RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/011172-25
Datum uitspraak: 28 april 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,
thans gedetineerd te: [naam PI] ,
en aldaar ingeschreven op het adres:
[adres PI] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 25 april 2025, 15 juli 2025, 26 september 2025, 2 december 2025, 13 februari 2026 en 13 en 14 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. M.D. Braber en J.I.P. Hofstee, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.C.R. Gijsen, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door of namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , bijgestaan door mr. M. Veldman, en van wat door of namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] , bijgestaan door mr. L. van Gaalen-van Beuzekom naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank de deskundigen T. ’t Hoen (GZ-psycholoog) en M.B.F. van Berkel (psychiater) op de zitting van 13 april 2026 gehoord.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij in de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025 te Landsmeer/Nederland:
Feit 1
[slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door - (meermalen) in haar hals/lichaam te steken en/of te snijden, en/of- (meermalen) met een vuurwapen een kogel in/door haar hoofd te schieten;
Feit 2 primair
de van het lichaam gescheiden onderbenen van de overleden [slachtoffer] heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden, te verhelen;
Subsidiair is dit feit ten laste gelegd als een poging daartoe.
Feit 3
een vuurwapen in de vorm van een revolver in de categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;
Feit 4
een vuurwapen in de vorm van een revolver en 15 patronen, beiden in de categorie III van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. De waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen. Daarbij hebben zij ten aanzien van feit 1 gesteld dat doodslag kan worden bewezen en dat verdachte van moord moet worden vrijgesproken. Het dossier bevat geen objectieve bewijsmiddelen die het door verdachte geschetste scenario dat hij in een opwelling heeft gehandeld weerleggen. Gelet hierop is er onvoldoende bewijs voor het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’. Daarom verzoeken de officieren van justitie om verdachte partieel vrij te spreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Ten aanzien van feit 2 hebben de officieren van justitie gesteld dat ook het wegmaken van een gedeelte van een lijk als een voltooid delict kan worden gekwalificeerd. De onderbenen betreffen een substantieel deel van een lichaam en het wegmaken daarvan maakt dat gesproken kan worden van het wegmaken van een lijk zoals bedoeld in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair hebben de officieren van justitie gesteld dat uit het wegmaken van de benen van het slachtoffer in ieder geval een begin van uitvoering blijkt van het wegmaken van het volledige lichaam. Daarmee kan een poging tot het wegmaken van het lijk worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft eveneens verzocht om verdachte vrij te spreken van de aan hem ten laste gelegde moord op het slachtoffer. Het dossier bevat te weinig wettig en overtuigend bewijs voor het scenario dat verdachte planmatig handelde, waardoor het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ niet kan worden bewezen.
Verder heeft de raadsman ten aanzien van feit 2 bepleit dat het handelen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm gericht was op het wegmaken van het gehele lichaam van het slachtoffer. Met het wegmaken van de benen van het slachtoffer kan nog niet worden gesteld dat er sprake is van een voltooid delict, maar enkel van een poging daartoe. Daarom heeft de raadsman verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder feit 2 primair ten laste gelegde.
Ten aanzien van feit 3 en feit 4 heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
In de nacht van 8 op 9 januari 2025 wordt [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer of zijn moeder) als vermist opgegeven. Het politieonderzoek leidt uiteindelijk naar een woning in [plaats] , waar verdachte – de zoon van het slachtoffer – woonachtig is. In de avond van 9 januari 2025 komen meerdere agenten ter plaatse bij de woning. Daar constateren zij dat de deur van de badkamer op slot is. Wanneer zij deze deur openkrijgen, treffen zij in de bebloede badkuip het ontklede stoffelijk overschot van het slachtoffer aan. Ook is te zien dat de onderbenen van het lichaam ontbreken. Op het lichaam zijn meerdere verwondingen te zien en in de badkamer is veel bloed aanwezig. Daarnaast zien de agenten tegen de rand van de badkuip een handzaag staan en worden in de badkamer meerdere vleesmessen aangetroffen.
