdedigd maar erkent dat hij daarbij te ver is gegaan. Het handelen van verdachte is echter het gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging. De verdediging heeft hierbij het volgende scenario geschetst.

Terwijl verdachte in de woonkamer zat, liep [slachtoffer] naar de keuken. Daar pakte zij een mes en deed dreigende uitlatingen naar verdachte. Hierna probeerde zij verdachte met het mes te steken. Verdachte liep vervolgens naar [slachtoffer] en pakte ter hoogte van de deuropening van de woonkamer naar de hal het mes dat [slachtoffer] vasthad. Hierna ontstond een worsteling waarbij zij steeds samen op de grond vielen. Deze worsteling verplaatste zich door de hele woning.

Volgens de verdediging is aannemelijk dat er een wederrechtelijke aanranding plaatsvond op het moment dat [slachtoffer] een steekbeweging maakte. Verdachte dacht op dat moment niet aan vluchten, en verdedigde zich met een mes. Hij heeft daarbij echter de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. Deze overschrijding was het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging. Verdachte verkeerde ten tijde van het incident in een psychisch kwetsbare positie en wantrouwde [slachtoffer] . Het is daardoor aannemelijk dat verdachte, op het moment dat hij werd geconfronteerd met een wederrechtelijke aanranding met een mes door een persoon die hij al wantrouwde, de controle verloor. Het scenario van verdachte wordt ook ondersteund door het forensisch geneeskundig onderzoek naar het letsel van verdachte. Daaruit volgt dat het veel waarschijnlijker is dat het letsel aan zijn rechterhand is ontstaan als gevolg van het vastgrijpen van een mes dat door een ander werd gehanteerd, dan door het doorschuiven van zijn hand over het scherprandige deel van het mes.

Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van noodweerexces, dan stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde werd beïnvloed door een ziekelijke stoornis. Verdachte was daarom, in overeenstemming met de over hem uitgebrachte rapporten, volledig ontoerekeningsvatbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie vindt dat het beroep op noodweerexces moet worden verworpen, omdat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie.

De officier van justitie verzoekt verdachte wel te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het door haar bewezen geachte feit niet aan verdachte is toe te rekenen als gevolg van zijn ziekelijke stoornis. Zij zoekt daarbij aansluiting bij de adviezen van de gedragsdeskundigen.

Het oordeel van de rechtbank

Noodweerexces

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is, ingevolge artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), vereist dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waardoor een hevige gemoedsbeweging is ontstaan die ertoe heeft geleid dat de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden.

Bij een beroep op noodweerexces moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd, aannemelijk is geworden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Voorop zij gesteld dat er, anders dan verdachte, geen getuigen (meer) zijn van hetgeen zich in de woning heeft afgespeeld. De officier van justitie heeft voor de beoordeling van het door verdachte geschetste scenario verwezen naar de (aanvullende) onderzoeksvragen die de politie zichzelf heeft gesteld en die – kort gezegd – zien op het door de verdediging geschetste noodweer-scenario. De antwoorden op deze vragen zijn opgenomen in op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van bevindingen (met nummer PL13-2025025571). Hoewel deze zijn opgemaakt door verbalisanten die werkzaam zijn bij het team forensische opsporing van de eenheid Amsterdam, worden in de processen-verbaal vergaande conclusies getrokken die voor een groot deel niet onder de deskundigheid van de verbalisanten vallen. Bovendien wordt bij de beantwoording van de vragen niet de Bayesiaanse methode gehanteerd. Nu de verbalisanten conclusies hebben getrokken die buiten de reikwijdte van hun expertise vallen, zijn deze niet bruikbaar bij de beoordeling van de aannemelijkheid van de door verdachte gestelde toedracht.

Het door verdachte geschetste scenario, dat hij in het mes greep dat door [slachtoffer] werd vastgehouden, past binnen de bevindingen uit het forensisch geneeskundig onderzoek naar het letsel van verdachte aan zijn rechterhand. Uit het letsel als zodanig kan echter niet worden afgeleid of [slachtoffer] dat mes heeft gehanteerd om aan te vallen of om zich te verdedigen. De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat [slachtoffer] het mes heeft gehanteerd met het doel om verdachte daarmee aan te vallen en overweegt daartoe het volgende.

