ECLI:NL:RBAMS:2026:3993

ECLI:NL:RBAMS:2026:3993

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 13-369933-24 (A) en 13-040963-25 (B)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Veroordeling voor o.a. bedreiging door met een automatisch vuurwapen schieten op een woning en voor teweeg brengen ontploffingen bij restaurant voormalig werkgever tot deels voorwaardelijke jeugddetentie met bijzondere voorwaarden, in afwachting van klinische (verslavings)behandeling zodat behandeling alvast in een ambulant kader kan beginnen. Gedurende detentie is (verslavings)behandeling niet goed mogelijk, daarom komt verdachte op de dag van de uitspraak vrij.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Team Familie & Jeugd

Parketnummers: 13-369933-24 (A) en 13-040963-25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 24 april 2026

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaken tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,

wonende op het adres [adres 1],

op dit moment gedetineerd [detentieadres] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op tegenspraak op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 april 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Wiegant en van wat verdachte en zijn raadsvrouwen mr. A.K. Bloemendal en mr. S.M. Hof, beiden advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van wat onder meer door [medewerker de Raad] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [medewerker Leger des Heils] , namens Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering (hierna: Leger des Heils), [medewerker Viittaa] , namens Viittaa, psychiater mw. P.H. Wong en door de moeder van verdachte naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

in zaak A:

1hij op of omstreeks 23 juli 2024 te Wuustwezel, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s} voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk van het leven te beroven, een of

meermalen met een (automatisch) vuurwapen op en/of door (de ramen en/of rolluiken van) een woning (gelegen aan [adres 2] , waar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen zich op dat moment bevonden, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2024 te Wuustwezel, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen een of meermalen met een (automatisch) vuurwapen op en/of door (de ramen en/of rolluiken van) een woning (gelegen aan [adres 2] , waar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen zich op dat moment bevonden, heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

( art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht }

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 23 juli 2024 te Wuustwezel, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een of meermalen met een (automatisch) vuurwapen op en/of door (de ramen en/of rolluiken van) een woning (gelegen aan [adres 2] waar die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer onbekend gebleven personen zich op dat moment bevonden te schieten;

( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )2hij op of omstreeks 23 juli 2024 te Wuustwezel, in elk geval in België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een wapen van categorie |I, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een (automatisch) vuurwapen, van het merk R9-Arms, type R9, kaliber 9x19 mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

in zaak B:

1hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam op/aan/bij een pand gelegen aan de [adres 3] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door aldaar een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) en/of een fles met (brandbare) vloeistof, op/aan/bij voornoemde woning te plaatsen en/of te ontsteken en/of tot ontploffing te brengen terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of de in dat pand aanwezige goederen en/of de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of de in die naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de voornoemd pand aanwezige perso(o)n(en) en/of de in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige perso(o)n(en) en/of passerende voetganger(s), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

2hij op of omstreeks 30 juni 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (te weten een zwaar stuk vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) en/of een hoeveelheid brandbare vloeistof), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

3hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam op/aan/bij een pand gelegen aan de [adres 4] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door aldaar een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) en/of een fles met (brandbare) vloeistof, op/aan/bij voornoemde woning te plaatsen en/of te ontsteken en/of tot ontploffing te brengen terwijl daarvan- gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en/of de in dat pand aanwezige goederen en/of de naastgelegen/omringende woningen/panden en/of de in die naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige goederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in de voornoemd pand aanwezige perso(o)n(en) en/of de in de naastgelegen/omringende woningen/panden aanwezige perso(o)n(en) en/of passerende voetganger(s), in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

( art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

4hij op of omstreeks 4 juli 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (zelfgemaakte) geïmproviseerde explosieve constructie (te weten een zwaar stuk vuurwerk (vermoedelijk een Cobra 6) en/of een hoeveelheid brandbare vloeistof), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;

( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

3. Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

De officier van justitie heeft vrijspraak van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde gevorderd. Verdachte heeft geen opzet gehad, ook niet in voorwaardelijke vorm, op het doden van of toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de mensen die in de woning aanwezig waren.

De verdediging heeft ook vrijspraak van het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde bepleit. Verdachte had niet de bedoeling de in de woning aanwezige personen te doden of hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Een aanmerkelijke kans op de dood of zwaar lichamelijk letsel kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld, waardoor ook voorwaardelijk opzet niet kan worden bewezen.