Feit 1, het doden van het slachtoffer
Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 8 januari 2025 met zijn moeder bij hem thuis had afgesproken om te praten over zijn financiën, waar zijn moeder hem bij hielp. Ook kwam volgens verdachte tijdens dit gesprek aan de orde dat hij in zijn vroege jeugd seksueel misbruikt zou zijn door zijn moeder. Toen hij haar daarmee confronteerde raakte verdachte geïrriteerd en knapte er iets in hem. Hierop pakte verdachte een pistool uit de keukenlade en heeft hij op zijn moeder geschoten. Ook weet hij nog dat hij een mes heeft gepakt. Daarna herinnert verdachte zich naar eigen zeggen niet veel meer.
Doodsoorzaak slachtoffer
De sectie op het lichaam van het slachtoffer leidde tot de volgende bevindingen en conclusies.
Aan het hoofd, de hals en nek en de linkerborst van het slachtoffer waren in totaal vier steekletsels door krachtinwerking bij leven met één of meerdere scherpe voorwerpen (zoals een mes) te zien. Aan het gelaat en de handen van het slachtoffer waren meerdere oppervlakkige huiddefecten door krassende en/of snijdende krachtinwerking met één of meerdere scherpe voorwerpen zichtbaar. Aan het lichaam waren tekenen van ernstig bloedverlies bij leven op basis waarvan het overlijden zonder meer kan worden verklaard. De perforatie van het strottenhoofd, de linkerborstholte en de linkerlong kan via functiestoornissen van de ademhaling aan het overlijden hebben bijgedragen. Aan het hoofd, gelaat, hals/nek, borst, rug en ledematen van het slachtoffer waren ook andere letsels te zien. De letsels ter hoogte van de onderarmen en handen passen goed bij af- en/of verweerletsel.
Achter het linkeroor en op het voorhoofd van het slachtoffer zijn schotwonden aangetroffen. Beide schotletsels zijn bij leven toegebracht en kunnen door hersenbeschadiging en bloedverlies aan het overlijden hebben bijgedragen.
Alle letsels samen zijn suggestief voor een dynamische context ten tijde van toebrenging. De volgorde van de toebrenging van de letsels kan niet worden vastgesteld. In de periode tussen het oplopen van de steekletsels en verlies van handelingsbekwaamheid kan het slachtoffer nog handelingen hebben uitgevoerd.
Aangetroffen wapens
In een vuilniszak in de toiletruimte van de woning van verdachte wordt een vuurwapen met vijf verschoten hulzen in de trommel aangetroffen. Op grond van het forensisch onderzoek stelt de rechtbank vast dat dit het wapen is waarmee verdachte op zijn moeder heeft geschoten.
Verder worden in de woning van verdachte meerdere messen aangetroffen. In de wasbak in de badkamer lag een mes waarop bloed zat. Ook op de badrand lag een mes, waarop bloed en mogelijk weefsel is aangetroffen. Het aangetroffen bloed is van het slachtoffer. Het DNA-spoor op het heft van laatstgenoemd mes is ongeveer 650 miljoen keer waarschijnlijker wanneer verdachte één van de donoren is dan wanneer dat niet zo is. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte de donor van dat DNA-materiaal is.
Conclusie
Op grond van de hierboven genoemde omstandigheden en de verklaring van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht. Uit de conclusies van de patholoog volgt dat het overlijden kan worden verklaard door schotverwondingen en/of bloedverlies als gevolg van de toegebrachte steekletsels. De volgorde van de toebrenging van deze verwondingen kan niet worden vastgesteld, maar op basis van het forensisch pathologisch onderzoek kan de rechtbank wel concluderen dat zowel de steekletsels als de schotverwondingen bij leven zijn toegebracht.
Vrijspraak moord, doodslag bewezen
Met de officieren van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat moord niet kan worden bewezen. Voor moord moet worden bewezen dat verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. Het dossier biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank kan vaststellen dat verdachte op 8 januari 2025 een afspraak heeft gemaakt met zijn moeder en dat hij op enig moment vuurwapens heeft aangeschaft. Dat verdachte dit heeft gedaan met het doel om het slachtoffer om het leven te brengen, kan de rechtbank niet vaststellen. Er zijn geen andere omstandigheden die bewijzen dat verdachte op het moment van het maken van de afspraak met zijn moeder van plan was om haar om het leven te brengen. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de primair impliciet ten laste gelegde moord.
Alles overwegend acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag op het slachtoffer.
