ECLI:NL:RBAMS:2026:4099

ECLI:NL:RBAMS:2026:4099

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 24-04-2026
Datum publicatie 23-04-2026
Zaaknummer 13/398225-24 (promis)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 20-jarige man is veroordeeld tot 5 jaar gevangenisstraf omdat hij van 5 tot 6 augustus 2024 in Den Haag en Amsterdam samen met een ander een man van zijn vrijheid beroofde waarbij zij zeer ernstig geweld toepasten. Hij is ook veroordeeld voor bezit van wapens en munitie, die in zijn slaapkamer werden aangetroffen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/398225-24 (promis)

Datum uitspraak: 24 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] ,

[woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam PI] ,

(hierna: verdachte).

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 oktober 2025, 15 januari 2026 en 10 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Lobregt, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.H. Aalmoes, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1.

Primair

het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] op 5 en 6 augustus 2024 in Den Haag/Amsterdam, in ieder geval in Nederland;

subsidiair is dit tenlastegelegd als het medeplegen van poging tot zware mishandeling.

2.

het voorhanden hebben van een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Glock, op 3 februari 2025 in Amsterdam;

3.

het voorhanden hebben van munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie op 3 februari 2025 in Amsterdam;

4.

het voorhanden hebben van een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een Walther PPK pistool, op 3 februari 2025 in Amsterdam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Procesgang

De rechtbank heeft op 31 oktober 2025 een tussenvonnis gewezen in deze zaak. Na sluiting van het onderzoek op de zitting van 17 oktober 2025 is de rechtbank tijdens de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het dossier onvolledig was en heeft daartoe het volgende overwogen.

In een ander onderzoek is een Samsung-telefoon aangetroffen waarop videobeelden zijn

gevonden waarop te zien is dat een slachtoffer wordt vastgehouden en er ernstig geweld

tegen hem wordt gebruikt. In één van de video’s van deze wederrechtelijke vrijheidsberoving is kort het gezicht van een persoon in beeld. In de betreffende video is te zien dat deze persoon naast het slachtoffer op een bank zit en een vuurwapen op hem gericht houdt en tegen hem aandrukt. Aan het einde van de video is te zien dat deze persoon in elke hand een vuurwapen houdt en met deze vuurwapens boven op het hoofd van het slachtoffer slaat.

In een proces-verbaal van bevindingen van 10 december 2024 van verbalisant met nummer T-913 staat geverbaliseerd dat hij de persoon in de betreffende video herkent als verdachte.

De officier van justitie stelde zich op basis van die herkenning op het standpunt dat degene

die op de videobeelden van de Samsung-telefoon is te zien verdachte is. De raadsvouw stelde zich op het standpunt dat verdachte niet degene is die te zien is op de videobeelden.

De rechtbank was van oordeel dat het voor een juiste beoordeling van de zaak noodzakelijk was dat nader onderzoek werd verricht in de vorm van een gezichtsvergelijkend onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI).

Op de zitting van 15 januari 2026 heeft de rechtbank het NFI (via de rechter-commissaris)

– in aanvulling op de eerdere opdracht – de opdracht gegeven om een onderzoek te verrichten waarbij degene die is te zien op de betwiste videobeelden wordt vergeleken met verdachte op basis van een vergelijking van de handen.

Voor de zitting van 10 april 2026 zijn de bevindingen van het gezichts- en handenvergelijkend onderzoek van het NFI (hierna: het NFI-rapport) toegevoegd aan het dossier. Op 10 april 2026 is de zaak opnieuw inhoudelijk behandeld.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair tenlastegelegde en het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde kan worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft tijdens de inhoudelijke behandeling op 17 oktober 2025 ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde om vrijspraak verzocht vanwege onvoldoende bewijs. Op de zitting van 10 april 2026 heeft de verdediging ten aanzien van dit feit meegedeeld zich neer te leggen bij de bevindingen uit het NFI-rapport.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft de raadsvrouw zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

In een strafrechtelijk onderzoek tegen medeverdachte [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) is bij een doorzoeking in zijn woning een Samsung-telefoon in beslag genomen. De politie heeft daarop filmpjes aangetroffen waarop te zien is dat een man (hierna: het slachtoffer) door ten minste twee personen in een auto wordt meegenomen en vervolgens in een ruimte wordt vastgehouden waarbij ernstig geweld tegen hem wordt gebruikt. Uit het proces-verbaal volgt dat er één persoon, later herkend als de medeverdachte, tijdens deze opnamen filmt en opdrachten geeft, en dat met name de andere persoon de geweldshandelingen verricht. Gebleken is dat de beelden op de in beslag genomen telefoon met diezelfde telefoon zijn gemaakt, en wel op 5 en 6 augustus 2024.

