RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/177314-23
Datum uitspraak: 21 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1956,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna: verdachte
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Jironet-Loewe, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.H. Jebbink, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 25 juni 2022 tot en met 30 juni 2022 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van het, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, openbaar maken van uitlatingen die, naar hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend is, door op de website www.wanttoknow.nl (een) artikel(en) genaamd ‘De Grote Revolutie’ en ‘Het Joodse belang bij… WOIII’ te (laten) plaatsen en/of te (laten) delen met daarin beledigende uitlatingen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de strafvervolging. Volgens de raadsman is sprake van het uitzonderlijk geval dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. De meningen over de definitie van antisemitisme lopen sterk uiteen. Als MiND of de politie aan verdachte duidelijk had gemaakt waar in de artikelen de onrechtmatigheid zat, dan had verdachte (die delen van) de artikelen verwijderd. Die kans is hem niet geboden. De strafvervolging is daarom niet noodzakelijk in een democratische samenleving; er is een minder vergaande maatregel mogelijk. Daarbij is de vervolgingsbeslissing onverenigbaar met het verbod van willekeur, gelet op de enorme hoeveelheid antisemitische uitlatingen online.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte.
Oordeel van de rechtbank
In artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen dient af te wegen. Deze belangenafweging staat, in het geval dat tot strafrechtelijke vervolging wordt overgegaan, slechts in zeer beperkte mate ter beoordeling van de rechtbank, in die zin dat er alleen in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging, op de grond dat sprake is van schending van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval is aan de orde als geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Het gaat dan om een zodanige onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat vervolging onverenigbaar zou zijn met het verbod op willekeur. Het moet dan, met andere woorden, gaan om een zogenoemde ‘flut’zaak.
De door de raadsman aangevoerde omstandigheden zijn onvoldoende om tot de conclusie te komen dat het Openbaar Ministerie in deze zaak, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid niet tot vervolging van de verdachte had kunnen overgaan.
De organisatie MiND heeft verdachte tweemaal rechtstreeks benaderd en hem verzocht de artikelen te verwijderen vanwege haar inschatting dat de artikelen strafbare uitingen bevatten als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht, waarin groepsbelediging van mensen wegens hun ras, hun levensovertuiging of godsdienst, hun seksuele geaardheid of handicap strafbaar is gesteld. In het tweede verzoek wordt daarbij antisemitisme uitdrukkelijk genoemd.
Uit het verhoor van verdachte blijkt dat hij goed op de hoogte was van de inhoud van de artikelen. Ook uit de verklaringen van verdachte ter zitting volgt dat hij zich bewust was van de gevoeligheid van de in de artikelen besproken onderwerpen en dat zijn doel (met die artikelen maar ook in het algemeen met de door hem opgezette website) was/is op te roepen tot het debat ‘op het scherpst van de snede’. Dat het voor verdachte onder deze omstandigheden onvoldoende duidelijk was dat de artikelen mogelijk een ‘antisemitisch karakter’ hadden en hij daarom zonder nadere duiding van de antisemitische delen niet aan de twee verzoeken van MiND kon voldoen, acht de rechtbank een onhoudbaar standpunt.
MiND heeft vervolgens aangifte gedaan van groepsbelediging. Daardoor bestond voor de politie voldoende aanleiding om een onderzoek in te stellen. Het feit dat er veel meer uitingen op het internet als antisemitisch kunnen worden gevonden, of dat het bereik van de website van verdachte beperkt is, doet hier niet aan af. Het standpunt dat antisemitisme gelet op de actuele debatten een andere duiding kan hebben, evenmin. Dat is nu immers ter beoordeling voorgelegd aan de rechtbank.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken op grond waarvan de hoge drempel die voor toewijzing van een verzoek tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie geldt, wordt gehaald.
Het verweer wordt verworpen. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in bijlage II het volgende vast.
Verdachte heeft op 26 juni 2022 het artikel ‘De Grote Revolutie’ en op 29 juni 2022 het artikel ‘Het Joodse Belang bij... WOIII’ op een Nederlandse website geplaatst. Verdachte is naar eigen zeggen de beheerder van deze website en eindverantwoordelijk voor de inhoud die hij plaatst. De artikelen zijn door anderen dan verdachte geschreven. Wel heeft verdachte afbeeldingen aan de artikelen toegevoegd.
