RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer: 26-000555
datum: 11 maart 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag 1] 2007 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. A.W.J. van Galen;
[adres] ,
hierna te noemen: klager.
De beslagene is:
[beslagene] (geboren op [geboortedag 2] 2010).
Feiten
Uit de kennisgeving van inbeslagname op grond van artikel 94 Sv blijkt dat op 15 december 2025 in het strafrechtelijk onderzoek tegen de beslagene in beslag is genomen: een Piaggio Vespa Gts 125 met kenteken [kentekennummer] (goednummer 6729477) (hierna: de motor).
Procedure
Het klaagschrift is op 8 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 11 maart 2026 het klaagschrift in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft klager, zijn advocaat, mr. A.W.J. van Galen, en de officier van justitie, mr. P. van Larere, op zitting gehoord.
De beslagene, [beslagene] , is in raadkamer gehoord.
Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen motor.
Door klager is, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.
Ik heb geen toestemming gegeven aan mijn broertje om de motor te gebruiken. Na het vorige incident heb ik ook expliciet gezegd dat niemand anders de motor mag aanraken. De sleutel lag in een bakje op mijn kamer. Ik heb er niet altijd zicht op. Ik lag die dag om 14:15 uur te slapen, omdat ik laat naar bed was gegaan. Mijn broertje heeft toen stiekem de sleutel gepakt. Ik vind dat ik er alles aan heb gedaan om dit te voorkomen. Ik heb lang gespaard voor de motor. Ik heb er € 6.000,- voor betaald. Ik zal de sleutel nog beter verstoppen.
De beslagene heeft, kort weergegeven, het woord gevoerd:
Ik wist dat dit de consequentie kon zijn. Ik heb er veel spijt van. Ik heb een goede band met mijn broer en hij klaagt iedere dag dat hij zijn motor niet kan gebruiken. Ik vind het jammer dat hij er de dupe van is. Ik heb echt het licht gezien. Ik zal er nooit meer op rijden.
Namens klager is primair aangevoerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de motor verbeurd zal worden verklaard. De motor van klager is onder de beslagene in beslag genomen. De vraag is of klager redelijkerwijs had kunnen weten of vermoeden dat de motor door de beslagene zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Dit is niet het geval. De beslagene is het 15-jarige broertje van klager. Klager had hem geen toestemming gegeven om op de motor te rijden en hij wist niet dat zijn broertje de sleutel had gepakt. Klager bewaarde de sleutel in een bakje op zijn kamer. Van hem mag niet meer worden verlangd, bijvoorbeeld dat hij sleutel aan een ketting bij zich zou dragen. Ook is er thuis besproken wat de gevolgen konden zijn als iemand anders dan klager een overtreding zou begaan met een op zijn naam gesteld voertuig. Dit nadat klager hiervoor in juli 2025 was gewaarschuwd. Klager mag niet de dupe worden van het feit dat zijn broertje dit maanden later toch heeft gedaan. Subsidiair is aangevoerd dat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. In de regel wordt aan een minderjarige een geldboete opgelegd, terwijl de motorfiets ongeveer € 6.000,- waard is. Het persoonlijk belang van klager om weer over zijn eigen goed te kunnen beschikken, dient zwaarder te wegen dan het strafvorderlijk belang.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie verzet zich niet tegen teruggave van de inbeslaggenomen motor aan klager. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat het op grond van de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter de motor van klager, die onder de beslagene in beslag is genomen, zal verbeurd verklaren.
Beoordeling
De rechtbank is bevoegd.
Het beklag is schriftelijk gedaan en ingediend binnen twee jaren na inbeslagneming. Klager is daarom ontvankelijk in het beklag.
In geval van een beklag tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechtbank eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast.
Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Uit de stukken en hetgeen in raadkamer is besproken, is het volgende gebleken.
Op 15 december 2025 is de motor van klager onder zijn minderjarige broertje in beslag genomen, omdat hij erop reed terwijl hij geen rijbewijs heeft. Klager was in juli 2025 gewaarschuwd voor het feit dat een op zijn naam gesteld voertuig in beslag zou worden genomen indien hij of een derde daarmee een overtreding zou begaan. Klager heeft om te voorkomen dat dit zou gebeuren de sleutel van zijn motor in een bakje in zijn slaapkamer bewaard. Desondanks heeft zijn broertje toch zonder zijn toestemming en medeweten de sleutel gepakt. Onder deze omstandigheden is de kans heel groot dat de kantonrechter klager nog een (laatste) kans geeft. Nu het hoogst onwaarschijnlijk is dat de kantonrechter - later oordelend - de inbeslaggenomen motor zal verbeurd verklaren, dient het beslag bij het ontbreken van strafvorderlijk belang te worden opgeheven.
De rechtbank is van oordeel dat klager, niet zijnde beslagene, die stelt rechthebbende te zijn, redelijkerwijs als rechthebbende van de motor kan worden aangemerkt. De rechtbank zal dan ook het beklag gegrond verklaren en de teruggave van de inbeslaggenomen motor aan klager gelasten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klager van een Piaggio Vespa Gts 125 met kenteken [kentekennummer] (goednummer 6729477).
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.A. Spoel, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor klager en het openbaar ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor klager binnen veertien (14) dagen na betekening van deze beslissing en voor het openbaar ministerie binnen veertien (14) dagen na de dagtekening van de beslissing.