Feit 2, het wegmaken van delen van het lichaam van het slachtoffer
Uit het forensisch pathologisch onderzoek aan het lichaam van het slachtoffer volgt dat er een volledige klieving aan de beide bovenbenen van het slachtoffer wordt waargenomen, waarbij de onderbenen van het lichaam zijn gescheiden en ontbreken. Ook constateert de forensisch patholoog gedeeltelijke klievingen aan de hals en de onderrug van het slachtoffer. Deze klievingen zijn na het overlijden van het slachtoffer toegebracht.
In de zaagtanden van de bebloede handzaag die tegen de rand van de badkuip staat, worden mogelijke (vet)weefseldeeltjes aangetroffen. Op grond van het uitgevoerde DNA-onderzoek concludeert de rechtbank dat het bloed op de handzaag van het slachtoffer is. De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat het bloed op het mes dat op de badrand ligt van het slachtoffer is en het DNA op het heft van dit mes van verdachte is. Ook het bloed van het mes in de wasbak is van het slachtoffer.
Verdachte heeft over dit feit niets verklaard, behalve dat hij zegt niet te weten waar de onderbenen van zijn moeder zijn.
Conclusie
Gelet op de hierboven genoemde bevindingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte de onderbenen van het slachtoffer heeft afgezaagd en van haar lichaam heeft gescheiden. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat hij haar lichaam heeft ontkleed om het doorsnijden daarvan gemakkelijker te maken. De vraag is vervolgens hoe dit handelen van verdachte juridisch kan worden gekwalificeerd.
Hoewel de gedragingen van verdachte onmiskenbaar gericht zijn geweest op het bemoeilijken van de ontdekking van het stoffelijk overschot, kan het verwijderen van afzonderlijke ledematen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als het wegmaken van een lijk als bedoeld in artikel 151 Wetboek van Strafrecht. Daartoe is vereist dat het lichaam zelf, dan wel een zodanig essentieel en zelfstandig als lijk te kwalificeren deel daarvan, aan het zicht wordt onttrokken. Daarvan is in dit geval geen sprake.
De rechtbank is evenwel van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvormen moeten worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het in artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde feit. Door het lichaam te doorklieven en lichaamsdelen te verwijderen en weg te maken heeft verdachte een begin van uitvoering gemaakt van het wegmaken van een lijk, terwijl de voltooiing van dat misdrijf is uitgebleven door de vroegtijdige ontdekking daarvan.
Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot het wegmaken van het lijk van het slachtoffer om zo te verhullen dat hij haar om het leven had gebracht.
Feit 3 en feit 4, vuurwapenbezit
Het vuurwapen dat in de vuilniszak in de toiletruimte van de woning van verdachte is aangetroffen, blijkt een revolver te zijn van het merk Forehand & Wadsworth, met kaliber .38 Smith & Wesson. Het betreft een vuurwapen dat valt onder categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.
Bij een doorzoeking van de Peugeot van verdachte wordt in een plastic tas die op de achterbank ligt nog een vuurwapen met daarbij vijftien patronen aangetroffen. Uit onderzoek volgt dat het vuurwapen een revolver is van het merk U.S. Revolver Company, met kaliber .32 Smith & Wesson. Dit is ook een vuurwapen dat valt onder categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. De aangetroffen patronen zijn rondneus projectielen van het merk Browning, met een kaliber van 7.65mm. De projectielen vallen daarmee onder categorie III van de Wet wapens en munitie.
Verdachte heeft bekend dat de aangetroffen wapens en projectielen van hem zijn en dat hij deze in de ten laste gelegde periode voorhanden heeft gehad. Over het wapen dat in zijn woning is aangetroffen, verklaart verdachte dat hij deze vermoedelijk al anderhalf tot twee jaar in zijn keukenlade bewaarde.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van beide vuurwapens en de aangetroffen projectielen.
4. De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1
in de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025 te Landsmeer, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
- meermalen in het lichaam, van voornoemde [slachtoffer] te steken, en/of
- meermalen met een vuurwapen een kogel in/door het hoofd van die [slachtoffer] te schieten;
Feit 2 subsidiair
in de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025 te Landsmeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk het lijk van [slachtoffer] weg te maken, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen,
- het lichaam van die [slachtoffer] van kleding heeft ontdaan en
- de onderbenen van het lichaam van die [slachtoffer] heeft afgezaagd en gescheiden, en
- met een zaag en/of een mes in de hals en rug van voornoemde [slachtoffer] heeft gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
in de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025 te Landsmeer een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk Forehand & Wadsworth, type onbekend, kaliber .38 Smith& Wesson zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver voorhanden heeft gehad;
Feit 4
in of omstreeks de periode van 8 januari 2025 tot en met 9 januari 2025 in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een revolver, van het merk U.S. Revolver Company, type onbekend, kaliber .32 Smith& Wesson, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 15, rondneus projectielen van het kaliber 7.65mm Browning, voorhanden heeft gehad;
5. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Motivering van de straffen en maatregelen
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte voor de door hen bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaar met aftrek van het voorarrest. Daarnaast hebben zij gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege wordt opgelegd.
