ECLI:NL:RBAMS:2026:3967

ECLI:NL:RBAMS:2026:3967

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 22-04-2026
Zaaknummer 13/200768-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 32-jarige man is veroordeeld tot 1 maand voorwaardelijke gevangenisstraf en 40 uur taakstraf. Hoewel de exacte toedracht van het ongeval op 21 juni 2025 in Amsterdam Nieuw-West onduidelijk is gebleven, staat vast dat de 32-jarige man met hoge snelheid, met een grote en zware auto, een motorscooter heeft achtervolgd en betrokken is geweest bij het ongeval. Gelet op de omvang van de auto, de kwetsbaarheid van de motorscooterrijders en de behaalde snelheden tijdens de achtervolging is het in een stedelijke omgeving, waar maximumsnelheden van 50 km/u en 30 km/u zijn toegestaan, niet verwonderlijk dat er uiteindelijk een ongeval heeft plaatsgevonden. De 32-jarige man is weggereden en hij heeft zich op geen enkel moment na het ongeval bekommerd om de slachtoffers of de hulpdiensten gealarmeerd. Zijn betrokkenheid bij het ongeval heeft hij ook niet binnen afzienbare tijd gemeld aan de politie. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat hij na het ongeval uit zijn auto is gestapt om zijn horloge te pakken, maar zich niet bekommerd heeft om de zwaargewonde slachtoffers en hen in hulpeloze toestand heeft achtergelaten, terwijl hij wist dat zij medische hulp nodig hadden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/200768-25

Datum uitspraak: 23 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,

ingeschreven in Nederland.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. S. de Bont) en van wat verdachte en zijn raadsman (mr. A.J. Admiraal) naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van de verzoeken tot schadevergoeding van de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] (niet aanwezig, maar vertegenwoordigd door zijn advocaat mr. C.J. Tiemessen) en [benadeelde partij 2] (aanwezig en bijgestaan door zijn advocaat mr. T. Çatbaş).

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 juni 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:

1. poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , door ze met een voertuig (een Ford Raptor) te achtervolgen terwijl zij zich op een scooter bevonden en tegen ze aan of op ze in te rijden, als gevolg waarvan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ten val zijn gekomen. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als een zware mishandeling;

2. het verlaten van de plaats van het ongeval, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] letsel en/of schade was toegebracht.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging omdat de vervolging onverenigbaar is met de beginselen van een goede procesorde.

De rechtbank overweegt dat het de officier van justitie (en het openbaar ministerie in het algemeen) in beginsel vrij staat voor welk feit een verdachte vervolgd wordt. Of een feit al dan niet bewijsbaar is of al dan niet strafbaar is vanwege enige straf- of schulduitsluitingsgrond doet niets af aan het opportuniteitsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie, na afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot haar vervolgingsbeslissing heeft kunnen komen.

De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in haar vervolging.

4. Waardering van het bewijs

Inleiding

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op zaterdag 21 juni 2025 omstreeks 18:22 uur heeft er een verkeersongeval plaatsgevonden op de Ookmeerweg in Amsterdam, waarbij een Ford Raptor met het kenteken [kenteken] en een motorscooter met het kenteken [kenteken] betrokken waren. Aan het verkeersongeval ging een beroving met bedreiging van een vuurwapen vooraf. De onderhavige zaak, die ziet op het voornoemde verkeersongeval tegen verdachte, kan niet los worden gezien van die beroving, waarin [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ) voor hun aandeel in die beroving door de rechtbank zijn veroordeeld. Zowel [benadeelde partij 1] als [benadeelde partij 2] hebben zich, als verkeersslachtoffers, als benadeelde partijen gesteld.

