beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/783158 / FA RK 26/1126
kenmerk: ZM/IND/191344
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 3 april 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. R.M.G. Sussenbach te Amsterdam,
zorgaanbieder: GGZ inGeest.
1. Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 10 februari 2026.
Op 2 maart 2026 heeft de eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden in de kliniek [locatie 1] , echter was betrokkene niet aanwezig. Het verzoek is aangehouden.
Op 24 maart 2026 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden op de rechtbank. Betrokkene was wederom niet aanwezig. Het verzoek is aangehouden en de volgende mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [locatie 2] .
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 3 april 2026 in het gebouw van zorgaanbieder, op de locatie [locatie 3] .
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- de raadsman;
- dhr. [persoon 1] , psychiater.
Bij aanvang van de zitting bleek dat betrokkene niet aanwezig was.
Uit artikel 6:1, eerste lid, Wvggz volgt dat de rechter de betrokkene hoort na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging, tenzij de rechter vaststelt dat betrokkene daartoe niet in staat of bereid is. De rechtbank constateert dat betrokkene deugdelijk is opgeroepen, zowel voor de rechtbankzitting van 24 maart 2026 als voor de zitting van 3 april 2026.
Op 17 maart 2026 is per aangetekende post een oproep voor de zitting van 24 maart 2026 aan betrokkene verzonden. De bezorging is niet gelukt en betrokkene heeft de brief niet opgehaald bij het PostNL punt. Vervolgens is op 27 maart 2026 per aangetekende post een oproep voor de zitting van 3 april 2026 aan betrokkene verzonden.
De rechtbank constateert dat betrokkene via de casemanager mw. [persoon 2] wel op de hoogte was van de zitting van 3 april. De casemanager heeft op dinsdag 30 maart contact gehad met betrokkene en de afspraak doorgegeven en op 1 april is er nog telefonisch contact geweest met betrokkene.
De advocaat van betrokkene heeft verklaard dat hij na de rechtbank zitting bij betrokkene aan de deur is geweest, maar dat betrokkene zich overvallen voelde, ze zou zelf naar zijn kantoor komen. De advocaat heeft daarna geprobeerd een afspraak te maken en heeft gebeld en geappt maar geen contact meer gekregen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat betrokkene nu meermaals in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, maar dat zij niet bereid is zich te doen horen. De rechtbank heeft daarop besloten om de mondeling behandeling in afwezigheid van betrokkene voort te zetten.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.
2. Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een bipolaire-I-stoornis en stoornis in cannabisgebruik.
Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in: ernstige psychische schade, ernstige materiële schade, maatschappelijke teloorgang en de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.
Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Om die reden is verplichte zorg nodig. Van de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur, alsmede gelet op hetgeen bij de mondelinge behandeling naar voren is gekomen acht de rechtbank de volgende vormen van verplichte zorg noodzakelijk voor de duur van zes maanden:
toedienen van medicatie;
het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;
beperken van de bewegingsvrijheid (telkens voor maximaal drie maanden);
insluiten (telkens voor maximaal één week);
uitoefenen van toezicht op betrokkene (telkens voor maximaal één week);
onderzoek aan kleding of lichaam (telkens voor maximaal drie maanden);
onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen (telkens voor maximaal drie maanden);
controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen (telkens voor maximaal drie maanden);
aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen en het nakomen van afspraken met het ambulant behandelteam;
opnemen in een accommodatie (telkens voor maximaal drie maanden).
De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
De raadsman heeft aangegeven betrokkene al langere tijd te kennen en meestal wel contact te krijgen. Er is geprobeerd een referteverklaring te tekenen, maar dat is niet gelukt. De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft aan de rechtbank verzocht een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden. De behandeling van de zorgmachtiging moet uiterlijk binnen 3 weken na indiening van het verzoek bij de rechtbank plaats vinden op grond van art. 6:2 lid 1 sub e Wvggz. Het verzoek is ingediend op 10 februari 2026, de mondelinge behandeling van het verzoek zou uiterlijk op 3 maart plaats moeten vinden. De rechtbank zal de zorgmachtiging verlenen voor de duur van zes maanden omdat niet wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde dat het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een zorgmachtiging nu de behandeltermijn is overschreden.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] , inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.4 genoemde maatregelen kunnen worden getroffen;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 3 oktober 2026.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is op 3 april 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. A.M.F. Huigen, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 14 april 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.