Verdachte verkeerde ten tijde van het bewezenverklaarde in een psychose, met wanen gericht tegen [slachtoffer] , wat maakt dat met zijn verklaringen terughoudend moet worden omgegaan. De rechtbank verwijst in dat verband ook naar het hierna genoemde onderzoek van de gedragsdeskundigen. Verbalisanten die verdachte spreken nadat hij zich op het politiebureau heeft gemeld met de mededeling dat hij iemand heeft vermoord, geven aan dat hij psychisch verward overkomt. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij die nacht alcohol en medicijnen had ingenomen en in paniek verkeerde. Hij zegt dat hij duivels in zich had zitten, dat hij zich niets meer van toen kan herinneren en niet weet wat er is gebeurd nadat hij zag dat [slachtoffer] het mes in haar handen had.

Op veel van de – verdiepende - vragen die hem zijn gesteld over wat zich in de woning heeft afgespeeld, heeft verdachte geen duidelijk antwoord kunnen geven. Dat geldt onder andere voor de manier waarop [slachtoffer] volgens hem het mes zou hebben vastgehouden en in welke mate zij hem daarmee zou hebben bedreigd. Op basis van het dossier kan geen objectieve reden worden vastgesteld, waarom verdachte bang zou moeten zijn voor [slachtoffer] . Ook voor de talrijke en deels zeer ernstige letsels die [slachtoffer] heeft opgelopen, letsels die in geen verhouding staan tot de verwondingen van verdachte, heeft verdachte geen verklaring kunnen geven of de toedracht kunnen verduidelijken. Dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen, is daarom op basis van het gehele dossier in samenhang bezien onvoldoende aannemelijk geworden. Nu er geen noodweersituatie kan worden vastgesteld, slaagt ook het beroep van verdachte op noodweerexces niet.

Ontoerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 4 september 2025 en het aanvullend Pro Justitia rapport van 4 maart 2026, opgemaakt door psycholoog J.F. ter Harmsel, en het Pro Justitia rapport van 28 augustus 2025 en het aanvullend Pro Justitia rapport van 4 maart 2026, opgemaakt door psychiater M.B.F. van Berkel.

Samenvattend komen de gedragsdeskundigen tot de conclusie dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde leed aan een ernstige (nog ongespecificeerde) psychotische en traumagerelateerde stoornis en een ongespecificeerde alcoholgerelateerde stoornis. De psycholoog heeft gerapporteerd dat de psychotische stoornis wordt gekenmerkt door een uitgebreid waansysteem met paranoïde- en achtervolgingswanen. In de periode voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde was de realiteitstoetsing van verdachte vanuit zijn psychotische stoornis fors verstoord. Verdachte had het idee dat hij vermoord zou worden door een criminele organisatie die aangestuurd werd door personen op hoge posities. Ook [slachtoffer] zou onderdeel uitmaken van deze criminele organisatie en lijkt een centrale rol gespeeld te hebben binnen het waansysteem van verdachte. Vanuit zijn waanovertuiging was bij verdachte ook sprake van een beperkt probleemoplossend vermogen en een gebrek aan controle over zijn impulsen en agressie, gecombineerd met een gebrek aan ziektebesef. De psychiater heeft gerapporteerd dat de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde volledig gekleurd werden door zijn angst, paranoïde overtuigingen en desorganisatie in zijn denken. Verdachte was daardoor nauwelijks in staat om situaties te overzien, de mogelijke gevolgen van zijn handelen in te schatten en zijn gedrag daarop af te stemmen. Ook de psycholoog acht het aannemelijk dat verdachte dusdanig werd overheerst door zijn pathologie dat hij geen keuzevrijheid meer had. De beweegredenen van verdachte om [slachtoffer] te steken dan wel te snijden, lijken volledig psychotisch gemotiveerd te zijn geweest. Beide gedragsdeskundigen adviseren daarom om het ten laste gelegde niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat de adviezen van de gedragsdeskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en neemt de conclusies en de adviezen over. De rechtbank is op grond van de rapporten van oordeel dat verdachte op het moment van het plegen van het bewezenverklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar was. Het bewezen geachte kan verdachte wegens ziekelijke stoornis niet worden toegerekend. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Motivering van de maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging wordt opgelegd en heeft de rechtbank verzocht daarbij te bepalen dat de totale duur van de maatregel niet in tijd beperkt is. De officier van justitie acht tbs met voorwaarden ontoereikend voor een succesvolle behandeling van de ziekelijke stoornis van verdachte en daarmee de inperking van het recidiverisico. In de eerste plaats gaat het hier om een zeer ernstig feit gepleegd onder zorgelijke omstandigheden, waarvoor een tbs met voorwaarden onvoldoende garanties biedt. Daarbij wordt een tbs met voorwaarden doorgaans enkel opgelegd in situaties waarin een familielid in een psychose een ander familielid heeft gedood en daarvan is hier geen sprake. Verdachte heeft bovendien geen sociaal netwerk, hetgeen een aanzienlijk risico meebrengt als hij na een relatief kortdurende klinische opname weer vrij komt. Om al deze redenen acht de officier van justitie tbs met voorwaarden een minder geschikte maatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om, in lijn met de adviezen van de gedragsdeskundigen, aan verdachte tbs met voorwaarden op te leggen. Verdachte wil zich aan alle voorwaarden houden en is gemotiveerd voor de behandeling en begeleiding. De raadsman heeft zich niet verzet tegen oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM-maatregel).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregelen gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Aard en ernst van het feit

