ECLI:NL:RBAMS:2026:3997

ECLI:NL:RBAMS:2026:3997

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 13-350286-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Huiselijk geweld. Vrijspraak voor mishandeling en belaging (subsidiair dwang) over een periode van jaren, vanwege onvoldoende steunbewijs. Voordeling voor bedreiging.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Team Strafrecht

Parketnummer: 13/350286-25

Datum uitspraak: 17 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren [geboortedag 1] 1986 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A.I. Witlox, naar voren hebben gebracht.

2. Beschuldiging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte heeft de officier van justitie ten aanzien van feit 1 gerekwireerd tot een bewezenverklaring.

Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de zus en moeder van aangeefster voldoende steun geven voor de verklaring van aangeefster, waardoor de mishandeling bewezen kan worden.

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 3 ook gerekwireerd tot een bewezenverklaring. De aangifte wordt ook op dit punt ondersteund door de verklaringen van de zus en moeder van aangeefster, en daarnaast door de verklaring van de broer van aangeefster, de bekennende verklaring van verdachte ten aanzien van de bedreiging en de bankafschriften.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde stelt de raadsman zich op het standpunt dat verdachte geen opzet heeft gehad om bij aangeefster vrees op te wekken en dat bij aangeefster gezien de omstandigheden geen redelijke vrees kon ontstaan.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen, omdat de verklaringen van aangeefster niet betrouwbaar zijn. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van aangeefster onvoldoende concreet zijn en er onvoldoende steunbewijs is. Ten aanzien van de onder 3 primair ten laste gelegde belaging heeft de raadsman opgemerkt dat er geen sprake is van een stelselmatige in inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde dwang dat de wederrechtelijkheid ontbreekt.

Daarnaast stelt de raadsman zich op het standpunt dat het proces-verbaal met nummer PL1300-2025297453-41 van [naam] wegens strijd met de onschuldpresumptie en artikel 6 van het EVRM dient te worden uitgesloten van het bewijs.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2 (mishandeling) en feit 3 primair (belaging) en subsidiair (dwang)

Ten aanzien van hetgeen onder 2 en 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd overweegt de rechtbank als volgt.

Aangeefster heeft bij het doen van aangifte en later aanvullend bij de politie uitgebreide verklaringen afgelegd. Zij heeft daarin verteld over de jarenlange relatie die zij met verdachte heeft gehad. Zij heeft verklaard dat zij kort na het begin van haar relatie met verdachte voor het eerst door hem is mishandeld, dat de mishandelingen steeds heftiger werden en dat verdachte haar steeds vaker sloeg. Ook heeft zij verklaard dat verdachte haar bedreigde en dat hij haar dwong om dingen te doen die zij niet wilde, zoals verdovende middelen de kliniek of gevangenis in te smokkelen, het plaatsen van camera’s in haar woning, trouwen, het plaatsen van een tatoeage met de naam van verdachte en het overmaken van geld. Zij moest hem ook vaak bezoeken of hij kwam langs zonder dat zij dat wilde en zij moest hem verplicht bellen op bepaalde tijdstippen. Zij verklaarde enorm angstig voor verdachte te zijn.

Verdachte ontkent de beschuldigingen. Hij zegt dat hij aangeefster tijdens hun relatie nooit heeft mishandeld en dat zij nergens toe is gedwongen.

De rechtbank stelt vast dat er bij de gebeurtenissen waar aangeefster over heeft verklaard vaak geen andere personen aanwezig zijn geweest. De kinderen van aangeefster zouden soms getuige zijn geweest, maar zij zijn in de strafzaak niet gehoord. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een bewezenverklaring niet alleen worden gebaseerd op de verklaringen van de aangeefster. De rechtbank moet daarom beoordelen of het dossier voldoende steunbewijs bevat voor haar verklaringen.

Het dossier bevat verklaringen van de moeder, de zus en de broer van verdachte. Zij hebben zelf geen mishandelingen waargenomen. Hoewel de moeder en zus van aangeefster verklaard hebben blauwe plekken of verwondingen bij aangeefster te hebben gezien, is de rechtbank van oordeel deze waarnemingen onvoldoende concreet zijn beschreven om als steunbewijs te kunnen dienen. Hun verklaringen over blauwe plekken en verwondingen kunnen niet gekoppeld worden of herleid worden tot momenten die aangeefster in haar verklaring noemt. Bovendien heeft de aangeefster destijds tegenover de getuigen verklaard dat haar verwondingen door andere omstandigheden, dan de ten laste gelegde mishandelingen, zijn veroorzaakt. Verder heeft de moeder van aangeefster verklaard dat aangeefster voortdurend door verdachte werd gebeld en dat zij camera’s heeft gezien in hun woning. De broer van aangeefster heeft deze camera’s ook gezien. De zus van aangeefster heeft ook verklaard dat verdachte vaak belde, dat hij alles bepaalde en dat aangeefster om de week naar de kliniek moest komen en onder dwang spullen mee moest nemen. De rechtbank acht dit onvoldoende om als steunbewijs te dienen voor een bewezenverklaring van belaging of dwang zoals ten laste is gelegd. De verklaringen zijn daarvoor te algemeen. Daarbij komt dat een deel van de verklaringen van de getuigen betrekking heeft op wat zij van aangeefster zelf hebben gehoord.