Verdachte heeft verklaard dat hij en getuige [naam getuige 1] (de rechtbank begrijpt: [naam getuige 1] ) een afspraak hadden om het Rolex-horloge van verdachte te verkopen. Deze afspraak zou door [naam getuige 1] geregeld zijn en heeft plaatsgevonden in de Ford Raptor, waar verdachte op dat moment gebruik van maakte. Verdachte heeft verklaard dat één van de twee mannen, die naar de afspraak waren gekomen, plotseling een vuurwapen trok en er vandoor ging met zijn horloge. De onderhavige zaak ziet op wat er vervolgens heeft plaatsgevonden.

Volgens verdachte zijn [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] na de overval op een motorscooter gevlucht. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zelf ontkennen de overval en verklaren dat hetgeen uiteindelijk ten laste is gelegd het gevolg was van een uit de hand gelopen verkeersconflict. Vaststaat in ieder geval dat verdachte, zoals hij heeft verklaard, met de voornoemde Ford Raptor achter [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] is aangereden en op enig moment met hen in aanraking is gekomen. Verdachte heeft verklaard dat dit niet opzettelijk is gebeurd, maar dat de motorscooter na een stuurbeweging van de bestuurder van de motorscooter onderuit ging, waarna verdachte met de Ford Raptor met de motorscooter in aanraking is gekomen. De aangetroffen motorscooter bleek zwaar beschadigd te zijn. Eén van de getuigen, [naam getuige 2] , heeft verklaard dat er twee jongens bij de scooter op de grond lagen, waarvan één met een grote voetwond. Dit bleken [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] te zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij was uitgestapt om zijn horloge te pakken, is weggereden. Zowel [benadeelde partij 2] als [benadeelde partij 1] hebben als gevolg van het ongeval aanzienlijk letsel opgelopen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 ten laste gelegde.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde, aangezien enig bewijs voor opzet ontbreekt. Wanneer dat verweer niet slaagt, meent de raadsman dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake is van een burgeraanhouding dan wel van (extensief) noodweer(exces).

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging vanwege psychische overmacht.

De verweren van de raadsman zullen waar nodig worden besproken onder 6 (de strafbaarheid van het feit) en 7 (de strafbaarheid van de dader).

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte het onder 1 primair dan wel subsidiair ten laste gelegde heeft gedaan, dient de rechtbank eerst vast te stellen wat precies de toedracht is geweest van het uiteindelijke ten val komen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] en op welke wijze verdachte in aanraking is gekomen met de motorscooter. Deze toedracht is aan de hand van het voorliggende dossier niet vast te stellen. Er is op basis van GPS-gegevens afkomstig van de Ford Raptor vastgesteld dat verdachte (en daarmee hoogstwaarschijnlijk ook [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] ) aanzienlijke snelheden hebben bereikt (met een uitschieter boven de 100 km/h). Ook is er op de plaats van het ongeval een sierstrip aangetroffen die bij de Ford Raptor hoort. Deze bevindingen zeggen echter weinig over de exacte toedracht van het ongeval. Ook de getuigenverklaringen scheppen op dit punt geen duidelijkheid. Getuigen hebben:

Van de daadwerkelijke toedracht van het ongeval zijn echter geen getuigen. Het dossier bevat geen informatie over de precieze situatie ter plaatse en wat de val van de motorscooter heeft veroorzaakt. Een zogenaamde verkeersongevallenanalyse ontbreekt. Dit alles maakt dat uit het dossier niet valt af te leiden dat verdachte met (al dan niet voorwaardelijk) opzet op of tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] is ingereden of aangereden. Dat heeft tot gevolg dat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Nu niet ook een Wegenverkeerswetfeit (artikel 6, 5 of 5a) ten laste is gelegd, kan de rechtbank geen gevolgen verbinden aan het verkeersgedrag van verdachte in aanloop naar het ongeval.

Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 1 tenlastegelegde behoeft het verweer met betrekking tot artikel 53 Wetboek van Strafvordering (de burgeraanhouding) geen nadere bespreking.

Bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit bewezen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij is weggereden nadat hij in aanraking was gekomen met de scooter waarop [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zich bevonden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van het voorgaande en de in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 2:

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Amsterdam aan de Ookmeerweg, op

21 juni 2025 de voornoemde plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist, aan anderen (te weten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ) letsel en schade was toegebracht.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. Dit brengt met zich mee dat het verweer van de raadsman dat sprake is van psychische overmacht niet slaagt.