Verdachte heeft zich in een psychotische toestand schuldig gemaakt aan doodslag op een bekende van hem. Verdachte en het slachtoffer kenden elkaar al ruim twee jaren. Die nacht heeft verdachte het slachtoffer gebeld omdat hij in paniek was en haar hulp nodig had. Toen zij hierop naar zijn woning kwam, heeft hij haar meerdere malen met een mes gestoken. Het slachtoffer had meer dan veertig steek- en snijverwondingen en is als gevolg van snijletsel aan de rechterkant van haar hals overleden. Doodslag geldt in ons strafrechtstelsel als een van de ernstigste misdrijven, omdat het recht op leven het meest fundamentele mensenrecht is. Door het handelen van verdachte is dit recht aan het slachtoffer ontnomen. Verdachte heeft met zijn handelen veel verdriet en leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer en hun leven ingrijpend beïnvloed, zoals ook is gebleken uit de slachtofferverklaringen die de advocaat van de nabestaanden ter terechtzitting heeft voorgelezen. Haar overlijden is niet alleen een persoonlijk verlies voor de nabestaanden, maar versterkt ook het gevoel van angst en onveiligheid in de samenleving als geheel.

Zoals hiervoor in rubriek 6.3.2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bewezen geachte wegens ziekelijke stoornis niet aan verdachte kan worden toegerekend. Omdat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, kan aan hem geen straf worden opgelegd. Wel kan aan verdachte een maatregel worden opgelegd.

Het strafblad van verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 januari 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland is veroordeeld.

Pro Justitia-rapportages

Uit de onder rubriek 6.3.2 vermelde rapporten van de gedragsdeskundigen van 4 september 2025 blijkt dat, indien verdachte geen adequate behandeling krijgt, het risico op gewelddadig gedrag op lange termijn als hoog wordt ingeschat. De kans op recidive hangt volgens de psycholoog samen met de ernst van zijn psychotische ontregeling. De psychiater merkt daarbij op dat het slechts gedeeltelijke ziekte-inzicht van verdachte, zijn middelengebruik, het risico op medicatie-ontrouw en zijn kwetsbaarheid voor depressieve en/of psychotische ontregeling risicofactoren vormen. Het is daarom van belang dat verdachte goed ingesteld blijft op medicatie. Daarnaast is behandeling voor zijn psychotische stoornis noodzakelijk om recidive in de toekomst te voorkomen. De gedragsdeskundigen adviseren een intensieve en langdurige klinische behandeling in een kliniek met beveiligingsniveau 3, evenals een langdurig vervolg- en nazorgtraject. Daarnaast zal er middels psycho-educatie gewerkt moeten worden aan het verkrijgen van ziekte-inzicht en -besef. Verder wordt van belang geacht dat tijdens de behandeling aandacht wordt besteed aan verdere verwerking van traumatische gebeurtenissen, abstinentie van middelengebruik en het (her)opbouwen van een sociaal netwerk. Gelet op de aard en de ernst van de psychotische problematiek van verdachte dient de behandeling daarom plaats te vinden binnen een forensisch kader. Zowel de psycholoog als de psychiater vinden oplegging van tbs met voorwaarden de meest passende maatregel. Een behandeling in dit kader biedt voldoende mogelijkheden om de benodigde duur en mate van toezicht te realiseren om zowel verdachte adequaat te behandelen als de maatschappelijke veiligheid te waarborgen.

Reclasseringsrapportage

De reclassering heeft naar aanleiding van de Pro Justitia-rapportages gerapporteerd over de uitvoerbaarheid van de geadviseerde maatregel. Uit het rapport van GGZ Reclassering Nederland van 4 november 2025, opgemaakt door J. Vreman, blijkt het volgende. De reclassering adviseert positief over tbs met voorwaarden en heeft daartoe voorwaarden opgesteld. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard mee te werken aan de geadviseerde voorwaarden. Bij oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden zou verdachte geplaatst kunnen worden bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek (hierna: FPK) Inforsa, alwaar hij op 13 oktober 2025 is geaccepteerd en op de wachtlijst is geplaatst. Daarnaast adviseert de reclassering om de tbs-maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren en om de GVM-maatregel van artikel 38z Sr aan verdachte op te leggen. Middels de GVM-maatregel kunnen na de beëindiging van de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast worden.

