RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/143821-25
Datum uitspraak: 17 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 2004 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. D. Alsemgeest, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Yüksel, naar voren hebben gebracht.
2. Beschuldiging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in de periode van 1 april 2025 tot en met 10 mei 2025 in Amsterdam, althans in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
Gelet op de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde heeft de officier van justitie gerekwireerd tot een bewezenverklaring, met partiële vrijspraak voor een deel van de ten laste gelegde periode. De officier van justitie acht de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025 bewezen.
Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie tot bewezenverklaring gerekwireerd voor de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025. Er is sprake van een voltooide dwang, omdat aangeefster zich genoodzaakt voelde te reageren en haar locatiegegevens te delen, vanwege de inhoud van de berichten die verdachte aan aangeefster en haar familie en vrienden heeft gestuurd.
Daarnaast acht de officier van justitie het onder 1 tenlastegelegde ook bewezen voor de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025. De verdachte heeft aangeefster en haar familie en vrienden gedurende deze periode via verschillende accounts stelselmatig berichten gestuurd en is rond haar woning geweest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van stelselmatigheid. Subsidiair heeft de raadsvrouw partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de ten laste gelegde periode en het zich ophouden rond de woning.
Ten aanzien van feiten 2 en 3 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van een deel van de ten laste gelegde periode.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten. De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.
Feit 2 - Bedreiging
Verdachte heeft bekend dat hij degene is geweest die de berichten zoals opgenomen in de tenlastelegging naar aangeefster en een vriendin van haar heeft gestuurd. De rechtbank stelt op basis van de inhoud van de berichten vast dat deze berichten van zodanige aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gestuurd dat bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte daad bij het woord zou voegen. Uit de verklaringen van aangeefster blijkt dat zij inderdaad bang is geweest dat verdachte haar iets aan zou doen.
Ten aanzien van de tenlastegelegde periode zal de rechtbank partieel vrijspreken. Het bericht “Als zij niet in 1 min op mij reageert zet ik een granaat in dr brievenbus” is op 18 april 2025 naar een vriendin van aangeefster gestuurd. De andere bedreigingen zijn daarna, doch voor de aanhouding van verdachte op 10 mei 2025, door verdachte gestuurd.
Feit 1 - Belaging
Verdachte heeft ontkend dat hij zich rond de woning van aangeefster heeft opgehouden. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar een foto heeft gestuurd waaruit blijkt dat hij in haar straat was. Zij heeft vanuit haar huis de auto gezien waarin verdachte dezelfde dag in de buurt van de woning van aangeefster is aangehouden. Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat zij die dag bij aangeefster thuis was en dat zij, kijkend uit het raam, de persoon in de auto heeft herkend als verdachte. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat verdachte zich rond de woning van aangeefster heeft opgehouden.
Aangeefster heeft verklaard dat zij wekenlang continu berichten van verdachte kreeg. Zij heeft geprobeerd het contact te verbreken door verdachte te blokkeren. Dat is niet gelukt, omdat verdachte meermaals nieuwe accounts heeft aangemaakt. Wanneer aangeefster niet (op tijd) reageerde, stuurde hij berichten naar familie en vrienden van aangeefster. Volgens verdachte was het contact wederzijds. Uit de inhoud en de intensiteit van de berichten en het feit dat hij, wanneer aangeefster niet (op tijd) reageerde, personen in de omgeving van aangeefster berichten stuurde en nieuwe accounts aanmaakte toen aangeefster hem blokkeerde, leidt de rechtbank echter af dat sprake is van een wederrechtelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Uit de strekking van de berichten blijkt dat verdachte het oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen. Het was immers de bedoeling dat aangeefster op zijn berichten moest reageren, dat zij het ontvangen van zijn berichten moest onder ondergaan en dat haar, gelet op de bedreigende strekking van sommige berichten, vrees werd aangejaagd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de hoeveelheid berichten, het zich rond de woning van aangeefster ophouden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat er sprake is geweest van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer.
Ten aanzien van de ten laste gelegde periode zal de rechtbank partieel vrijspreken. De rechtbank stelt vast dat op de dag van de eerste bewijsbare bedreiging in ieder geval sprake is geweest van een wederrechtelijke inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. De bewijsbare periode is van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025.
Feit 3 - Dwang
De verdachte heeft ontkend dat hij opzettelijk aangeefster heeft gedwongen. De rechtbank leidt echter uit de inhoud van de door verdachte gestuurde berichten af dat verdachte wel degelijk opzet heeft gehad op dwang. In de berichten is bijvoorbeeld te lezen dat aangeefster onmiddellijk moet reageren, omdat hij anders haar naaktfoto’s zou lekken en dat zij twee tellen heeft om haar locatie aan te doen, omdat hij anders naar haar huis rijdt. Aangeefster heeft naar aanleiding van de berichten van verdachte ook daadwerkelijk op zijn berichten gereageerd en haar locatiegegevens gedeeld, waardoor sprake is van een voltooide dwang.
Ook ten aanzien van de ten laste gelegde periode van dit feit zal de rechtbank partieel vrijspreken. De bewijsbare periode voor dwang is van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025.
