RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/342447-25
Datum uitspraak: 26 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 december 2025 door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] (Suriname),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Surinaamse nationaliteit heeft.
Het EAB vermeldt:
- titel 1: een vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen - afdeling Antwerpen van 10 november 2020 (vonnisnummer: 2020/3965 - dossiernummer: 20CO6294 - AN10.LB.9520/2020);
- titel 2: een vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen - afdeling Antwerpen van 20 mei 2022 (vonnisnummer: 2022/2803 - dossiernummer: 21CO43444 - AN11.LB..69159/2021).
Het EAB vermeldt ten aanzien van titel 1 en titel 2 dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat:
Uit aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 februari 2026 volgt dat bij titel 1 een deel van de vrijheidsstraf, te weten: 18 maanden, in voorwaardelijke vorm was opgelegd aan de opgeëiste persoon, met een proeftijd van 5 jaar. Vervolgens is de opgeëiste persoon bij titel 2 gedurende deze proeftijd veroordeeld voor nieuwe feiten die ook gedurende de proeftijd zijn gepleegd, en is wegens deze triggerende veroordeling tevens de tenuitvoerlegging van de aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf bevolen.
De vrijheidsstraffen zijn aan de opgeëiste persoon opgelegd bij de hiervoor genoemde vonnissen.
Deze vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten die in het EAB onder A en B staan vermeld, die ten grondslag liggen aan titel 1, en het strafbare feit vermeld onder A, dat ten grondslag ligt aan titel 2, aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling;
georganiseerde of gewapende diefstal;
racketeering en afpersing.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit vermeld onder B, dat ten grondslag ligt aan titel 2, niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling.
5. Artikel 11 OLW: Belgische detentieomstandigheden
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 28 januari 2026 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit, is de volgende garantie voor de opgeëiste persoon gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de
gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentiegarantie voor de gevangenis in Brugge het algemene gevaar van schending van grondrechten in detentie in België voor de opgeëiste persoon niet wegneemt. Uit de vermelding dat de gemiddelde leefruimte van elke cel 9 m2 bedraagt, inclusief vast meubilair, kan niet worden afgeleid hoeveel persoonlijke leefruimte de opgeëiste persoon daadwerkelijk ter beschikking zal hebben, nu onduidelijk is welk deel daarvan door meubilair wordt ingenomen en of sprake is van een eenpersoons of meerpersoonscel. Daarnaast wordt niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon voldoende tijd buiten zijn cel kan doorbrengen, omdat er blijkens de detentiegarantie aanzienlijke wachtlijsten zijn voor de aanvullende activiteiten. De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Belgische autoriteiten nadere vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar recente uitspraken van deze rechtbank ten aanzien van dezelfde detentie-instelling – op het standpunt gesteld dat de door de Belgische autoriteiten gegeven detentiegarantie voldoende is. Gelet op het vertrouwensbeginsel is er geen reden om te twijfelen aan deze individuele garantie en de naleving daarvan door de Belgische autoriteiten. Artikel 11 OLW staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in de garantie van 28 januari 2026. De rechtbank is, gelet op deze individuele garantie van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat het vastgestelde reële gevaar van onmenselijke of vernederende omstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen.
Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel omdat is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden) met inbegrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel. De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte ongeacht of hij in eenpersoons- of in een meerpersoonscel wordt geplaatst. Verder merkt de rechtbank op dat uit de Europese rechtspraak blijkt dat bij de berekening van het aantal vierkante meter individuele leefruimte alleen het sanitair niet meegerekend mag worden. Het aantal vierkante meter individuele leefruimte is dus inclusief meubilair. Ook ten aanzien van de tijd die iemand buiten de cel kan doorbrengen bevat de garantie voldoende toezeggingen, nu gesteld wordt dat er verschillende dagactiviteiten buiten de cel worden voorzien. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak aan te houden om vragen te stellen over de detentiegarantie.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 300 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de procureur des Konings Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.