Kort na het uitbrengen van de reclasseringsrapportage is een plek bij FPK Inforsa beschikbaar gekomen waarna verdachte onder schorsing van de voorlopige hechtenis met door de reclassering geadviseerde voorwaarden is opgenomen.

In de aanvullende rapportages van 4 maart 2026, naar aanleiding van vragen van de officier van justitie over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, hebben de psycholoog en psychiater aangegeven dat door de huidige behandelaren van verdachte wordt gesproken van een relatief gunstige prognose gelet op het ziektebesef, de motivatie en inzet van verdachte. De verwachting van de deskundigen is dat met name het bewerken van de stevig verankerde overtuigingen van verdachte nog tijd zal vragen. Een gedegen vormgegeven vervolg- en na-zorgtraject, waarbij gedacht moet worden aan een combinatie van beschermd wonen, toezicht (ook op medicatie-inname en middelengebruik) en ambulante behandeling en begeleiding vanuit een (forensisch) FACT-team, zal naar verwachting meerdere jaren in beslag nemen. Binnen de huidige klinische setting wordt het risico op ernstige gewelddadige recidive als laag ingeschat. Bij het ontbreken van voldoende adequate behandeling en begeleiding wordt het risico, indien een aanhoudende verstoorde realiteitstoetsing over een langere periode opnieuw zou uitmonden in een floride psychotisch toestandsbeeld, als hoog ingeschat.

Ter terechtzitting

Ter terechtzitting is psychiater M.B.F. van Berkel als deskundige gehoord. Zij heeft de informatie uit het rapport en het aanvullend rapport bevestigd en nader toegelicht. Zij heeft toegelicht dat verdachte sinds zijn schorsing op 12 november 2025 verblijft bij FPK Inforsa, waar hij behandeld wordt. Bij verdachte is sprake van een op zichzelf staande psychotische stoornis en de klinische behandeling zal naar verwachting twee jaren duren. Middels behandeling kunnen de symptomen van de psychotische stoornis verminderen en leert verdachte om te gaan met zijn waanovertuigingen. Van Berkel heeft verder aangegeven dat verdachte, hoewel sprake is van enig ziekte-besef en ondanks zijn reeds opgestarte behandeling, overtuigd blijft van bepaalde wanen. Het is daarom van belang dat verdachte zijn medicatie blijft innemen. De resterende symptomen, die niet worden verminderd door de medicatie, kunnen door middel van cognitieve gedragstherapie worden behandeld. Ten slotte heeft de psychiater aangegeven dat dwangverpleging niet noodzakelijk is. Verdachte is immers medicatietrouw, gemotiveerd voor zijn behandeling en zij acht verdachte ook in staat om de voorwaarden na te leven.

Ter terechtzitting is ook psycholoog J. ter Harmsel als deskundige gehoord. Zij heeft de informatie uit het rapport en het aanvullend rapport bevestigd en nader toegelicht. Ter Harmsel acht het van belang dat een FACT-team met forensische scherpte wordt aangesteld om het risicomanagement ook na afloop van de klinische behandeling goed te bewaken. Op die manier kan tijdig worden ingegrepen.

Ten slotte is ter terechtzitting reclasseringswerker C. Harwig, waarnemend voor J. Vreman, als deskundige gehoord. Hij heeft de informatie uit het rapport bevestigd en nader toegelicht. Hij heeft aangegeven dat verdachte tijdens zijn behandeling in het kader van de schorsing van het bevel van voorlopige hechtenis is gestabiliseerd en meer inzicht heeft gekregen in zijn waanovertuigingen. Verdachte is gemotiveerd om het reeds opgestarte traject voort te zetten.

Maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden

De rechtbank legt aan verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op. Zij overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op is gesteld, te weten doodslag. Verdachte is onderzocht door een psychiater en een psycholoog, die hebben vastgesteld dat tijdens het begaan van het bewezenverklaarde bij verdachte sprake was een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Voorts vereist de algemene veiligheid van personen de oplegging van deze maatregel nu verdachte wordt veroordeeld voor een zwaar geweldsdelict en het risico op herhaling zonder behandeling als hoog wordt ingeschat.

