ECLI:NL:RBAMS:2026:3816

ECLI:NL:RBAMS:2026:3816

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 17-04-2026
Zaaknummer 13-061116-25 (schadevergoeding)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Met toepassing van art. 11, eerste lid, OLW is geen gevolg gegeven aan het Kroatische overleveringsverzoek dat t.a.v. verzoeker is uitgevaardigd. Schadevergoeding wordt toegekend voor de ondergane overleveringsdetentie. Geen schadevergoeding wordt toegekend voor de kosten voor een nieuw deurslot. De rechtbank dient immers te beoordelen of verzoeker schade heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming. Naar het oordeel van de rechtbank is dat t.a.v. het deurslot niet het geval en komen de kosten die verzoeker voor een nieuw deurslot heeft gemaakt, daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Niet is immers gebleken dat deze kosten voortvloeien uit de vrijheidsbeneming die op 26 en 27 februari 2025 plaatsvond. De rechtbank ziet geen juridische grondslag om schadevergoeding voor deze kosten toe te wijzen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-061116-25

RK nummers: 25-026050; 25-026052

BESCHIKKING

Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van

[verzoeker] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1973,

te dezen domicilie kiezende te Utrecht aan de Maliesingel 2 ten kantore van zijn advocaat mr. D.S. Altena,

hierna te noemen: verzoeker.

1. Procesgang

Met het verzoekschrift, bij de rechtbank ingediend op 13 oktober 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van zijn vrijheidsbeneming, van de door hem geleden vermogensschade en van de kosten voor het opstellen van het verzoekschrift door zijn raadsvrouw.

De rechtbank heeft op 17 februari 2026 verzoeker, zijn raadsvrouw mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord.

Het verzoekschrift is tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

2. Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat bij het beoordelen van het verzoekschrift uit van de volgende feiten:

- bij vonnis van 8 februari 2019 van the Municipal Criminal Court in Zagreb, Kroatië, met zaaknummer No. K-1985/16 is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar;

- op 17 februari 2020 is door the Republic of Croatia, County Court in Zagreb, prison sentence execution centre, Kroatië, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Kroatië, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf;

- op 26 februari 2025 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW gelet op voormeld EAB;

- op 27 februari 2025 is de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst door de rechter-commissaris;

- op vordering van de officier van justitie van 21 maart 2025 is het overleveringsverzoek behandeld op de zittingen van 24 april, 13 mei en 3 juli 2025; en

- bij uitspraak van deze rechtbank van 17 juli 2025 is met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB omdat er voor verzoeker een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling bestond, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De Kroatische autoriteiten hadden niet binnen een redelijke termijn gegevens verstrekt op basis waarvan de rechtbank dat reële gevaar voor verzoeker kon uitsluiten. In de uitspraak is tevens de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.

3. Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van:

- € 260,- € 260,- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:

 twee dagen politiebureau: 2 x € 130,- = € 260,-;

- € 315,- € 315,- als vergoeding van vermogensschade (vervanging van het deurslot dat is geforceerd);

- € 340,- € 340,- voor de kosten die zijn gemaakt in verband met het (opstellen en indienen) van het verzoekschrift, te vermeerderen met € 340 indien het verzoek ter zitting moet worden toegelicht.

De raadsvrouw heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Zij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat ingevolge artikel 11 OLW geen gevolg is gegeven aan het overleveringsverzoek en hij daarom onterecht gedetineerd is geweest. Verder heeft verzoeker schade geleden omdat de politie het slot van zijn voordeur heeft geforceerd toen is getracht hem op 25 februari 2025 aan te houden.

4. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek voor zover dit ziet op de vergoeding van de schade aan het slot, moet worden afgewezen. De schade aan het slot is niet als gevolg van de vrijheidsbeneming ontstaan en bovendien heeft de politie geen schade gemeld in het proces-verbaal dat ten aanzien van de aanhouding is opgemaakt. Ten slotte was door verzoeker met politie afgesproken dat ze hem konden ophalen en deed hij niet open toen de politie hem kwam halen. Ten aanzien van de overige punten heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5. Toetsingskader

Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank, op verzoek van de opgeëiste persoon, een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die de opgeëiste persoon heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming die is bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.

Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade toe, die is geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

6. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt eerst vast dat naar vaste jurisprudentie een beslissing om met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg te geven aan het EAB, met een weigering van de overlevering door de rechtbank wordt gelijkgesteld. Dit betekent dat de verzoeker, achteraf bezien, ten onrechte in overleveringsdetentie heeft gezeten, ongeacht of Nederland daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Daarom is een vergoeding van de daardoor geleden schade in beginsel toewijsbaar, tenzij het niet redelijk en billijk is om een dergelijke vergoeding toe te kennen. De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen gronden om aan te nemen dat een vergoeding niet redelijk en billijk is.