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door meermalen- via meerdere accounts die [benadeelde partij] berichten te sturen en- via meerdere accounts een familielid en een vriendin en een collega van die [benadeelde partij] berichten te sturen en- zonder redelijk doel zich rond de woning van die [benadeelde partij] op te houdenmet het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen;
Ten aanzien van feit 2:
in de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025 in Nederland, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [benadeelde partij] dreigend de woorden toe te voegen:- “Ik ga jou doodmaken” en- “Je weet als je iets flikt, dat [adres 2] , broednest wordt van politie en brandweer” en- “Ik ga je kanker moeder doodmaken. Ik ga jullie leven zuur maken” en- “Ik pleeg een aanslag op de huis, als je nu niet reageert” en- “Als zij niet in 1 min op mij reageert zet ik een granaat in dr brievenbus”althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;
Ten aanzien van feit 3:
in de periode van 18 april 2025 tot en met 10 mei 2025 in Nederland een ander, te weten [benadeelde partij] , door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en een familielid en een vriendin en een collega van die [benadeelde partij] , wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, te weten- het reageren op berichten en- het sturen van locatiegegevensdoor- veelvuldig die [benadeelde partij] en een familielid en een vriendin en een collega te berichten en- zonder redelijk doel zich rond de woning van die [benadeelde partij] op te houden en- te dreigen seksueel getint beeldmateriaal van die [benadeelde partij] naar familieleden en haar school, althans naar derden, te sturen.
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 78 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Daarnaast eist de officier van justitie een taakstraf van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.
De officier van justitie vordert voorts oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod met [benadeelde partij] en een gebiedsverbod voor de stad Amsterdam voor een periode van 2 jaren, met een vervangende hechtenis van 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie vordert dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, dan wel een gevangenisstraf die niet langer is dan het voorarrest. Daarnaast verzoekt de raadsvrouw om geen vrijheidsbeperkende maatregel met contactverbod en locatieverbod voor de stad Amsterdam op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging, bedreiging en dwang gedurende een periode van ongeveer drie weken. Hierbij heeft hij aangeefster, haar familie en vrienden meermaals berichten gestuurd. Deze berichten waren van zeer dwingende en bedreigende aard. Pogingen van aangeefster om het contact te verbreken heeft hij genegeerd. Daarnaast is hij naar de woning van aangeefster gereden en heeft hij gedreigd seksueel beeldmateriaal van haar door te sturen naar personen in haar omgeving wanneer zij niet deed wat hij wilde. Door zo te handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het leven van aangeefster. Zijn handelen heeft niet alleen grote impact gehad op het leven van aangeefster, zoals blijkt uit haar verklaringen, maar het handelen van verdachte heeft ook impact gehad op het leven van haar familie en vrienden. De rechtbank rekent verdachte ook aan dat hij geen inzicht geeft in zijn beweegredenen en geen volledige verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen.
Persoon van de verdachte
Over verdachte is op 25 augustus 2024 een psychologische rapportage opgemaakt door V. Terra, GZ-psycholoog. Daaruit blijkt dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor een psychische stoornis, ook niet ten tijde van het tenlastegelegde. Wel maakt de psycholoog melding van een afwerende houding, waardoor het maar beperkt is gelukt om verdieping in de gesprekken te krijgen. Hierdoor ontstaat geen goed beeld van hoe het daadwerkelijk met verdachte gaat. De risico’s op recidive voor stalking hangen bij verdachte met name samen met zijn gebrek aan probleeminzicht, neiging tot externaliseren en neiging tot overcontroleren van emoties. Op het moment dat hij zich vernederd voelt, heeft hij onvoldoende vaardigheden hier adequaat mee om te gaan. Ondanks dat het niet voorkomt uit pathologie, zou het helpend kunnen zijn hier bij een eventueel reclasseringstoezicht aandacht voor te hebben om de kans voor recidive voor stalking in de toekomst te doen verlagen.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 19 maart 2026. Verdachte is tijdens het schorsingstoezicht begonnen met een behandeling bij de Forensische Poli van de GGZ. De behandelaar van de GGZ vindt het wenselijk om de behandeling van verdachte voort te zetten. De reclassering heeft geadviseerd om bij een veroordeling een deels voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden. De rechtbank ziet in voornoemd reclasseringsadvies aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen.
De op te leggen straffen
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een taakstraf van 200 uur opleggen, te vervangen door 100 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. De rechtbank waardeert een in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Aan de proeftijd worden de bijzondere voorwaarden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd, een meldplicht bij de reclassering en ambulante behandeling.
Mede gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport is rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank weegt hierbij mee dat de behandeling van verdachte nog niet is afgerond en uit voornoemd reclasseringsrapport blijkt dat bij verdachte sprake is van een gebrek aan probleeminzicht en een neiging tot het overcontroleren van emoties. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
De op te leggen maatregel
De officier van justitie heeft een contact- en locatieverbod gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding voor de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het doel van deze maatregel is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden in de stad Amsterdam en op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] .
Iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt wordt een vervangende hechtenis van 7 dagen toegepast, tot een maximum van zes maanden.
Uit het hiervoor overwogene volgt dat er ernstig rekening mee te worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of dat hij zich opnieuw belastend zal gedragen jegens personen. De rechtbank zal dan ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen.
8. Beslag
Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025114205-G6654776, Google)
Verbeurdverklaring
Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.
9. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 6.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. De immateriële schade bestaat uit psychische gevolgen.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen, nu er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar persoonlijke levenssfeer en verdachte het oogmerk had angst toe te brengen. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, gelet op het feit dat het een relatief korte periode betreft en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 3.000,-. Voor het overige wordt de vordering afgewezen.
De rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij [benadeelde partij] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 38v, 38w, 57, 284, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
belaging
Ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Ten aanzien van feit 3:
een ander door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid gericht tegen die ander en derden wederrechtelijk dwingen iets te doen
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 (zestig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte, groot 60 (zestig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat:
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.
Beslag
Verklaart verbeurd:
1. STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025114205-G6654776, Google).
Vordering benadeelde partij
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] deels toe tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 18 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3.000,- (drieduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade d.d. 18 april 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorlopige hechtenis
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mrs. I. Timmermans en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2026.
[…]
[…] […] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […] […]
[…] […] […] […] […] […] […] […] […]