De geadviseerde behandeling en het beveiligingsniveau van de kliniek waar verdachte inmiddels wordt behandeld, passen wat de gedragsdeskundigen betreft binnen het kader van tbs met voorwaarden. Deze maatregel biedt volgens de gedragsdeskundigen voldoende mogelijkheden om verdachte adequaat te behandelen, de risico’s voldoende in te perken en de maatschappij te beschermen. Daarnaast is ter terechtzitting aangegeven dat dwangverpleging niet noodzakelijk wordt geacht. Met voldoende forensische scherpte kan vroegtijdig worden gehandeld indien verdachte zichzelf dreigt te onttrekken aan de voorwaarden. De rechtbank ziet op de zitting en ook in de stukken van het dossier dat verdachte gemotiveerd is om een behandeling te volgen en zich aan de voorwaarden te houden. De bereidwilligheid van verdachte blijkt ook uit zijn gedrag van de afgelopen periode. Gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft hij zich aan alle schorsingsvoorwaarden gehouden en is de behandeling goed verlopen.

De rechtbank is – in lijn met de adviezen van de gedragsdeskundigen – van oordeel dat tbs met voorwaarden in deze zaak een passende maatregel is en dat tbs met dwangverpleging, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet geboden is. De rechtbank zal daarom aan de tbs-maatregel de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden. Verdachte heeft zich ook bereid verklaard deze na te leven. Door het opleggen van tbs met voorwaarden kan verdachte vanuit zijn huidige motivatie starten met de (langdurige) behandeling in de kliniek waar hij inmiddels al geruime tijd verblijft, terwijl tegelijkertijd de externe druk van tbs met dwangverpleging in beeld blijft. Indien verdachte zich immers niet aan de voorwaarden houdt, kan alsnog een bevel tot dwangverpleging volgen.

De stelling van de officier van justitie dat tbs met voorwaarden enkel passend is bij een levensdelict binnen familierelaties kan de rechtbank niet volgen. Deze stelling vindt geen steun in de wet of de jurisprudentie.

Ongemaximeerde tbs in geval van omzetting

De rechtbank overweegt dat de tbs-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten doodslag. De maatregel kan daarom bij omzetting naar tbs met dwangverpleging langer duren dan vier jaar

GVM-maatregel

De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van eenGVM-maatregel. Verdachte wordt namelijk ter beschikking gesteld als bedoeld in de artikelen 37a en 38 Sr. Ook is het ter bescherming van de algemene veiligheid van anderen nodig dat na de tbs-maatregel gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden. De rechtbank zal daarom deze maatregel opleggen.

Voorlopige hechtenis

Het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte is onder voorwaarden geschorst met ingang van de datum waarop hij feitelijk is opgenomen in FPK Inforsa. De voorlopige hechtenis is nog steeds geschorst. De rechtbank ziet in de op te leggen tbs-maatregel aanleiding de schorsen te laten voortduren en de schorsingsvoorwaarden te wijzigen zodat die gelijkluidend worden aan de voorwaarden die worden gesteld bij de tbs-maatregel. De beslissing tot wijziging van de voorwaarden is afzonderlijk geminuteerd. Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank noodzakelijk, omdat omzetting van de tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs-maatregel) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis in duur beperkt is tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden. Als verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.

Dadelijke uitvoerbaarheid tbs met voorwaarden

Gelet op de noodzaak van de behandeling en het gevaar voor recidive en het uit te oefenen toezicht, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 38, eerste lid, Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Conclusie

De rechtbank legt verdachte tbs met voorwaarden op. De tbs-maatregel is ook dadelijk uitvoerbaar. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte de GVM-maatregel op.

8. Beslag

De officier van justitie heeft geen beslaglijst overgelegd. Aan de hand van het onderzoek op de terechtzitting is niet gebleken dat de rechtbank een beslissing moet nemen op nog openstaand beslag.

9. De vorderingen van de benadeelde partijen

Inleiding

De nabestaanden van het slachtoffer, te weten [nabestaande 1] (moeder), [nabestaande 2] (broer), [nabestaande 3] (broer), [nabestaande 4] (broer), [nabestaande 5] (zus), [nabestaande 6] (zus), [nabestaande 7] (zus) en [nabestaande 8] (broer), hebben zich als benadeelde partij in de strafzaak gevoegd en vorderen ieder afzonderlijk vergoeding van materiële en/of immateriële schade. De rechtbank zal hierna beoordelen of en in hoeverre een wettelijke grondslag bestaat voor toewijzing van deze vorderingen. Aangezien alle benadeelde partijen immateriële schade (affectieschade) hebben gevorderd, zal de rechtbank deze tezamen behandelen.