Uit het proces-verbaal waarin de beelden zijn omschreven volgt dat het slachtoffer eerst in een auto wordt vastgehouden, dat er met vuurwapens wordt gedreigd en dat het slachtoffer met die vuurwapens wordt geslagen. Het slachtoffer wordt daarbij gedwongen om vragen te beantwoorden. Op de volgende beelden ziet en hoort de politie dat het slachtoffer op een bank in een woning zit, dat hem nog steeds vragen worden gesteld en dat het geweld tegen hem wordt voortgezet. Zo wordt hij meermalen geslagen met vuurwapens, wordt er met een zaag in zijn pink gezaagd, worden zijn hoofd en zijn handen in een pan met stomend water geduwd en wordt een vuurwapen in zijn mond gedrukt waarbij de trekker op enig moment wordt overgehaald. Te zien is dat het slachtoffer zich hevig probeert te verzetten. Ook is te horen dat het slachtoffer hevige pijn lijdt. Gedurende deze geweldshandelingen blijven de twee andere personen het slachtoffer dwingen om antwoord te geven op vragen. De personen vermelden ook dat zij steeds een stapje verder zullen gaan en zij houden het slachtoffer al die tijd vast in de woning. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een wederechtelijke vrijheidsberoving in de periode van 5 tot en met 6 augustus 2024.

Identiteit slachtoffer

De politie heeft het slachtoffer kunnen identificeren als [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), omdat de politie hem op de beelden heeft herkend. Hoewel [slachtoffer] geen aangifte heeft gedaan van deze wederrechtelijke vrijheidsberoving en hij ontkent dat hij de persoon op de beelden is, gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze herkenning. Hierbij is mede van belang dat met de telefoon, die bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving is gebruikt op de avond van 5 augustus 2024, is genavigeerd naar, zo volgt uit de verklaring van zijn zus, het laatst bekende adres van [slachtoffer] . De rechtbank stelt op basis van het voorgaande dan ook vast dat [slachtoffer] wederrechtelijk van zijn vrijheid is beroofd.

Herkenning verdachte

Verdachte heeft ontkend enige betrokkenheid te hebben gehad bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het NFI heeft het gezicht en de handen van de persoon die te zien is op de betwiste beelden en met name geweldshandelingen uitvoert bij [slachtoffer] , vergeleken met het gezicht en de handen van verdachte in de door het NFI gemaakte vergelijkingsopnamen. Drie onderzoekers zijn op basis van meerdere, gedetailleerde overeenkomsten tot de conclusie gekomen dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de persoon afgebeeld in de betwiste beelden wel dezelfde persoon is als verdachte dan wanneer dit niet zo is. De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat verdachte de persoon op de beelden is en dus dat hij betrokken is geweest bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving in de periode van 5 tot en met 6 augustus 2024.

Auto

Bij de medeverdachte is een telefoon van het merk Samsung in beslag genomen die op 5 augustus 2024 contact heeft gemaakt met het infotainment/navigatiesysteem van een Mercedes met kenteken [kenteken] . De bekleding van de auto die te zien is op de videobeelden van 5 augustus 2024 komt overeen met de bekleding van deze Mercedes met kenteken [kenteken] . De overeenkomsten zien op typerende rode stiksels en een sticker in de auto.