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging en op de door hen aangevoerde gronden van oordeel dat het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in zaak A:

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair ten laste gelegde:

op 23 juli 2024 te Wuustwezel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een onbekend gebleven persoon heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een automatisch vuurwapen op en door de ramen en rolluiken van een woning, gelegen aan de [adres 2] , waar die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een onbekend gebleven persoon zich op dat moment bevonden, te schieten;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 23 juli 2024 te Wuustwezel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen een wapen van categorie II onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een automatisch vuurwapen, kaliber 9mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren, voorhanden heeft gehad;

in zaak B:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

op 30 juni 2024 te Amsterdam bij een pand aan de [adres 3] opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door aldaar een zelfgemaakte geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk, een Cobra 6 en een fles met brandbare vloeistof bij voornoemd pand te plaatsen en te ontsteken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand te duchten was;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

op 30 juni 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zelfgemaakte geïmproviseerde constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk, een Cobra 6 en een hoeveelheid brandbare vloeistof, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

op 4 juli 2024 te Amsterdam bij een pand gelegen aan de [adres 4] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door aldaar een zelfgemaakte geïmproviseerde explosieve constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk, een Cobra 6 en een fles met brandbare vloeistof bij voornoemd pand te plaatsen en te ontsteken en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemd pand en de in dat pand aanwezige goederen en de omringende panden en de in die omringende panden aanwezige goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de in voornoemd pand aanwezige personen en de in omringende panden aanwezige personen en passerende voetgangers te duchten was;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

op 4 juli 2024 te Amsterdam een wapen van categorie II onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een zelfgemaakte geïmproviseerde constructie, te weten een stuk zwaar vuurwerk, een Cobra 6 en een hoeveelheid brandbare vloeistof, bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6. Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 en in zaak B onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 192 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad en Leger des Heils.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in zaak A de opdracht aangenomen op een woning te schieten. Hij kreeg naar eigen zeggen een automatisch vuurwapen overhandigd, heeft de trekker overgehaald en daardoor in één keer een volledige ronde kogels op de betreffende woning afgeschoten. Het behoeft geen nader betoog hoe gevaarlijk, angstaanjagend en bedreigend het is als op je woning wordt geschoten; de plek waar mensen zich bij uitstek veilig zouden moeten kunnen voelen. Feiten als deze veroorzaken niet alleen bij de directe slachtoffers, maar ook in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid. Dat neemt de rechtbank verdachte kwalijk.

In zaak B heeft verdachte tot twee keer toe een explosief afgestoken in de omgeving van het restaurant waar hij had gewerkt en zich slecht behandeld voelde. Explosies met geïmproviseerde explosieven veroorzaken gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Daarbij worden die gevoelens van angst soms versterkt doordat men niet weet waarom een dergelijk explosief wordt neergelegd. De verkeerde keuze van verdachte om explosieven neer te leggen vanwege een meningsverschil heeft daarbij dus veroorzaakt dat ook de eigenaar van de tabakszaak, die kennelijk helemaal niets met het meningsverschil te maken had, ook slachtoffer is geworden van het plaatsen van een explosief. Het is een gelukkige omstandigheid dat er alleen lichte materiële schade is ontstaan en dat het niet erger is afgelopen.

Vanwege de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten is jeugddetentie daarop de enige passende reactie.

De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie van 10 april 2026 waaruit blijkt dat verdachte weliswaar éénmaal door de kinderrechter en meermalen door de kantonrechter strafrechtelijk is veroordeeld, maar niet eerder voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt in strafmatigende zin mee dat verdachte heeft verklaard dat hij spijt heeft van wat hij heeft gedaan. Die verklaring komt oprecht over. Verdachte ziet in dat hij nooit had moeten doen wat hij heeft gedaan. Verder houdt de rechtbank vanwege de veroordeling van verdachte door de kantonrechter te Amsterdam op 28 mei 2025, rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft voorts onder meer kennisgenomen van de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:

De psycholoog heeft in het psychologisch onderzoek geconcludeerd dat de feiten in zaak B mede onder invloed van psychische stoornissen bij verdachte zijn gepleegd. Daarom adviseert de psycholoog die feiten verminderd aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusie en het advies van de psychloog over en zal de in zaak B bewezen verklaarde feiten verminderd aan verdachte toerekenen.

In het aanvullend onderzoek heeft de psychloog onder meer gerapporteerd dat de cocaïneverslaving van verdachte voorliggend is en dat de behandeling daarvan prioriteit moet hebben op de onderliggende problemen als trauma’s. Verdachte was op dat moment aangemeld voor ambulante behandeling bij Inforsa. De psycholoog overwoog een klinische opname te adviseren, maar de verwachting was dat dwang bij verdachte averechts zou werken.

Ten tijde van de mondelinge behandeling was verdachte gedetineerd, omdat hij op eigen verzoek en op dat van Leger des Heils is terug gemeld. Daarom heeft de rechtbank op 6 maart 2026 de schorsing van zijn voorlopige hechtenis opgeheven. Bij de mondelinge behandeling is door verdachte, de psychiater, de Raad en Leger des Heils (samengevat) naar voren gebracht dat ambulante behandeling is geprobeerd maar dat dit niet is gelukt. Verdachte is daarom inmiddels aangemeld voor klinische behandeling. Het is nu nog niet duidelijk of, en zo ja wanneer, hij bij welke kliniek terechtkan.