Affectieschade

De vorderingen

Alle benadeelde partijen vorderen € 17.500,- aan vergoeding voor affectieschade. [nabestaande 1] (moeder) komt op grond van artikel 6:108, vierde lid, sub c, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De overige benadeelde partijen kunnen ook als naasten worden aangemerkt. Er was namelijk steeds sprake van een bijzondere en hechte affectieve relatie met het slachtoffer, die uitgaat boven de ‘gewone’ hechte relatie die broers en zussen kunnen hebben. Indien de rechtbank de broers en zussen niet aanmerkt als naasten komen zij alsnog voor vergoeding in aanmerking op grond van recente ontwikkelingen. Op 24 november 2025 is het wetsvoorstel ‘uitbreiding vergoeding affectieschade’ in consultatie gegaan, waardoor broers en zussen – op een later moment (hoogstwaarschijnlijk) – als nabestaanden voor dergelijke vergoedingen in aanmerking komen.

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat naar de stand van het recht de vorderingen enkel ten aanzien van [nabestaande 1] (moeder) en [nabestaande 4] (broer) toewijsbaar zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Wat betreft de overige benadeelde partijen heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De raadsman heeft de vordering van [nabestaande 1] (moeder) niet betwist. Hij heeft verder verzocht de vordering ten aanzien van [nabestaande 4] (broer) niet-ontvankelijk te verklaren, nu op basis van zijn vordering er onvoldoende duidelijkheid bestaat over de feitelijke relatie en het samenwonen met het slachtoffer. Zijn beroep op de hardheidsclausule vergt nader feitenonderzoek, hetgeen niet mogelijk is in het kader van deze strafzaak. De raadsman heeft verzocht de vorderingen van de overige broers en zussen af te wijzen, omdat niet vooruitgelopen kan worden op toekomstige wetgeving en de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd voor een beroep op de hardheidsclausule.

Het oordeel van de rechtbank

In artikel 6:108, vierde lid, BW wordt een beperkte (limitatief opgesomde) kring van gerechtigden genoemd die aanspraak kunnen maken op affectieschade. Het betreft ouders, partners en kinderen van het overleden slachtoffer. Broers en zussen maken geen deel uit van deze limitatieve opsomming en komen dus volgens de wet niet voor affectieschade in aanmerking. In artikel 6:108, vierde lid, sub g, BW is echter een zogenoemde ‘hardheidsclausule’ opgenomen, die onder uitzonderlijke omstandigheden een recht op vergoeding toekent aan personen die niet tot de vaste kring van gerechtigden behoren. Om voor vergoeding in aanmerking te kunnen komen, moeten zij ten tijde van het overlijden van het slachtoffer in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staan, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij als naasten kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van [nabestaande 1] (moeder)

Zoals hiervoor overwogen, komt de ouder van een door misdrijf overleden persoon in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is conform het Besluit vergoeding affectieschade, zodat de rechtbank dit deel van de vordering (€ 17.500,-) zal toewijzen.

Ten aanzien van de broers en zussen

De rechtbank stelt vast dat [nabestaande 4] de broer van het slachtoffer is. Zij verschilden twaalf jaar in leeftijd en waren onderdeel van een hechte familie. Zij zijn de enigen van hun familie die vanuit Kroatië naar Nederland zijn geëmigreerd en gedurende enige tijd in Amsterdam hebben gewoond. Hoewel de rechtbank begrijpt dat zij een hechte en speciale band hadden, is onvoldoende onderbouwd dat sprake was van zodanige uitzonderlijke omstandigheden dat deze een beroep op de ‘hardheidsclausule’ rechtvaardigen. Voor de rechtbank is het ook volkomen helder dat de overige broers en zussen een affectieve relatie met het slachtoffer hadden en onderdeel uitmaakten van een liefdevolle en hechte familie. Van uitzonderlijke omstandigheden die een beroep op de ‘hardheidsclausule’ rechtvaardigen, is echter onvoldoende gebleken. Aangezien het door de advocaat van de benadeelde partijen genoemde wetsvoorstel geen geldend recht is, betreft dit geen wettelijke grondslag voor toewijzing van de vordering. Dit betekent dat de benadeelde partijen [nabestaande 3] , [nabestaande 5] , [nabestaande 6] en [nabestaande 8] – die enkel affectieschade vorderen – niet ontvankelijk zijn in hun vordering. De rechtbank zal de andere broers en zus in dit deel van hun vordering (€ 17.500,-) niet-ontvankelijk verklaren.

Benadeelde partij [nabestaande 1]

De vordering

, de moeder van [slachtoffer] , vordert (naast immateriële schade) € 804,67 aan vergoeding voor materiële schade. Dat bedrag bestaat uit vergoeding voor de bloemen voor de uitvaart in Kroatië (€ 518,50) en reiskosten van haar woonadres in Kroatië naar Amsterdam in verband met het bijwonen van de zitting (€ 286,17).