MiND (Meldpunt Internet Discriminatie Nederland) heeft verdachte meermalen schriftelijk verzocht de genoemde artikelen van de website te verwijderen omdat de inhoud in strijd is met het verbod op groepsbelediging, waaronder antisemitisme, als bedoeld in artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht. Op deze verzoeken heeft verdachte niet gereageerd en in ieder geval op 18 juli 2022 had hij de artikelen nog niet van de website gehaald. Daarom is namens MiND op 27 juli 2022 aangifte gedaan van groepsbelediging en van het openbaar maken van voor een groep beledigende uitlatingen. Nadien heeft verdachte op aanraden van zijn advocaat de artikelen van de website gehaald.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de uitlatingen, die in de artikelen staan en door verdachte openbaar zijn gemaakt, voldoen aan het kader van artikel 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarvoor is kort gezegd nodig (i) dat sprake is van beledigende uitlatingen over een groep op basis van (in dit geval) hun ras en/of godsdienst, (ii) dat die uitlatingen niet ten behoeve van een zakelijke berichtgeving zijn gedaan, (iii) dat verdachte die uitlatingen opzettelijk openbaar heeft gemaakt en (iv) dat verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die uitlatingen beledigend waren. De rechtbank oordeelt dat aan die vereisten is voldaan en overweegt daartoe het volgende.
i. Zijn de uitlatingen beledigend?
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zijn toetsingscriteria ontwikkeld (onder andere ECLI:NL:HR:2018:541) met betrekking tot de vraag of sprake is van belediging van een groep mensen. Deze criteria sluiten aan bij het door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ontwikkelde stappenplan om klachten over schending van vrijheid van meningsuiting ex artikel 10 EVRM te beoordelen. Daarvoor moeten de volgende vragen worden beantwoord:
heeft de uitlating – op zichzelf en in de context bezien – de strekking om een groep mensen te beledigen wegens hun ras, godsdienst, levensovertuiging, hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke of verstandelijke handicap? Zo ja,
is de uitlating gedaan in een bepaalde context die het beledigend karakter daarvan mogelijk wegneemt vanwege het in artikel 10 lid 1 EVRM verzekerde recht op vrijheid van meningsuiting? Zo ja,
moet de uitlating niettemin als onnodig grievend worden aangemerkt?
Voor de beoordeling of sprake is van groepsbelediging moet allereerst worden gekeken naar de feitelijke uitlating en naar de samenhang met de overige omstandigheden. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij van belang is of een uitlating naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen (ECLI:HR:2001:AB3143). De uitlating moet daarnaast over een groep mensen of haar kenmerk gaan. Vereist is dat een groep mensen wordt beledigd en de uitlating op meer personen betrekking heeft. Het is evenwel mogelijk dat de belediging van één persoon voor een groep personen beledigend kan zijn mits deze als representant van een groep kan worden aangemerkt.
Bewijsoverweging
In de artikelen worden, kort samengevat, aantijgingen gedaan dat een gedeelte van de Joodse gemeenschap verantwoordelijk moet worden gehouden voor vermeende misstanden in de wereld. Ook wordt de ‘Joodse elite’ ervan beschuldigd een samenzwering tegen de wereld te beramen om zo de wereldheerschappij te verkrijgen en andere bevolkingsgroepen, die zij als inferieur zien, te onderwerpen aan hun macht.
De ten laste gelegde uitlatingen in combinatie met de rest van de tekst en de afbeeldingen hebben onmiskenbaar de strekking Joden in een kwaad daglicht te stellen. Zij worden als groep in diskrediet gebracht en de waardigheid van de groep wordt ernstig aangetast. Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de uitlatingen als gevolg van voortschrijdend inzicht ook beledigend vindt voor Joden.
De uitlatingen zijn, gelet op het voorgaande, te kwalificeren als belediging van een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst. Aan de eerste stap van het toetsingskader is dan ook voldaan.