Op de Waze-app van de Samsung-telefoon is op 5 augustus 2024 te zien dat de route naar het adres waarop [slachtoffer] zou verblijven is ingevuld. Volgens de CELL-ID’s straalt de telefoon op 5 augustus 2024 om 23:45:18 uur uit bij dit adres, waarna de telefoon op 6 augustus 2024 om 01:59:25 uitstraalt in de buurt van de zendmastlocatie aan de [adres] . De rechtbank stelt op basis van het voorgaande en op basis van het proces-verbaal waarin de beelden zijn beschreven vast dat de auto met kenteken [kenteken] is gebruikt bij de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] en dat er tevens ten laste gelegde handelingen in deze auto hebben plaatsgevonden.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat is bewezen dat verdachte zich in de periode van 5 tot en met 6 augustus 2024 met een ander schuldig heeft gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] . De medeverdachte hield zich met name bezig met het filmen van de situatie ter plaatse en vervulde een aansturende rol in de (gewelds)handelingen die moesten worden verricht, terwijl verdachte deze (gewelds)handelingen daadwerkelijk uitvoerde. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte, waarmee ook het medeplegen kan worden bewezen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat [slachtoffer] in Den Haag in de buurt van zijn laatste verblijfplaats door verdachte en de medeverdachte van zijn vrijheid is beroofd en vervolgens in een woning van zijn vrijheid beroofd is gehouden. Verdachte en de medeverdachte hebben daarbij buitensporig geweld gebruikt om hem te dwingen vragen te beantwoorden.

Ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde bewezen.

Alle wapens en munitie zijn in de slaapkamer van verdachte aangetroffen. Uit de processen-verbaal van wapenonderzoek blijkt dat de aangetroffen wapens en de munitie verboden zijn.

Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde geldt dat dit een veerdrukpistool betreft, en daarmee dus een replica van een Walther PPK pistool. Over het veerdrukpistool heeft verdachte op de terechtzitting van 10 april 2026 verklaard dat dit van hem is.

Op het pistool van het merk Glock is DNA aangetroffen, waarvan het NFI tot de conclusie komt dat het 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer dit afkomstig is van verdachte en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer dit afkomstig is van twee willekeurige onbekende personen.

Omdat de wapens en munitie in de slaapkamer van verdachte zijn aangetroffen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de beschikkingsmacht over deze wapens en munitie wordt geacht te hebben gehad. Mede gelet op zijn verklaring ten aanzien van het veerdrukpistool en de DNA-sporen die op het pistool van het merk Glock zijn aangetroffen, stelt de rechtbank ook vast dat verdachte zich bewust moet zijn geweest van de al dan niet waarschijnlijke aanwezigheid van munitie in diezelfde slaapkamer.

Wel spreekt de rechtbank verdachte ten aanzien van feit 3 vrij van het aanwezig hebben van ‘2 patronen, wadcutter van het kaliber 7,62 X 39mm’ en ‘1 patroon, volmantel van het kaliber .38’, omdat deze onderdelen van de tenlastelegging op basis van het dossier niet kunnen worden bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde

in de periode van 5 augustus 2024 tot en met 6 augustus 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door een of meermalen

- die [slachtoffer] tussen twee personen op de achterbank van een voertuig in te sluiten en

- met meerdere vuurwapens, in elk geval vuurwapengelijkende voorwerpen, (tegelijkertijd) op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan en zodoende die [slachtoffer] te dwingen om vragen te beantwoorden en

- met een handzaag in de pink van die [slachtoffer] te zagen en

- een vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, door te laden en vervolgens diep in de mond van die [slachtoffer] te drukken en de trekker van dat vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, over te halen en

- een vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, op het gezicht/hoofd van die [slachtoffer] te richten en de trekker over te halen en

- met een vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp het gezicht/vingers/handen van die [slachtoffer] in een pan met kokend/heet water te drukken, terwijl die [slachtoffer] stevig wordt vastgehouden bij zijn nek/polsen en

- te zeggen dat ze Russische Roulette gaan spelen en

- vervolgens aan de trommel van een vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, te draaien en de trekker van dat vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, over te halen, terwijl dat vuurwapen, in elk geval een vuurwapengelijkend voorwerp, op de pols van die [slachtoffer] wordt gericht en

- die [slachtoffer] gedurende enige tijd in een woning vast te houden,

- die [slachtoffer] (voortdurend) in/op/tegen het gezicht/hoofd, te slaan, waardoor die [slachtoffer] niet van de bank af kon en/of kon ontsnappen;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

op 3 februari 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, type 19 Gen 5, kaliber 9mm x 19 (synoniem 9mm Luger) voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde

op 3 februari 2025 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten

- 6 patronen, volmantel rondneus van het kaliber 7,65 mm Browning (synoniem .32 Auto) en

- 1 patroon, Remington Peters van het kaliber R.P 32 S&W

- 13 patronen, van het kaliber 9mm x 19 (synoniem 9mm Luger)

voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde

op 3 februari 2025 te Amsterdam een wapen van categorie I, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een replica Walther PPK pistool, voorhanden gehad.