De rechtbank stelt voorop dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen wanneer sprake is van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Daarbij geldt dat de reactie op genoemde drang dient te voldoen aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat van verdachte, gelet op het feit dat hij kort daarvoor onder bedreiging van een vuurwapen was beroofd door de slachtoffers van het ongeval, niet gevergd kon worden dat hij de slachtoffers eerste hulp zou verlenen of zijn gegevens bij de slachtoffers achter zou laten. Van verdachte had echter wel gevergd mogen worden dat hij op een voor hem veilige plek contact op zou nemen met de hulpdiensten, enerzijds om hulp in te schakelen voor de slachtoffers en anderzijds om zijn betrokkenheid bij het ongeval door te geven aan de politie. Dit heeft verdachte niet gedaan. De verklaring van verdachte dat hij erop vertrouwde dat omstanders de hulpdiensten zouden inschakelen, doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer.

8. Motivering van de straffen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke deel verzoekt de officier van justitie de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar rapport van 13 maart 2026 te verbinden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder de ernst van het feit laten meewegen.

Hoewel de exacte toedracht van het ongeval onduidelijk is gebleven, staat vast dat verdachte met hoge snelheid, met een grote en zware auto, een motorscooter heeft achtervolgd en betrokken is geweest bij het ongeval. Gelet op de omvang van de auto, de kwetsbaarheid van de motorscooterrijders en de behaalde snelheden tijdens de achtervolging is het in een stedelijke omgeving, waar maximumsnelheden van 50 km/u en 30 km/u zijn toegestaan, niet verwonderlijk dat er uiteindelijk een ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is weggereden en hij heeft zich op geen enkel moment na het ongeval bekommerd om de slachtoffers of de hulpdiensten gealarmeerd. Zijn betrokkenheid bij het ongeval heeft hij ook niet binnen afzienbare tijd gemeld aan de politie. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank mee dat verdachte na het ongeval uit zijn auto is gestapt om zijn horloge te pakken, maar zich niet bekommerd heeft om de zwaargewonde slachtoffers en hen in hulpeloze toestand heeft achtergelaten, terwijl hij wist dat zij medische hulp nodig hadden.

De rechtbank acht het niet opportuun om verdachte terug te sturen naar de gevangenis. Om de ernst van het feit te benadrukken en als stok achter de deur legt de rechtbank aan hem een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand op met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf voor de duur van 40 uren op met aftrek van voorarrest, bij niet naar behoren verricht te vervangen door 20 dagen hechtenis.

9. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 4.638,79 aan vergoeding van materiële schade (bestaande uit zorgkosten, beschadigde kleding en schoenen, ziekenhuisdaggeldvergoeding en toekomstige materiële schade) en € 64.000,- aan vergoeding van immateriële schade (deels bestaande uit toekomstige immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 1.824,- aan vergoeding van materiële schade (bestaande uit zorgkosten) en € 50.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Ook vordert de benadeelde partij € 20.000,- aan toekomstige schade. Het verzoek van de benadeelde partij is om hem in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De benadeelde partij verzoekt tot slot om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 aan hem ten laste gelegde. De schade die de benadeelde partijen stellen te hebben geleden is niet een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde feit. Dat feit behelst namelijk enkel het verwijt dat verdachte na betrokkenheid bij het ongeval de plaats van dat ongeval heeft verlaten terwijl hij wist dat aan de benadeelde partijen letsel en schade was toegebracht. De enkele betrokkenheid bij dat ongeval zegt op zichzelf niets over de aansprakelijkheid voor de daaruit voortvloeiende schade.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a en b van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Verklaart [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Verklaart [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G. Oldekamp, voorzitter,

mrs. B. van Galen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. Oldekamp

Griffier

  • mr. L.J.F. Ceelie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?