ECLI:NL:RBAMS:2026:4098

ECLI:NL:RBAMS:2026:4098

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 13-264908-25
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Na tussenuitspraak. Artikel 12 OLW. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. De rechtbank kan niet vaststellen dat het de opgeëiste persoon kan worden tegengeworpen dat hij de oproepingen voor de zittingen in de hoger beroepsprocedure niet heeft ontvangen en dat hij geen contact met de advocaat heeft gehouden en daardoor niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Overlevering geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-264908-25

Datum uitspraak: 23 april 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 28 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2025 door the Regional Court in Konin, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

Zitting van 26 maart 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen onder gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

Tussenuitspraak van 9 april 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank in het kader van artikel 12 OLW geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Zitting van 16 april 2026

Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman,

mr. R. Zilver, waarnemend voor mr. D.S. Altena, beiden advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Tussenuitspraak van 9 april 2026

In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 5) en artikel 11 OLW voor wat betreft artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (onder 6). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van 9 april 2026. Die overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

In de tussenuitspraak van 9 april 2026 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was dat namens hem hoger beroep is ingesteld, dan wel dat hij hiervan op de hoogte had moeten zijn. De rechtbank heeft daarom vragen geformuleerd om aan de hand daarvan te beoordelen of de opgeëiste persoon kan worden tegengeworpen dat hij de oproepingen voor de zittingen niet heeft ontvangen en dat hij geen contact met de advocaat heeft gehouden en daardoor niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep.

Het Internationaal Rechtshulp Centrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft vervolgens op 9 april 2026 de door de rechtbank in de tussenuitspraak geformuleerde vragen voorgelegd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Bij brief van 13 april 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit het volgende medegedeeld:

In response to your letter dated 9th April 2026, our case ref.: II K 38/13, the wanted person - [opgeëiste persoon] - was advised of the consequences of changing his address on 25th June 2012, and personally signed the instructions at that time. The instructions applied to the entire criminal proceedings, including the appeal. The accused received this instructions again before the first hearing date on 25th February 2014, along with a copy of the indictment; at that time he was still under remand. The accused did not inform the Polish authorities of the change of his address. During the proceedings before the court of first instance, the accused was aware of the appeal hearing, as on 12th April 2024, he wrote a letter to the Court of Appeal in Poznań regarding his evasion of police supervision. At that time, he stated that he lived in the Netherlands and provided an address in the Netherlands, but also provided an address in Poland, different from the one stated in the indictment. He did not provide his telephone number. The second-instance judgment was not issued until October 2024, so the accused had ample time to review the case files.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich opnieuw op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft op 25 juni 2012 en

25 februari 2014 een adresinstructie gekregen, terwijl de procedure in hoger beroep pas in 2024 heeft plaatsgevonden. Het tijdsverloop tussen de adresinstructies en de procedure in hoger beroep is zodanig lang, dat de opgeëiste persoon er geen rekening meer mee had hoeven houden dat hij na tien jaar nog een adreswijziging moest doorgeven. De uitvaardigende justitiële autoriteit legt bovendien niet uit waar voor de opgeëiste persoon uit blijkt dat de adresinstructies voor de gehele procedure golden. Voorts bevestigt de aanvullende informatie van 13 april 2026 de verklaring van de opgeëiste persoon dat hij een adres in Nederland heeft opgegeven. De Poolse autoriteiten hebben nagelaten om hem, al dan niet op het opgegeven adres in Nederland, op te roepen voor de procedure in hoger beroep. Daarbij komt dat de brief van de opgeëiste persoon aan the Court of Appeal in Poznań van 12 april 2024 geen betrekking heeft op de procedure in hoger beroep van 15 oktober 2024, maar op een verzoek tot het opheffen van het politietoezicht. De opgeëiste persoon kan dan ook geen verwijt worden gemaakt, nu uit de aanvullende informatie niet blijkt dat hij op de hoogte kon of moest zijn van de procedure in hoger beroep.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon op 25 juni 2012 en 25 februari 2014 adresinstructies heeft gekregen, die ook golden voor de procedure in hoger beroep. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgegaan van de juistheid van deze informatie. Het tijdsverloop maakt niet dat de gegeven adresinstructies niet kloppen. De opgeëiste persoon heeft een adreswijziging doorgegeven. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon op 12 april 2024 een brief die ziet op de procedure in hoger beroep gestuurd naar the Court of Appeal in Poznań. De opgeëiste persoon was dan ook op de hoogte van de procedure in hoger beroep.

Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat aanvullende vragen moeten worden gesteld aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de adressen waarop de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank ziet in het licht van de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 april 2026 geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 volgt dat de opgeëiste persoon op 25 juni 2012 en 25 februari 2014 adresinstructies heeft ontvangen, en dat deze adresinstructies golden voor de gehele procedure, inclusief de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Poznań van 15 oktober 2024, met kenmerk II AKa 88/21. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft echter geen antwoord gegeven op de vraag hoe het voor de opgeëiste persoon kenbaar was dat de adresinstructies golden voor de gehele procedure, terwijl dit in de tussenuitspraak van 9 april 2026 wel expliciet is gevraagd. Uit de ontvangen aanvullende informatie blijkt immers niet dat dit in de adresinstructies die de opgeëiste persoon heeft ontvangen was opgenomen dan wel op enigerlei andere wijze voor de opgeëiste persoon kenbaar was.

De rechtbank acht verder van belang dat in de aanvullende informatie van 13 april 2026 is vermeld dat de opgeëiste persoon in zijn brief van 12 april 2024 aan de the Court of Appeal in Poznań een adres in Nederland en een adres in Polen heeft opgegeven en dat het adres in Polen verschilde van het adres in het de aanklacht. Uit deze informatie blijkt echter niet of de oproeping voor de zitting in hoger beroep naar een van deze nieuwe adressen is gestuurd of naar het oude adres dat de opgeëiste persoon bij zijn verhoor op 25 juni 2012 had opgegeven. De rechtbank kan daardoor niet vaststellen of de opgeëiste persoon onzorgvuldigheid kan worden verweten met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

De opgeëiste persoon heeft voorts ter zitting verklaard dat voormelde brief van 12 april 2024 zag op het opheffen van het politietoezicht, nadat eerder door the Regional Court in Konin alleen het opgelegde uitreisverbod was opgeheven. Deze verklaring komt overeen met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 13 april 2026. Daarin is immers vermeld dat de brief van 12 april 2024 betrekking heeft op ‘his evasion of police supervision’. Op grond van die aanvullende informatie kan niet zonder meer worden vastgesteld dat de brief van 12 april 2024 (ook) zag op het lopende hoger beroep tegen het vonnis van the Regional Court in Konin van 28 oktober 2021 met kenmerk II K 38/13. Die aanvullende informatie is daarom voor de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep die heeft geleid tot het arrest van the Court of Appeal in Poznań van 15 oktober 2024.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat het de opgeëiste persoon kan worden tegengeworpen dat hij de oproepingen voor de zittingen in de hoger beroepsprocedure niet heeft ontvangen en dat hij geen contact met de advocaat heeft gehouden en daardoor niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De tot nu verstrekte informatie is onvoldoende voor de conclusie dat de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om in persoon aanwezig te zijn, dan wel om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Hierdoor kan de rechtbank niet vaststellen dat overlevering geen schending van zijn verdedigingsrechten inhoudt, zodat zij de overlevering zal weigeren op grond van artikel 12 OLW. Nu de beslistermijn op 25 april 2026 afloopt en al expliciet om de ontbrekende informatie is gevraagd, ziet de rechtbank geen ruimte meer voor het stellen van nadere vragen hierover aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

5. Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

6. Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

7. Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Konin (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer voorzitter,

mrs. E.M. de Bie en W.A.J.P. van den Reek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C.M. Hamer

Griffier

  • mr. G. Riedijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?