De conclusie is dan ook dat de verklaringen van de getuigen te kort en algemeen zijn om de strafrechtelijke lat van voldoende steunbewijs te kunnen halen. Ook het feit dat verdachte heeft bekend dat hij aangeefster een keer heeft bedreigd, is onvoldoende om jarenlange belaging of dwang te bewijzen. Dan blijft over dat het dossier bankafschriften bevat waarop te zien is dat aangeefster geld naar verdachte heeft overgemaakt dat bedoeld was voor meubels. Het enkele feit dat er geld is overgemaakt, biedt ook onvoldoende steun om te kunnen bewijzen dat dit onder dwang is gebeurd. Het dossier bevat dan ook onvoldoende materiaal dat de aangifte ondersteunt. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken voor mishandeling, belaging en dwang, wegens een gebrek aan wettig bewijs.

Feit 1 (bedreiging)

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage II bij dit vonnis, wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij de woorden zoals ten laste gelegd heeft gezegd. De rechtbank is van oordeel dat deze woorden van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij aangeefster redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook zou worden gepleegd. Dat aangeefster nooit bang voor hem geweest is, zoals verdachte heeft verklaard, is daarbij niet van belang. Bij bedreiging moet sprake zijn van een geobjectiveerde vrees en de rechtbank is van oordeel dat de door verdachte gebruikte bewoordingen tot deze redelijke vrees kunnen leiden.

De rechtbank gebruikt het proces-verbaal met PL1300-2025297453-41 van [naam] niet als bewijsmiddel en komt derhalve niet toe aan een beoordeling van strijd met de onschuldpresumptie, dan wel met artikel 6 van het EVRM.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 22 augustus 2024 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] de woorden toe te voegen: “Die pakkies wat jij gaat krijgen, gaan zo heftig zijn. Ik sla jou zo lang panja. Maar je gaat klappen krijgen begrijp je dat? En daarna haal ik jouw baarmoeder met mijn handen weg”.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1, 2 en 3 primair bewezen geachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie vordert voorts oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, te weten een contactverbod met aangeefster en een gebiedsverbod voor de woning van aangeefster voor een periode van 5 jaren, met een vervangende hechtenis van 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan met een maximum van 6 maanden. De officier van justitie vordert dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd, maar stelt zich wel op het standpunt dat een vrijheidsbeperkende maatregel met contactverbod en locatieverbod in dit geval niet passend en geboden is.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een bedreiging van zijn (toenmalige) partner. Het is een hele nare bedreiging geweest die gevoelens van angst bij aangeefster heeft veroorzaakt, zoals zij omschrijft.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de Landelijke Oriëntatiepunten voor Strafoplegging die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor een bedreiging gepleegd door een first offender is een geldboete van € 350,-. In strafverzwarende zin weegt mee dat de bedreiging is gepleegd tegen zijn partner, waardoor sprake is van huiselijk geweld. Naar het oordeel van de rechtbank is een geldboete in geval van huiselijk geweld geen passende straf.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 26 februari 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Ook dit is strafverzwarend.

Uit een rapport van [de kliniek] met betrekking tot de verlenging van de tbs-maatregel die verdachte bij een eerdere veroordeling opgelegd heeft gekregen volgt dat verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken heeft, die voldoet aan de criteria van psychopathie.

De rechtbank zal bij de straftoemeting af wijken van de strafeis van de officier van justitie, nu de rechtbank de tenlastegelegde mishandeling en belaging niet bewezen acht. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van 14 dagen opleggen, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft een contact- en locatieverbod gevorderd. De rechtbank ziet aanleiding voor de oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. Het doel van deze maatregel is beveiliging van de maatschappij en voorkoming van strafbare feiten. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde voor de duur van 2 jaren zich niet zal ophouden rond de woning van aangeefster aan de [adres] in [plaats] en in het deel van de [straat 1] tussen de kruising van de [straat 1] en [straat 2] en de kruising van de [straat 1] en [straat 3] en op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster.

Iedere keer dat verdachte de maatregel overtreedt wordt een vervangende hechtenis van 7 dagen toegepast, tot een maximum van zes maanden.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of dat hij zich opnieuw belastend zal gedragen jegens personen. De rechtbank zal dan ook de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen.

8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 3.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde.

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen 38v, 38w en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 en 3 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 (zeven) dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. I. Timmermans en A.R. Vlierhuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2026.

[…]

[…] […]

[…] […] […] […] […]

[…] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […]

[…] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […] […]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. R.A. Overbosch

Griffier

  • mr. T. Brouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand