ECLI:NL:RBAMS:2026:3965

ECLI:NL:RBAMS:2026:3965

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 13/297769-25 (A) en 13/345499-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan viermaal diefstal door kettingen van nietsvermoedende voetgangers af te rukken. Twee van die vier incidenten heeft hij samen met een ander gepleegd. Bij alle vier de incidenten was sprake van geweld, waarbij verdachte in twee gevallen pepperspray heeft gebruikt tegen zijn slachtoffers. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een ketting zonder dat geweld. De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van 24 maanden met aftrek, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Parketnummers: 13.297769.25 en 13.345499.25 (ter terechtzitting gevoegd)

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13/297769-25 (A) en 13/345499-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 22 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [naam PI] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

Ten aanzien van zaak A:

diefstal in vereniging van een gouden ketting van [slachtoffer 1] met geweld tegen die [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] op 5 november 2025;

Ten aanzien van zaak B:

feit 1: diefstal in vereniging van een gouden ketting van [slachtoffer 4] met geweld op 28 juni 2025;

feit 2: diefstal van een gouden ketting van [slachtoffer 5] met geweld op 24 juni 2025;

feit 3: diefstal van een gouden ketting van [slachtoffer 6] met geweld op 24 juni 2025;

feit 4: diefstal van een gouden ketting van [slachtoffer 7] op 21 juni 2025.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het in zaak A, zaak B onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde, is er geen sprake van medeplegen. Het was de medeverdachte die de ketting van [slachtoffer 1] heeft gegrepen en losgetrokken. Verdachte wist niet dat de medeverdachte dit van plan was. Verdachte heeft wel pepperspray gebruikt, maar dit was omdat hij zichzelf wilde verdedigen tegen de vier mensen die om hem heen stonden en geweld tegen hem gebruikten. Dit is te zien op de camerabeelden. Bij verdachte is geen ketting aangetroffen.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 in zaak B, ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de dader is die in grijze kleding te zien is op de beelden. Het proces-verbaal van vergelijking en het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [naam verbalisant] zijn daarvoor onvoldoende overtuigend.

Verdachte heeft het in zaak B, onder 1 ten laste gelegde ter terechtzitting bekend. De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van dit feit.

Het oordeel van de rechtbank

Het in zaak A ten laste gelegde

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de man op de beelden is met het zwarte trainingspak met rode accenten. Uit de aangifte van [slachtoffer 1] en de aangifte van [slachtoffer 2] blijkt dat verdachte en de medeverdachte een vooropgezet plan hadden om [slachtoffer 1] te beroven en vanaf het begin bij de uitvoering van dat plan betrokken waren. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachten tezamen [slachtoffer 1] hebben benaderd en hem de weg hebben versperd. Vervolgens hebben zij hem aangesproken en heeft verdachte [slachtoffer 1] in een houdgreep genomen en hem getrapt tegen het linkerbeen. Daarna pakten de verdachten samen aangever opnieuw vast en trok verdachte de ketting van de nek van [slachtoffer 1] af, die hij aan de medeverdachte gaf. De medeverdachte is met de ketting weggerend. Zowel verdachte als medeverdachte hebben pepperspray gespoten in de gezichten van aangevers. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte ten aanzien van de diefstal met geweld.

Met inachtneming van het voorgaande acht de rechtbank het in zaak A ten laste gelegde bewezen op grond van de bewijsmiddelen opgenomen in bijlage II bij dit vonnis.

Het in zaak B, onder 1 ten laste gelegde

De rechtbank acht dit feit bewezen op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de aangifte van [slachtoffer 4] .

Het in zaak B, onder 3 ten laste gelegde

Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding de herkenning van verbalisant [naam verbalisant] niet betrouwbaar te achten, nu die herkenning is gedaan aan de hand van kwalitatief goede stills van de camerabeelden, terwijl [naam verbalisant] verdachte op 29 juni 2025 – slechts een paar dagen na onderhavig feit – zelf heeft gezien na een staandehouding wegens een ander feit. [naam verbalisant] heeft toen een foto van verdachte gemaakt, die aan het dossier is gevoegd. Verdachte heeft ook bevestigd dat hij de persoon is op die foto. [naam verbalisant] heeft verdachte herkend aan zijn gezicht in het geheel en aan specifieke en onderscheidende kenmerken zoals de vorm van het gezicht, de neus, de lange haren en gezichtsbeharing. De rechtbank acht deze herkenning dan ook betrouwbaar en zal deze voor het bewijs gebruiken.

Met inachtneming van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 24 juni 2025 een ketting heeft gestolen van [slachtoffer 6] , op grond van de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden en het proces-verbaal van herkenning van verbalisant [naam verbalisant] .

Het in zaak B, onder 2 en 4 ten laste gelegde

Ten aanzien van feit 2, kan op grond van de aangifte van [slachtoffer 5] en de beschrijving van de camerabeelden worden vastgesteld dat een man [slachtoffer 5] heeft achtervolgd, de ‘voetbaltruc’ bij hem heeft uitgevoerd en vervolgens de ketting van [slachtoffer 5] zijn nek heeft losgerukt. Toen [slachtoffer 5] hierachter kwam en deze man confronteerde, heeft de man pepperspray gebruikt om aan [slachtoffer 5] te ontkomen.

Ten aanzien van feit 4 kan op grond van de aangifte van [slachtoffer 7] en de beschrijving van de camerabeelden, worden vastgesteld dat een man bij [slachtoffer 7] de voetbaltruc heeft uitgeoefend waarna de ketting van de hals van [slachtoffer 7] is weggenomen.

De rechtbank is van oordeel dat het in beide gevallen verdachte is geweest die de dader was, op grond van het proces-verbaal van vergelijking van 30 december 2025. In dit proces-verbaal zijn stills van de camerabeelden van de onder 2 en 4 (zaak B) tenlastegelegde diefstal vergeleken met een foto die van verdachte is genomen bij zijn staandehouding op 29 juni 2025. Ook foto’s van het in zaak B, onder 1 en 3 bewezen verklaarde zijn bij deze vergelijking betrokken. De verbalisant die deze vergelijking heeft gedaan, heeft bij al deze beelden overeenkomsten in het gezicht, de lichaamsbouw en de kledingstukken gezien, te weten de kenmerkende gele schoenen en het vissershoedje. De rechtbank concludeert dan ook dat het verdachte is geweest die op de camerabeelden ten aanzien van feiten 2 en 4 te zien is. De rechtbank wordt gesterkt in deze overtuiging nu bij al deze feiten dezelfde modus operandi is gebruikt, namelijk het gebruik van de voetbaltruc waarna steeds de ketting met een ruk werd losgerukt waarna in sommige gevallen pepperspray werd gebruikt om te kunnen vluchten, terwijl deze feiten in een relatief korte periode hebben plaatsgevonden (te weten van 21 juni 2025 tot en met 28 juni 2025), telkens op een metro- dan wel treinstation

De rechtbank acht op grond van het voorgaande aldus bewezen dat verdachte op 25 juni 2025 [slachtoffer 5] op de Henk Sneevlietweg heeft beroofd van zijn ketting door middel van geweld (feit 2) en dat hij op 21 juni 2025 de ketting van [slachtoffer 7] heeft gestolen op het Amstelstation (feit 4).

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van zaak A:

op 5 november 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander een gouden ketting die geheel aan [slachtoffer 1] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- die [slachtoffer 1] in een houdgreep te nemen en vast te houden en

- die [slachtoffer 1] te schoppen tegen de onderbenen en

- voornoemde (gouden) ketting van de nek van die [slachtoffer 1] te trekken en

- vervolgens pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] te spuiten en

- zich met kracht los te rukken uit de greep van die [slachtoffer 3] , waardoor vervolgens die [slachtoffer 3] achterover ten val is gekomen;

Ten aanzien van zaak B:

Feit 1:

op 28 juni 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander eengouden ketting die geheel aan [slachtoffer 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken door

- die [slachtoffer 4] te slaan in de buik en

- voornoemde gouden ketting van de nek van die [slachtoffer 4] met kracht te trekken;

Feit 2:

op 24 juni 2025 te Amsterdam, te weten de Henk Sneevlietweg, een gouden ketting die geheel aan [slachtoffer 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen die [slachtoffer 5] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- te slaan tegen de borst van die [slachtoffer 5] en

- pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer 5] te spuiten;

Feit 3:

op 24 juni 2025 te Amsterdam, te weten het Julianaplein en/of het Amstelstation een gouden ketting die geheel aan [slachtoffer 6] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 6] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken door

met kracht

- die [slachtoffer 6] te knijpen in de schouder en

- die [slachtoffer 6] te stompen tegen de linkerarm en

- voornoemde gouden ketting van de nek van die [slachtoffer 6] te trekken;

Feit 4:

op 21 juni 2025 te Amsterdam een gouden ketting die geheel aan [slachtoffer 7] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het jeugdstrafrecht dan wel het adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) moet worden toegepast, nu verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten minderjarig was en in ieder geval jonger dan 23 jaar. Verdachte heeft immers verklaard dat zijn werkelijke naam [werkelijke naam verdachte] is en dat hij is geboren op [geboortedag] 2008. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman eerder een geboorteakte overlegd. De bij de rechtbank bekende gegevens betreffen een door verdachte opgegeven alias. Daarbij komt dat artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv.) van toepassing is nu verdachte al geruime tijd vastzit. De raadsman heeft dan ook verzocht om een straf op te leggen conform het reeds ondergane voorarrest, eventueel in combinatie met een voorwaardelijk strafdeel.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan viermaal diefstal door kettingen van nietsvermoedende voetgangers af te rukken. Twee van die vier incidenten heeft hij samen met een ander gepleegd. Bij alle vier de incidenten was sprake van geweld, waarbij verdachte in twee gevallen pepperspray heeft gebruikt tegen zijn slachtoffers. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een ketting zonder dat geweld. Verdachte heeft geen enkel oog gehad voor het leed en de overlast wat hij hiermee aanricht en het door deze strafbare feiten veroorzaakte gevoel van onveiligheid. De rechtbank neemt het gebruik van pepperspray om aan zijn slachtoffers weerloos te maken en zo te kunnen ontkomen in strafverzwarende zin mee bij het bepalen van de straf.