De rechtbank leest het in de tweede regel van het onder 4 ten laste gelegde vermelde “Walther PPK pistool” als “replica Walther PPK”, omdat van een kennelijke misslag/verschrijving sprake is. Uit het dossier volgt onmiskenbaar dat het gaat om een veerdrukpistool. De verbetering van deze misslag/verschrijving schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfeneenhalf jaar, met aftrek van voorarrest. Zij heeft daarbij tevens de oplegging van de 38v-maatregel geëist, inhoudende dat verdachte gedurende vijf jaar geen contact mag opnemen met [slachtoffer] en dat voor iedere keer dat verdachte zich daar niet aan houdt, twee weken hechtenis volgt met een maximum van zes maanden. Tevens heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om deze maatregel dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Daarbij is volgens de raadsvrouw met name van belang dat het in deze zaak om een jeugdige verdachte gaat. Ook heeft verdachte zich niet eerder schuldig gemaakt aan een soortgelijk feit. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte een andere rol heeft gehad dan de medeverdachte, in die zin dat de medeverdachte een meer leidende rol had.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] , waarbij verdachte en de medeverdachte zeer ernstig geweld hebben toegepast. Zij dreigden reeds in de auto dat [slachtoffer] antwoord moest geven op vragen, sloegen hem toen al met wapens en deelden mee dat zij steeds een stapje verder zouden gaan. Eenmaal in de woning aangekomen, voegden zij de daad bij het woord. Op de videobeelden is immers te zien hoe [slachtoffer] onmenselijke handelingen heeft moeten ondergaan. Verdachte heeft [slachtoffer] in zijn vinger gezaagd, hem met zijn hoofd en handen in een pan met stomend water geduwd en hem een pistool in zijn mond geduwd, waarbij hij de trekker overhaalde. Dat [slachtoffer] bloed verloor, hij uiterst geëmotioneerd was en schreeuwde van de pijn, heeft verdachte er niet van weerhouden om door te gaan. Integendeel, het geweld dat hij toepaste werd alleen maar heftiger, tot martelingen aan toe. Waarom verdachte deze handelingen heeft verricht is niet duidelijk geworden, maar vaststaat dat dit gedrag uiterst schokkend is en getuigt van geen enkel respect richting een medemens.

Verdachte wordt ook veroordeeld voor het voorhanden hebben van wapens en munitie die in zijn slaapkamer zijn aangetroffen. Ongeoorloofd wapen- en munitiebezit is onaanvaardbaar vanwege de dreiging die daarvan uitgaat voor de veiligheid van anderen. Ook in deze zaak is gebleken dat het bezit van een wapen kan leiden tot het gebruik daarvan, met alle schadelijke gevolgen van dien. Dat verdachte zich met dit soort zaken bezighoudt, acht de rechtbank hoogst zorgelijk.

Uit het uittreksel Justitiële documentatie van 20 december 2025 volgt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 2 oktober 2025. Daaruit volgt dat de reclassering adviseert om het volwassenenstrafrecht toe te passen en dat zij gelet op de ernst van het feit en de proceshouding van verdachte bij een veroordeling geen mogelijkheden zien om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen.

Gezien de ernst van de feiten en het excessieve geweld dat hierbij is gebruikt, kan op hetgeen bewezen is verklaard niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In deze zaak is niet alleen sprake van een wederrechtelijke vrijheidsberoving, maar ook van het aanwezig hebben van wapens en munitie, waar doorgaans hoge straffen voor worden opgelegd. Dat maakt de eis van de officier van justitie, die ook heeft gekeken naar de straf die aan de medeverdachte voor het onder 1 primair tenlastegelegde is opgelegd (een gevangenisstraf van vijf jaar), in beginsel alleszins redelijk. Tegelijkertijd is het zo dat verdachte, in tegenstelling tot de medeverdachte, niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Daar houdt de rechtbank ten opzichte van de medeverdachte, waarbij dit niet het geval was, in strafverminderende zin rekening mee, wat maakt dat de rechtbank een lagere straf zal opleggen dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegend, acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Daarnaast ziet de rechtbank ter beveiliging van [slachtoffer] aanleiding om op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) een vrijheidsbeperkende maatregel aan verdachte op te leggen voor de duur van vijf jaren, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] . Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van twee weken, met een maximum van zes maanden. De rechtbank overweegt dat de maatregel van artikel 38v Sr dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard, omdat er – gelet op de aard en ernst van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit, de persoon van verdachte en het feit dat [slachtoffer] geen aangifte heeft willen doen – ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit tegen [slachtoffer] pleegt.