Bij de tweede vraag speelt de vrijheid van meningsuiting een rol. De vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat en gaat niet alleen op voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten. Het voorgaande betekent echter niet dat de vrijheid van meningsuiting onbeperkt is. Uitingen die onverenigbaar zijn met de waarden die door het EVRM worden verkondigd en gewaarborgd, vallen niet onder de bescherming van het verdrag. Zo is een algemene en heftige aanval op één etnische groep in strijd met de onderliggende waarden van het EVRM en valt dit niet onder de bescherming van het verdrag. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke aanval sprake is. In de twee artikelen die verdachte openbaar heeft gemaakt worden Joden afgeschilderd als de veroorzakers van vermeende misstanden in de wereld. Een hele groep wordt wegens ras en/of godsdienst ervan beschuldigd een samenzwering tegen de wereld te beramen om zo de wereldheerschappij te verkrijgen en andere bevolkingsgroepen, die zij als inferieur ziet, te onderwerpen aan haar macht. Een dergelijke algemene en heftige aanval op een groep is in strijd is met de onderliggende waarden van het EVRM, te weten tolerantie, sociale vrede en nondiscriminatie. Verdachte kan zich daarom niet beroepen op de bescherming van het EVRM. De tweede en derde vragen hoeven dan niet beantwoord te worden.
ii. Niet ten behoeve van zakelijke berichtgeving
Uit het voorgaande volgt ook dat de artikelen anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving zijn verspreid. De artikelen hebben geen voorlichtend karakter en zijn niet als journalistiek of wetenschappelijk te duiden.
iii. Opzet op openbaarmaking
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij de artikelen willens en wetens openbaar heeft gemaakt door deze als beheerder op de website te plaatsen. De rechtbank overweegt daarbij dat uit de bewijsmiddelen volgt dat die openbaarmaking eerst op 26 juni 2022 heeft plaatsgevonden.
iv. Opzet op groepsbelediging
Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij vertrouwen had in de auteurs, die eerder artikelen voor de website hadden geschreven, en daarom zou hij niet helemaal oplettend zijn geweest en de artikelen voor publicatie niet goed hebben gelezen. Pas later heeft hij het beledigende karakter van de artikelen ingezien, aldus verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank wist verdachte op het moment van openbaar maken wel degelijk dat de artikelen beledigend zijn voor Joden, of in ieder geval had hij dat redelijkerwijs kunnen vermoeden. Verdachte heeft aan de artikelen afbeeldingen toegevoegd die goed passen bij de tekst. Daaruit volgt dat verdachte de artikelen heeft gelezen. De door verdachte gekozen afbeeldingen onderstrepen het discriminatoire karakter. Zo heeft verdachte een afbeelding van Henry Ford toegevoegd met de tekst “There is nothing that the International Jew fears so much as the truth, or any hint of the truth about himself or his plans”. Gelet daarop heeft verdachte tenminste bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de uitlatingen beledigend zijn voor Joden.
Medeplegen
De rechtbank is van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen. De artikelen zijn door anderen geschreven en door verdachte op de website geplaatst. Daarmee is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openbaar maken van de beledigende uitlatingen.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 26 juni 2022 tot en met 30 juni 2022, in Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating, te weten een tekst, openbaar heeft gemaakt die, naar hij en zijn mededaders wisten, voor een groep mensen, te weten Joden wegens hun ras en/of godsdienst, beledigend is, door op de website www.wanttoknow.nl artikelen genaamd ‘De Grote Revolutie’ en ‘Het Joodse Belang bij... WOIII’ te plaatsen en te delen, bestaande uit de volgende teksten:
- “(…) Er zijn tal van Joodse schrijvers, politici en rabbijnen die openlijk verklaren dat niet joden inferieur zijn, en dat de enige mogelijke en juiste toekomst een wereldregering onder Joods bestuur is, waarin andere volken een ondergeschikte rol zullen hebben (…).”;
en
- “(…) Een beschuldiging van antisemitisme is een effectief afschrikmiddel. Het gaat echter niet om het beschuldigen en vervolgen van een bepaalde groep mensen. Waar het om gaat is uit te zoeken wat de drijfveer is van machtsstructuren die de wereld teisteren, en het is zonder meer duidelijk dat een ideologie die binnen de Joodse gemeenschap leeft hier een rol bij speelt. Het is een ideologie waar het Joodse volk evengoed onder lijdt(…)”;
en
- “(…) De DNA-veranderende COVID-19 vaccins zijn dus voor een zeer groot deel een Joodse aangelegenheid. Hoe is dit nu te rijmen met het feit dat de Israëlische bevolking zo zwaar heeft geleden (en lijdt) onder de maatregelen en de vaccinaties? Dit maakt duidelijk dat er geen complot is, waar het volledige Joodse volk deel aan zou hebben. Het gaat om een elite, die weliswaar overwegend Joods is, maar zonder enige empathie voor andere mensen, zij het voor Joden of niet-Joden.(…)”.