Tussen partijen bestaat alleen een verschil van opvatting over het al dan niet vergoeden van de geleden schade voor zover dit ziet op de kosten die verzoeker heeft moeten maken voor een nieuw deurslot. De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet omdat de schade aan het slot niet als gevolg van de vrijheidsbeneming is ontstaan en uit het ‘Proces-verbaal van voorlopige aanhouding Overleveringswet’ niet blijkt dat het slot van de voordeur is geforceerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verzoeker heeft met stukken onderbouwd dat hij een nieuw slot heeft laten installeren op 25 februari 2025 en daarvoor kosten heeft gemaakt, nadat is getracht om verzoeker op 25 februari 2025 op grond van het EAB in zijn woning aan te houden.

Op basis van de toelichting van de raadsvrouw en verzoeker in raadkamer, acht de rechtbank het aannemelijk dat het slot van de voordeur op 25 februari 2025 is geforceerd toen de politie heeft getracht verzoeker aan te houden. Dat er, zoals door de officier van justitie is betoogd en naar de rechtbank begrijpt, sprake zou zijn van ‘eigen schuld’ omdat verzoeker in strijd met zijn afspraak met de politie niet in zijn woning verbleef en daarom niet open deed, volgt de rechtbank niet. Uit de toelichting van verzoeker in raadkamer blijkt dat hij pas nadat de politie op 25 februari 2025 bij zijn woning was geweest, een afspraak heeft gemaakt waarna hij op 26 februari 2025 is aangehouden. Dit wordt niet zonder meer weersproken in het ‘Proces-verbaal van voorlopige aanhouding Overleveringswet’. Daarin is namelijk geverbaliseerd dat de politie op woensdag 26 februari 2025 omstreeks 12.00 uur bij de woning van verdachte was en hem daar heeft aangehouden. Tevens is geverbaliseerd (onderstreping door de rechtbank):

Op dinsdag 25 februari 2025 waren wij al bij zijn woning geweest en troffen hem daar

niet aan. Hij meldde zich later die dag telefonisch. Met de veroordeelde was de

afspraak gemaakt dat hij zich op deze dag rond 12:00 uur thuis zou ophouden ten einde

aangehouden te kunnen worden.

Bij het aanbellen aan zijn adres aan de [adres] werd door de

veroordeelde zelf de deur geopend. Hij wilde ons in eerste aanleg niet vrijwillig

binnenlaten. Na het bekendmaken van ons doel en het tonen van een machtiging tot

binnentreden hadden ter aanhouding betraden wij de woning en hielden de veroordeelde

aan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet zonder meer worden aangenomen dat een afspraak is gemaakt om verzoeker op 25 februari 2025 thuis aan te houden. Het feit dat in de onderstreepte tekst over “12:00 uur” wordt gesproken en verzoeker op 26 februari 2025 omstreeks 12.00 uur is aangehouden, lijkt de bewering in raadkamer van verzoeker te ondersteunen, te meer omdat er geen informatie voorhanden is over het tijdstip waarop de politie op 25 februari 2025 bij de woning van verzoeker was. Verder sluit de volgende alinea in het proces-verbaal naadloos aan op de onderstreepte tekst. Al met al acht de rechtbank het aannemelijk dat op 25 februari 2025 het deurslot is geforceerd ten behoeve van de aanhouding van verzoeker, ondanks dat in het ‘Proces-verbaal van voorlopige aanhouding Overleveringswet’ niet met zoveel woorden wordt gesproken over het forceren van de voordeur.

Het vorenstaande laat echter onverlet dat dient te worden beoordeeld of verzoeker schade heeft geleden ten gevolge van de vrijheidsbeneming. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval en komen de kosten die verzoeker voor een nieuw deurslot heeft gemaakt, daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Niet is immers gebleken dat deze kosten voortvloeien uit de vrijheidsbeneming die op 26 en 27 februari 2025 plaatsvond. De rechtbank ziet geen juridische grondslag om schadevergoeding voor deze kosten toe te wijzen.

De rechtbank zal de verzochte schadevergoeding dan ook gedeeltelijk toewijzen.

7. Beslissing

De rechtbank WIJST TOE de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:

- € 260,- € 260,- vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, en

- € 680,- € 680,- voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zijn gemaakt.

De rechtbank WIJST AF het verzoek tot schadevergoeding voor zover dit ziet op de kosten voor een nieuw deurslot à € 315,-.

Deze beslissing is gegeven op 3 maart 2026 en in het openbaar uitgesproken door

mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten en D.L.S. Ceulen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffer.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 940,-,- (negenhonderdenveertig euro) op

IBAN/rekeningnummer

[rekeningnummer]

ten name van

Stichting Beheer Derdengelden Ausma De Jong Advocaten,

onder vermelding van

vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] (verzoeker).

Aldus gedaan op 3 maart 2026

door mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. B.M. Vroom-Cramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?