Dit zijn ernstige feiten die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere tijd rechtvaardigen. Gelet op de ernst van die feiten, is artikel 67a lid 3 Sv nog niet aan de orde.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 5 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte tweemaal eerder is veroordeeld wegens zakkenrollerij.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank zal geen toepassing geven aan het jeugdstrafrecht op basis van de door verdachte opgegeven (gewijzigde) geboortedatum noch op grond van het ASR. Er wordt uitgegaan van de gegevens van verdachte zoals bekend bij de rechtbank, waaruit volgt dat verdachte meerderjarig was ten tijde van het plegen van de feiten. Verdachte is eerder veroordeeld onder de destijds door hem opgegeven naam en geboortedatum zoals in dit vonnis staan. Verder is het zo dat uit een proces-verbaal van bevindingen van 21 november 2025 is gebleken dat bij vergelijking van zijn vingerafdrukken met de databank deze gegevens van verdachte naar voren zijn gekomen. Dat de verdachte aanvankelijk het afnemen van vingerafdrukken heeft willen frustreren door zijn vingers met blauwe inkt in te smeren is daarbij niet zonder betekenis. Nu de door de verdediging overgelegde geboorteakte niet is geverifieerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om uit te gaan van de gegevens op die akte. De rechtbank stelt tenslotte vast dat het dossier geen rapport van de reclassering bevat waarin is geadviseerd tot het toepassen van het ASR.

Strafoplegging

Alles afwegende, legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

9. Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:

- 1 bus pepperspray (goednummer: 6732329).

De officier van justitie heeft verzocht dit voorwerp te doen onttrekken aan het verkeer. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het beslag.

Nu met behulp van dit voorwerp het in zaak A en zaak B feit 2 bewezen geachte is begaan en het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

10. De vorderingen van de benadeelde partijen

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 7.000,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal – overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsman – niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat deze niet is onderbouwd.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen proceskosten dragen.

De vordering van [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert € 1.400,- aan vergoeding van materiële schade en € 1.500,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht om de vergoeding van de materiële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 1.151,-, nu dit het bedrag is dat - omgerekend op basis van de valutakoers van 8 april 2026 naar Nederlandse euro’s - op de bijgevoegde factuur staat vermeld (te weten 124.418 INR).Voor het overige materiële deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft verzocht om ten aanzien van het materiële deel aan te sluiten bij de vordering van de officier van justitie. Ten aanzien van het immateriële deel dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering, nu er geen wettelijke grondslag bestaat voor toewijzing.

Materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B, feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 1.151,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

Immateriële schade

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat hij op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding. Enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is geen geestelijk letsel als bedoeld in de wet.

Proceskosten

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 4] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.151,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juni 2025.

De vordering van [slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 3.500,- aan vergoeding van materiële schade en € 750,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van het materiële deel, omdat dit onvoldoende onderbouwd is. De vergoeding van de materiële schade dient te worden toegewezen.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard of dat de vordering moet worden afgewezen, gelet op het pleidooi tot vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van vergoeding van de immateriële schade.

Materiële schade

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu deze niet is onderbouwd.

Immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder zaak B, feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van pijnlijke en branderige ogen. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025. Voor het overige wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Proceskosten

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer 5] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 2 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 300,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2025.

De vordering van [slachtoffer 7]

De benadeelde partij [slachtoffer 7] vordert € 1.800,- aan vergoeding van materiële schade en € 4.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze ziet op het materiële deel, nu deze niet is onderbouwd. De vergoeding van de immateriële schade dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 2.500,-.

De raadsman heeft verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering of om de vordering af te wijzen, gelet op het pleidooi tot vrijspraak en omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Materiële schade

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering omdat deze niet is onderbouwd.

Immateriële schade

De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering omdat hij op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek niet in aanmerking komt voor deze vergoeding. Enkel psychisch onbehagen of zich gekwetst voelen is geen geestelijk letsel als bedoeld in de wet.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36f, 57, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van zaak B, feit 1:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van zaak B, feit 2:

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevold van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

Ten aanzien van zaak B, feit 3:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

Ten aanzien van zaak B, feit 4:

diefstal.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- 1 bus pepperspray (goednummer: 6732329).

Verklaart [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot een bedrag van € 1.151,- (zegge: elfhonderdeenenvijftig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2025 aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 4] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige ten aanzien van de materiële en de immateriële schade niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat € 1.151,- (zegge: elfhonderdeenenvijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 300,- (zegge: driehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 300,- (zegge: driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 3 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart [slachtoffer 7] niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de materiële en de immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mr. J.P.W. Helmonds en mr. J.J. Prins, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C. Klomp
  • mr. J.P.W. Helmonds
  • mr. J.J. Prins

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?