en
- “(…) Duistere hand.. In meerdere vorige artikelen heb ik de duistere Talmoedisch Joodse hand benoemd van hen die zich wereldwijd in machtsposities hebben gemanoeuvreerd, om van daaruit hun satanisch geïnspireerde wil aan de mensheid op te leggen. Die duistere hand heeft door de gehele menselijke geschiedenis op manipulatieve wijze destructieve ontwikkelingen in gang gezet, die telkens weer de menselijke bewustzijnsevolutie teniet wilden doen.(…)”;
en
- “(…) De tijd dringt voor de volledige implementatie van hun overheersingsplannen! Vandaar dat er nu steeds meer tandjes worden bijgezet om de snelheid op te voeren. Een derde wereldoorlog zou hen in dit geval goed uitkomen. Daarom hebben zij invloed op alle partijen die de huidige zeer gespannen geopolitieke verhoudingen vormgeven, die maar zo zou kunnen ontaarden in een Derde Wereldoorlog.(…)”;
en
- “(…) Het georganiseerde Jodendom heeft een hekel aan elk volk dat weigert zich te onderwerpen aan de Joodse hegemonie.(…)”.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. Strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de noodzaak, in het bijzonder een ‘pressing social need’ voor een schuldigverklaring ontbreekt.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft op dit punt geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat ontslag van alle rechtsvervolging kan volgen als het uitdrukkelijk onderbouwde verweer wordt gevoerd dat verdachte op basis van een schulduitsluitingsgrond niet strafbaar is. Het bestaan van een dergelijke schulduitsluitingsgrond is niet aangevoerd en ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,-.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen straf of maatregel moet worden opgelegd, omdat dit niet noodzakelijk is in een democratische samenleving en ook geen strafdoel dient.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft twee artikelen op een website geplaatst met daarin zeer beledigende uitlatingen over Joden. Dat is onacceptabel en gaat in tegen in de samenleving geldende normen en waarden. In Nederland moet iedereen, ongeacht ras of godsdienst, zich veilig kunnen voelen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Joden een minderheidsgroepering van de (Nederlandse) bevolking vormen. De artikelen kunnen bijdragen aan gevoelens van onveiligheid bij Joden. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij, door het plaatsen deze artikelen, heeft bijgedragen aan dat onveiligheidsgevoel.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft op het strafblad van verdachte van 3 maart 2026 gezien dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het strafbare feit dat is bewezen verklaard zal anders dan de raadsman heeft bepleit geen toepassing worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Het gaat in deze zaak over een feit uit 2022. De rechtbank houdt daar in strafmatigende zin rekening mee. Alles afwegende zal de rechtbank de strafeis van de officier van justitie volgen en aan verdachte een geldboete van € 500 ,- opleggen.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op artikelen 23, 24c, 47 en 137e van het Wetboek van Strafrecht.
10. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving een uitlating openbaar maken die, naar hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, voor een groep mensen wegens hun ras en/of godsdienst beledigend is, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 5 (vijf) dagen.
Als de verdachte hoger beroep instelt tegen dit vonnis, is het verlofstelsel als bedoeld in artikel 410a van het Wetboek van Strafvordering van toepassing.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. A.S. Dogan en B.J. Blok, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Kwiyasse, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 april 2026.