RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-315890-25
Datum uitspraak: 18 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 8 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 november 2024 door the Public Prosecutor’s Office attached to
the Ordinary Court of Verona in Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Ghana) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp en door een tolk in de Engelse taal.
Het onderzoek ter zitting is voor bepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie de gelegenheid te bieden om nadere vragen te stellen ten behoeve van de toetsing aan de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW.
Het onderzoek ter zitting is – met instemming van de raadsvrouw en de officier van justitie – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 17 februari 2026, in aanwezigheid van
mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. R.H. Lagerweij, waarneemster voor mr. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, en door een tolk in de Engelse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Ghanese nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van 30 april 2015 van the Ordinary Court of VERONA, bevestigd door het arrest No. 3006 —2019 van 8 juli 2019 van the Court of Appeal of VENICE, met referentie 1158/2015 Sent.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de verdediging
Door de raadsvrouw is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, omdat uit de stukken niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten naar behoren heeft kunnen uitoefenen. Hij is niet bij de zittingen in eerste aanleg en hoger beroep aanwezig is geweest en heeft voor geen van de procedures een advocaat gemachtigd om namens hem het woord te voeren. De opgeëiste persoon stelt op 8 februari 2013 geen vertaling van de adresinstructie te hebben gekregen en evenmin was er een tolk aanwezig. De opgeëiste persoon beschikt over onvoldoende beheersing van het (juridisch) Italiaans, zodat hij de inhoud van het document niet kon begrijpen. Daarnaast is hij dusdanig kort op het politiebureau geweest, dat hij niet redelijkerwijs moest en kon vermoeden dat hij zou worden vervolgd. De advocaat, Maurizio Milan, heeft hij nooit gesproken. Ook heeft hij het vonnis in eerste aanleg of het arrest in hoger beroep, nooit ontvangen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon is in eerste aanleg opgeroepen op het adres van de door hemzelf gekozen advocaat die hem ter zitting heeft vertegenwoordigd en namens hem hoger beroep heeft aangetekend. Onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van deze rechtbank (ECLI:NL:RBAMS:2024:4274 en ECLI:NL:RBAMS:2021:72399) stelt de officier van justitie dat van weigering op grond van artikel 12 OLW kan worden afgezien. Er is namelijk een stuk waaruit blijkt dat een advocaat is gemachtigd. Ook heeft hij het adres van de advocaat opgegeven, een adresinstructie gekregen en nagelaten een adreswijziging door te geven. De omstandigheid dat de opgeëiste persoon stelt dit niet te hebben begrepen, doet hier niet aan af.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. In het licht van de aanvullende informatie die is verstrekt, zal de rechtbank de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW toetsen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest van the Court of Appeal in Venice van 8 juli 2019, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon op 8 februari 2013 is aangehouden. Hij is dezelfde dag door de politie verhoord en heeft toen Maurizio Milan (Verona) gekozen als advocaat. Tevens heeft de opgeëiste persoon op die dag domicilie gekozen op het adres van deze advocaat en is hem (in persoon) te kennen gegeven dat hij iedere adreswijziging aan de Italiaanse justitiële autoriteiten diende door te geven.
De opgeëiste persoon is in eerste aanleg, noch in hoger beroep ter zitting aanwezig geweest. De oproeping voor de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg is gezonden aan zijn advocaat. In rubriek d) van het EAB, die ten aanzien van de eerste aanleg is ingevuld, is niet de optie onder 3.2 aangekruist en in de nadere informatie onder 4. is enkel meegedeeld: “Defence lawyer of his own choice: Avv. Maurizio MILAN”. Op basis van die informatie kan niet worden vastgesteld dat de gekozen advocaat door de opgeëiste persoon was gemachtigd om namens hem zijn verdediging te voeren. Door het Internationaal Rechtshulpcentrum in Amsterdam is expliciet gevraagd of de opgeëiste persoon de advocaat had gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Hier is door de uitvaardigende justitiële autoriteit op 12 januari 2026 op geantwoord dat de opgeëiste persoon “was represented by his privately appointed counsel, lawyer Maurizio Milan (…)”.
De rechtbank kan op grond van deze informatie niet vaststellen dat de advocaat door de opgeëiste persoon gemachtigd was om hem te verdedigen. Het feit dat het een gekozen advocaat betrof, maakt dit niet anders. Uit vaste jurisprudentie van deze rechtbank volgt immers dat de omstandigheid dat een opgeëiste persoon een advocaat heeft gekozen niet betekent dat deze advocaat daarmee óók gemachtigd is.
Uit de aanvullende informatie van 12 januari 2026 blijkt vervolgens dat deze, niet gemachtigde, advocaat namens de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. Dit wordt bevestigd door de aanvullende informatie van 12 februari 2026 waarin de uitvaardigende justitiële autoriteit meedeelt dat “the defence lawyer of choice is entitled to lodge an appeal, without the need for a specific mandate.”. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is aan deze advocaat betekend op 17 mei 2019. Minder dan drie weken later, op 3 juni, heeft hij de verdediging van de opgeëiste persoon neergelegd. De Court of Appeal heeft daarna een andere advocaat toegevoegd en deze advocaat heeft de opgeëiste persoon ter zitting in hoger beroep vertegenwoordigd.
Uit het EAB en de aanvullende informatie kan ten slotte niet worden afgeleid dat de opgeëiste persoon gedurende de hele strafrechtelijke procedure op enigerlei wijze contact met zijn gekozen advocaat (Maurizio Milan) heeft gehad. De rechtbank kan daarom niet vaststellen dat het hoger beroep met medeweten van de opgeëiste persoon is ingesteld en dat hij dus op ervan op de hoogte was dat deze procedure tegen hem liep.
In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat overlevering een schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Niet kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het hoger beroep dat door zijn niet-gemachtigde advocaat is ingesteld. Tevens is zes-en-een-half jaar verstreken tussen het moment van zijn aanhouding en het verzenden van de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep. Om die reden kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon uit eigen beweging uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen op het proces.
De omstandigheid dat aan de opgeëiste persoon een adresinstructie is verstrekt die, volgens de uitvaardigende justitiële autoriteit, “remains in force throughout the entire proceedings until the final judgment.”, doet aan dit oordeel niet af. In het document dat als bijlage is overgelegd - een door de opgeëiste persoon en een politiebeambte ondertekend proces- verbaal waarin inderdaad wordt meegedeeld dat de opgeëiste persoon iedere adreswijziging dient door te geven - is namelijk niet expliciet opgenomen dat deze verplichting op de gehele procedure ziet, dus inclusief een eventueel hoger beroep. Daarnaast blijkt dat de opgeëiste persoon in de Italiaanse taal, zonder bijstand van een tolk, is gehoord. Om die reden kan niet met zekerheid worden geoordeeld dat er van kennelijke onzorgvuldigheid van de kant van de opgeëiste persoon sprake was ten aanzien van de oproeping betreffende het proces in hoger beroep.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
5. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De
rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
6. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2 en 12 OLW.
7. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Public Prosecutor’s Office attached to the Ordinary Court of Verona in Italië;
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.