Het is de rechtbank op basis van de genoemde rapporten, de bij de mondelinge behandeling gegeven toelichtingen en de eerdere opheffingen van de schorsing van de voorlopige hechtenis, duidelijk dat het in een ambulant kader niet is gelukt de verslaving van verdachte (en zijn trauma’s) voldoende te behandelen. Omdat uit de gegeven adviezen en ook uit de door verdachte in zaak A gepleegde feiten is gebleken dat zijn middelengebruik een groot (zo niet het grootste) probleem is, komt de rechtbank tot het oordeel dat klinische behandeling deel moet uitmaken van de aan verdachte op te leggen bijzondere voorwaarden. Hoewel verdachte na de in deze zaken ontstane verdenkingen niet opnieuw verdachte is geworden van strafbare feiten, ziet de rechtbank een risico op het plegen van nieuwe strafbare feiten als verdachte niet wordt behandeld voor zijn middelengebruik en onderliggende trauma’s. Daarnaast is die behandeling in het belang van verdachte zelf en zijn verdere ontwikkeling. Nu verdachte zich bereid heeft verklaard zich aan de door Leger des Heils en de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden en daaraan mee te werken, zal de rechtbank de hierna te noemen bijzondere voorwaarden aan verdachte opleggen bij een voorwaardelijk strafdeel omdat zij deze in het belang van zowel verdachte als de maatschappij acht. De rechtbank zal – conform het advies van het Leger des Heils – de reclassering (voor volwassenen) van het Leger des Heils opdragen het toezicht en de begeleiding op zich te nemen, waarbij geldt dat de jeugdreclassering van Leger des Heils voor een warme overdracht moet zorgen, ook als dat inhoudt dat zij langer betrokken moeten blijven en/of verdachte moeten toe leiden naar een klinische opname.

Verdachte verblijft op dit moment in voorlopige hechtenis. Dat heeft als voordeel dat hij niet of minder goed aan verdovende middelen kan komen, waardoor zijn gebruik is teruggedrongen. Nadelig aan zijn voorlopige hechtenis is echter dat behandeling in detentie niet (goed) mogelijk is. De rechtbank zal daarom bepalen dat het onvoorwaardelijk deel van de hierna te noemen jeugddetentie gelijk is aan het ondergane voorarrest. Verdachte zal op de dag van dit vonnis vrij (moeten) komen, waarna hij in afwachting van zijn (hopelijk) aanstaande klinische opname alvast behandeling in een ambulante setting kan hervatten. In het meest ideale scenario, zou de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie opleggen die loopt tot aan de dag dat hij in een kliniek kan worden opgenomen. Omdat dat moment nu nog niet duidelijk is en omdat een langer verblijf in een justitiële jeugdinrichting in ieder geval betekent dat verdachte niet (goed) kan worden behandeld, acht de rechtbank dat niet passend. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat met periodieke urinecontroles het middelengebruik en het daarmee samenhangende recidivegevaar nauwgezet kan worden gecontroleerd.

Daarnaast houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met het tijdsverloop sinds de gepleegde feiten en de (forse) overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen (jeugd)strafzaken moeten worden afgedaan. Het is niet aan verdachte te wijten dat hij zo lang na de door hem gepleegde feiten wordt berecht.

Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de door verdachte ook in België ondergane – civiele – “detentie” in een (jeugd)gemeenschapsinstelling met gesloten oriëntatie van 26 juli tot en met 19 november 2024. Aftrek van die “detentie” is onder de geldende wetgeving niet mogelijk. Wel houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met deze in het buitenland ondergane “detentie”.

Alles afwegend, acht de rechtbank de hierna te noemen straf en bijzondere voorwaarden passend en geboden.

9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 1.500,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft bepleit dat de rechtbank gebruikt maakt van de bevoegdheid de hoogte van de schade door middel van schatting vast te stellen.

De vordering is door de verdediging betwist.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij schade heeft geleden. De vordering is onderbouwd met een omschrijving van de gevolgen, die samengevat inhouden dat de benadeelde partij de winkel enige uren heeft moeten sluiten om aangifte te kunnen doen en de winkel te kunnen schoonmaken. De rechtbank zal de vergoeding – bij het ontbreken van een met stukken gestaafde onderbouwing – daarvoor schatten op het hierna te noemen bedrag. De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 250,- (tweehonderdvijftig euro) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B onder 1 bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van totaal € 250,- (tweehonderdvijftig euro) voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde golden, dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het in zaak A onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 meer subsidiair en 2 en het in zaak B onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A:

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezen verklaarde:

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie;

in zaak B:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van het onder 2 en 4 bewezen verklaarde:

handelen in strijd met artikel 26 lid 1 van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht (173 dagen tot en met de dag van deze uitspraak), bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 192 (honderdtweeënnegentig) dagen, van deze jeugddetentie niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt de proeftijd vast op 2 (twee) jaren onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Van rechtswege gelden tevens de voorwaarden dat veroordeelde:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.

Geeft opdracht aan Leger des Heils Reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, met dien verstande dat de rechtbank Leger des Heils Jeugdbescherming en reclassering opdraagt het toezicht warm over te dragen aan de (volwassen) reclassering van Leger des Heils, ook als dat langere betrokkenheid en/of toe leiden naar klinische opname inhoudt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (30 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] , te betalen de som van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (30 juni 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.E. Has, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en J.J. Prins, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Veldman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H.P.E. Has

Griffier

  • mr. G. Veldman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?