RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-026716-26 (EAB I)
Datum uitspraak: 22 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 12 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 mei 2019 door the Regional Court in Ústí nad Labem, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] (Turkije),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [J.C.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. Römer, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Turkse taal.
Het EAB in deze zaak is gelijktijdig behandeld met het EAB in de zaak met parketnummer
13-026738-26 (EAB II).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Ústí nad Labem van 1 april 2019 met kenmerk 50 T 8/2017-5067.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:
1. het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
2. de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Het EAB vermeldt in onderdeel d):
“ X 3.4. the person was not personally served the decision, but
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.
5. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Samenloop van Europese aanhoudingsbevelen
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat naast het Tsjechische EAB een Duits EAB (met parketnummer 13-026738-26, EAB II) ten aanzien van de opgeëiste persoon is uitgevaardigd door het Amtsgerichts Kleve wegens het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. De rechtbank heeft vandaag bij afzonderlijke uitspraak de overlevering op grond van het Duitse EAB toegestaan. Het is aan de rechtbank om op grond van artikel 28, vierde lid OLW en met inachtneming van artikel 26, derde lid, OLW te beslissen over de vraag aan welke van de concurrerende EAB’s voorrang moet worden gegeven. Ter zitting vermeldt de officier van justitie op grond van artikel 26, derde lid, OLW aan welk aanhoudingsbevel de rechtbank naar haar oordeel voorrang moet geven.
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB. Daarbij is het tijdsverloop van belang, nu Duitsland eerder een (nationaal) aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon de uitdrukkelijke wens geuit om eerst aan Duitsland overgeleverd te worden, het land waar hij (met onderbrekingen) sinds 1984 woonachtig is. De opgeëiste persoon bezit uitsluitend de Duitse nationaliteit en heeft familie in Duitsland wonen. In Duitsland gaat het om een strafvervolging, waarin de opgeëiste persoon, samen met zijn Duitse advocaat, de verdediging wenst te voeren. In Tsjechië is de opgeëiste persoon al veroordeeld in het vonnis van 2019. De opgeëiste persoon wil wel verzet of hoger beroep instellen tegen het Tsjechische vonnis, maar hij wil dat vanuit Duitsland doen. Indien het hoger beroep in Tsjechië niet tot het gewenste resultaat leidt, kan Duitsland de Tsjechische straf overnemen zodat hij in Duitsland die straf kan ondergaan. Andersom bestaat die mogelijkheid niet. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat de opgeëiste persoon nooit in Tsjechië is geweest en geen enkele binding met dat land heeft. Het is ook niet gelukt in Tsjechië een advocaat te vinden die zijn belangen kan behartigen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie moet in beginsel aan het Duitse EAB voorrang worden gegeven, omdat in Duitsland sprake is van een lopende strafvervolging, die zij niet wenst te doorkruisen. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich er ook in vinden als aan het Tsjechische EAB voorrang wordt gegeven. Voor het Tsjechische EAB geldt dat de opgeëiste persoon de mogelijkheid heeft om hoger beroep of verzet in te stellen (van welke mogelijkheid hij zegt gebruik te zullen maken), waardoor dat EAB dient te worden aangemerkt als strekkende tot (verdere) vervolging. Ook in het Tsjechische EAB is dus sprake van een lopende strafvervolging. Voorts heeft de officier van justitie erop gewezen dat doorlevering vanuit Duitsland naar Tsjechië mogelijk lastig kan zijn, omdat de opgeëiste persoon de Duitse nationaliteit heeft. Daar staat tegenover dat, indien het vonnis in Tsjechië in hoger beroep wordt bevestigd, de overlevering in Duitsland kan worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van die straf in Duitsland kan plaatsvinden. De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, gelet op artikel 26, derde lid, OLW, van oordeel dat voorrang moet worden gegeven aan het Duitse EAB met parketnummer 13-026738-26. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Beide EAB’s dateren uit 2019. De ernst van de feiten is in beide EAB’s in grote mate vergelijkbaar. Het gaat in beide EAB’s om belastingontduiking door te handelen in producten in verschillende landen zonder belastingaangifte te doen. Ook de periode waarin de feiten gepleegd zouden zijn is in beide EAB’s vrijwel gelijk, namelijk een periode in 2011. Uit de stukken blijkt dat de strafrechtelijke vervolging in Duitsland nog gaande is en niet gebleken is dat al sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van die strafzaak op zitting. Ten aanzien van het Tsjechische EAB concludeert de rechtbank dat, nu de opgeëiste persoon in Tsjechië bij verstek is veroordeeld, het onderzoek naar het strafbare feit aldaar was afgerond en dat er voldoende gegevens voorhanden waren om de zaak bij de rechtbank in Tsjechië aan te brengen. Gelet op het voorgaande en in het kader van een goede rechtsbedeling zal de rechtbank daarom beslissen dat voorrang dient te worden gegeven aan het Duitse EAB.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen en 2, 5, 7, 26 en 28 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Ústí nad Labem, Tsjechië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
BEPAALT dat VOORRANG dient te worden gegeven aan het EAB met parketnummer 13-026738-26 dat is uitgevaardigd door die Direktorin des Amtsgerichts in Kleve, Duitsland (EAB II) boven het Tsjechische EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. M.L. Kole en B.C.M. Burger, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.