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de vordering moet worden afgewezen, te weten de reiskosten, omdat de benadeelde partij zich ter terechtzitting heeft laten bijstaan door advocaten. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Uitvaartkosten

Dit deel van de vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding (€ 518,50) komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Reiskosten

De reiskosten voor het bijwonen van de zitting zijn niet voor toewijzing vatbaar, als materiële schade noch als proceskosten, nu deze geen rechtstreeks gevolg zijn van het strafbare feit en [nabestaande 1] zich ter terechtzitting door advocaten heeft laten bijstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering (€ 286,17) niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 18.018,50, bestaande uit € 518,50 aan vergoeding voor materiële schade en € 17.500,- aan vergoeding voor immateriële schade.

[nabestaande 1] wordt niet-ontvankelijk verklaard in een deel van haar vordering, te weten de reiskosten voor het bijwonen van de zitting (€ 286,17). Zij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [nabestaande 2]

De vordering

, de oudere broer van [slachtoffer] , vordert (naast immateriële schade) € 518,12 aan vergoeding voor materiële schade. Dat bedrag bestaat uit reiskosten van de heen- en terugreis van zijn woonadres in Kroatië naar Amsterdam in verband met repatriëring van de as van het slachtoffer (€ 231,95) en reiskosten van zijn woonadres in Kroatië naar Amsterdam in verband met het bijwonen van de zitting (€ 286,17).

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. Wat betreft de reiskosten wegens repatriëring omdat dit geen noodzakelijke kosten betreffen, en wat betreft de reiskosten naar de zitting omdat de benadeelde partij zich ter terechtzitting heeft laten bijstaan door advocaten.

Oordeel van de rechtbank

Uitvaartkosten

Op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW komt degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald voor een slachtoffer dat als gevolg van een strafbaar feit is overleden, voor vergoeding van deze kosten in aanmerking. Om voor vergoeding in aanmerking te komen, moeten de kosten in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene. Het slachtoffer is van Kroatische komaf en haar familie woont nog (grotendeels) in Kroatië. Het past daarom bij de omstandigheden dat het slachtoffer in Kroatië is begraven. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gemaakte reiskosten tot de kosten van lijkbezorging behoren die op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW voor vergoeding in aanmerking komen en zal deze toewijzen (€ 231,95).

Reiskosten

De gevorderde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst hiervoor naar de motivering bij de benadeelde partij [nabestaande 1] onder het kopje ‘Reiskosten’. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering (€ 286,17) niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 231,95, bestaande uit vergoeding voor materiële schade.

[nabestaande 2] wordt niet-ontvankelijk verklaard in een deel van zijn vordering, te weten de vergoeding voor immateriële schade (€ 17.500,-) en de reiskosten voor het bijwonen van de zitting (€ 286,17). Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [nabestaande 4]

De vordering

, de oudere broer van [slachtoffer] , vordert (naast immateriële schade) € 3.278,80 aan vergoeding voor materiële schade. Dat bedrag bestaat uit de kosten in verband met de crematie van het slachtoffer in Nederland (€ 2.973,85), reiskosten van zijn woonadres in [plaats] naar Kroatië in verband met repatriëring van de as van het slachtoffer (€ 144,95) en de griffiekosten voor de beneficiaire aanvaarding (€ 160,-).

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Uitvaartkosten

De vordering is niet betwist. De griffiekosten voor de beneficiaire aanvaarding zijn echter niet als kosten voor de lijkbezorging op grond van artikel 6:108, tweede lid, BW toewijsbaar. De rechtbank zal deze kosten (€ 160,-) daarom afwijzen. De gevorderde schadevergoeding voor het overige (€ 3.118,80) komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.118,80, bestaande uit vergoeding voor materiële schade en afwijzen voor een bedrag van € 160,-.

[nabestaande 4] wordt niet-ontvankelijk verklaard in een deel van zijn vordering, te weten de vergoeding voor immateriële schade (€ 17.500,-). Hij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Benadeelde partij [nabestaande 7]

De vordering

, de oudere zus van [slachtoffer] , vordert (naast immateriële schade) € 620,62 aan vergoeding voor materiële schade. Dat bedrag bestaat uit de kosten in verband met de begrafenis van het slachtoffer in Kroatië (€ 334,45) en reiskosten van haar woonadres in Kroatië naar Amsterdam in verband met het bijwonen van de zitting (€ 286,17).