8. Beslag

Onder verdachte is volgens de beslaglijst in het dossier het volgende in beslag genomen:

3.020,00 EUR Geld Euro (842909)

7. 1 PR Schoenen (842878)

8. 1 PR Schoenen (842876)

9. 1 PR Schoenen (842872)

10. 1 PR Schoenen (842869)

11. 1 PR Schoenen (842864)

12. 1 STK Shirt (842832)

25. 1 STK Jas (842797)

26. 1 STK Jas (842800)

27. 1 STK Kleding (842801)

28. 1 STK Jas (842819)

30. €324,68 van 1 STK Koptelefoon (842907)

32. 1 STK Schoenen (824899)

33. 1 STK Schoenen (824893)

34. 1 STK Schoenen (824891)

35. 1 STK Schoenen (824888)

36. 1 STK Schoenen (824882)

37. 1 STK Schoenen (824895)

39. 1 STK Jas (842886)

51. 40 STK Simkaart van zaktelefoon (842825)

52. 4 STK Munitie (842838)

53. 1 STK Verdovende Middelen (842862)

54. 1 STK Verdovende Middelen (842880)

55. 1 STK Munitie (842883)

56. 1 STK Pistool (842889)

57. 1 STK Pistool (842894)

58. 1 STK Munitie (842901)

59. 1 STK Telefoontoestel (842859)

60. 1 STK Telefoontoestel (8428211)

67. 223,50 EUR Geld Euro (842829).

De rechtbank is van oordeel dat de pistolen, munitie en de vermoedelijke verdovende middelen moeten worden onttrokken aan het verkeer. De overige in beslag genomen goederen kunnen retour naar verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 38v, 38w, 47, 57 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en artikel 13a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 primair

medeplegen van het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden

ten aanzien van feit 2

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

ten aanzien van feit 3

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

ten aanzien van feit 4

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaar.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de

penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke

invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van

Strafvordering.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van vijf jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

De totale duur van de tenuitvoergelegde vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte

opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

52. 4 STK Munitie (842838)

53. 1 STK Verdovende Middelen (842862)

54. 1 STK Verdovende Middelen (842880)

55. 1 STK Munitie (842883)

56. 1 STK Pistool (842889)

57. 1 STK Pistool (842894)

58. 1 STK Munitie (842901)

Gelast de teruggave aan de beslagene van:

3.020,00 EUR Geld Euro (842909)

7. 1 PR Schoenen (842878)

8. 1 PR Schoenen (842876)

9. 1 PR Schoenen (842872)

10. 1 PR Schoenen (842869)

11. 1 PR Schoenen (842864)

12. 1 STK Shirt (842832)

25. 1 STK Jas (842797)

26. 1 STK Jas (842800)

27. 1 STK Kleding (842801)

28. 1 STK Jas (842819)

30. €324,68 van 1 STK Koptelefoon (842907)

32. 1 STK Schoenen (824899)

33. 1 STK Schoenen (824893)

34. 1 STK Schoenen (824891)

35. 1 STK Schoenen (824888)

36. 1 STK Schoenen (824882)

37. 1 STK Schoenen (824895)

39. 1 STK Jas (842886)

51. 40 STK Simkaart van zaktelefoon (842825)

59. 1 STK Telefoontoestel (842859)

60. 1 STK Telefoontoestel (8428211)

67. 223,50 EUR Geld Euro (842829).

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,

mrs. A.H.E. van der Pol en I. Struijkenkamp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.R.J. van Wel

Griffier

  • mr. V.R. Hofstee

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?