Standpunt officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is onderbouwd en toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een deel van de vordering moet worden afgewezen, te weten de reiskosten, omdat de benadeelde partij zich ter terechtzitting heeft laten bijstaan door advocaten. Voor het overige refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Uitvaartkosten

Dit deel van de vordering is niet betwist. De gevorderde kosten (€ 334,45) komen de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen.

Reiskosten

De gevorderde reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst hiervoor naar de motivering bij de benadeelde partij [nabestaande 1] onder het kopje ‘Reiskosten’. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering (€ 286,17) niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 334,45, bestaande uit vergoeding voor materiële schade.

[nabestaande 7] wordt niet-ontvankelijk verklaard in een deel van haar vordering, te weten de vergoeding voor immateriële schade (€ 17.500,-) en de reiskosten voor het bijwonen van de zitting (€ 286,17). Zij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Wettelijke rente, schadevergoedingsmaatregel en proceskosten

De rechtbank bepaalt dat verdachte over de toegewezen bedragen de wettelijke rente moet betalen vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten op 1 februari 2025, en dat aan hem ten aanzien van alle toegewezen vorderingen de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd. Gelet op de psychische situatie van verdachte en de opgelegde tbs-maatregel, acht de rechtbank het passend om het aantal dagen gijzeling steeds vast te stellen op één dag.

Verder moet verdachte de kosten betalen die de benadeelde partijen [nabestaande 1] , [nabestaande 2] , [nabestaande 4] en [nabestaande 7] hebben gemaakt en nog moeten maken voor de tenuitvoerlegging hiervan. Deze kosten zijn tot nu toe begroot op nihil.

10. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38, 38a, 38z en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11. De beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Tbs-maatregel

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. Geen strafbaar feit plegen

Verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.

2) Meewerken aan reclasseringstoezicht

Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

3) Meewerken aan time-out

Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan verdachte voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 (zeven) weken, tot maximaal 14 (veertien) weken per jaar.

4) Niet naar het buitenland

Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

5) Opname in een zorginstelling

Verdachte laat zich opnemen bij FPK Inforsa of bij een andere zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing, ook als dit overbruggingszorg inhoudt. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.

6) Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt. Verdachte werkt mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Het verblijf duurt zo lang als de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

7) Ambulante behandeling

Verdachte laat zich behandelen door nader door de reclassering te bepalen zorginstelling. De behandeling start op een nader te bepalen moment. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.

8) Drugsverbod en alcoholverbod

Verdachte gebruikt geen drugs en/of alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek en/of ademonderzoek (blaastest). De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd.

9) Dagbesteding

Verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of

vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.

10) Meewerken aan schuldhulpverlening

Verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.

Geeft opdracht aan Reclassering Nederland de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de op grond van artikel 38 lid 1 Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 38 lid 2 Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

GVM-maatregel

Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.

Vorderingen benadeelde partijen

Ten aanzien van de benadeelde partijen [nabestaande 3] , [nabestaande 6] , [nabestaande 5] en [nabestaande 8] :

Verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [nabestaande 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 1] toe tot een bedrag van € 18.018,50 (achttienduizend achttien euro en vijftig eurocent), bestaande uit € 518,50 aan vergoeding voor materiële schade en € 17.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat [nabestaande 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 1] aan de Staat € 18.018,50 (achttienduizend achttien euro en vijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [nabestaande 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 2] toe tot een bedrag van € 231,95 (tweehonderdeenendertig euro en vijfennegentig eurocent), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat [nabestaande 2] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 2] aan de Staat € 231,95 (tweehonderdeenendertig euro en vijfennegentig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [nabestaande 4] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 4] toe tot een bedrag van € 3.118,80 (drieduizend honderdachttien euro en tachtig eurocent), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Wijst de vordering af voor een bedrag van € 160,- (griffiekosten beneficiaire aanvaarding).

Bepaalt dat [nabestaande 4] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 4] aan de Staat € 3.118,80 (drieduizend honderdachttien euro en tachtig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [nabestaande 7] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [nabestaande 7] toe tot een bedrag van € 334,45 (driehonderdvierendertig euro en vijfenveertig eurocent), bestaande uit vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [nabestaande 7] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat [nabestaande 7] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Schadevergoedingsmaatregel

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [nabestaande 7] aan de Staat € 334,45 (driehonderdvierendertig euro en vijfenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade op 1 februari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Voorlopige hechtenis

Wijzigt de voorwaarden van het bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte. Deze beslissing is afzonderlijk geminuteerd.

Heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis met ingang van de dag dat het vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. B. Vogel en B.C. Langendoen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.K. Raspoort, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.A. Spoel

Griffier

  • mr. M.K. Raspoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?