Daartoe hebben de officieren van justitie aangevoerd dat er bij verdachte stoornissen zijn geconstateerd, die gelet op de ernst van de feiten wel moeten hebben doorgewerkt in het handelen van verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten 1 en 2. De officieren gaan daarom uit van een licht verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten aanzien van deze twee feiten. Daarnaast is er gelet op de geconstateerde antisociale persoonlijkheidsstoornis en de voorgeschiedenis van verdachte sprake van een aanzienlijk gevaar voor herhaling van een ernstig geweldsdelict. Een behandeling in het kader van de TBS-maatregel is daarom passend, noodzakelijk en proportioneel om de geconstateerde stoornissen te behandelen en de maatschappij tegen verdachte te beschermen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft verzocht om aan verdachte een lagere gevangenisstraf op te leggen en geen TBS-maatregel of gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM-maatregel) op te leggen. Daartoe heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat het vereiste met betrekking tot de doorwerking en daarmee het causale verband tussen de stoornis en het delict niet vastgesteld kan worden. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van het recidiverisico aangevoerd dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis op zichzelf geen gevaar voor personen met zich brengt. Ook kan het risico op herhaling niet zomaar worden aangenomen, nu het handelen van verdachte in deze zaak sterk situationeel bepaald was.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten en gevolgen voor de naasten
Verdachte heeft het slachtoffer, zijn eigen moeder, die intensief bij zijn leven betrokken was en hem tot op het laatst toe nog financieel onderhield, op gruwelijke wijze om het leven gebracht. Hiermee heeft hij het slachtoffer het meest fundamentele recht dat haar toekwam, namelijk het recht op leven, ontnomen. Uit het geconstateerde afweerletsel en de bebloede afdruk van de slipper van het slachtoffer tegen de bank in de woonkamer, leidt de rechtbank af dat er kort voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer een strijd in de woning van verdachte heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft extreem geweld toegepast door het slachtoffer met een mes te steken en meermaals op haar te schieten. In de laatste fase van haar leven zal het slachtoffer doodsangsten en wanhoop moeten hebben ervaren.
De manier waarop verdachte vervolgens met de stoffelijke resten van het slachtoffer is omgegaan, door te zagen en/of te snijden in haar hals, rug en benen, is verschrikkelijk en respectloos. Daarmee heeft verdachte er bovendien voor gezorgd dat haar naasten – en daarmee ook zijn eigen familieleden – geen afscheid hebben kunnen nemen van haar (complete) lichaam. De onderbenen van het slachtoffer zijn immers tot op de dag van vandaag niet teruggevonden.
Uit de op de zitting voorgelezen slachtofferverklaringen blijkt hoezeer de nabestaanden het slachtoffer missen en dat de herinnering aan haar gewelddadige dood en de wijze waarop met haar stoffelijk overschot is omgegaan, een diepe impact heeft op hun dagelijks leven. Ook hebben zij op invoelbare en emotionele wijze een beeld geschetst van het slachtoffer als een betrokken partner, moeder, dochter en compagnon die altijd voor iedereen klaarstond, al helemaal voor haar familie. Verdachte heeft met zijn handelen zijn familieleden onbeschrijflijk veel leed aangedaan en hun levens zullen door hem onherstelbaar getekend zijn.
Daar komt bij dat verdachte zijn familieleden vanaf het moment van de vermissing van het slachtoffer heeft voorgelogen. Hij heeft op een familiebijeenkomst tegen hen de schijn opgehouden dat alles goed zou komen, terwijl het slachtoffer op dat moment al om het leven was gebracht en in zijn woning lag. Ook heeft verdachte de nabestaanden nog extra leed toegebracht door te blijven zwijgen over wat er die nacht gebeurd is en wat hij met haar lichaam gedaan heeft. Verdachte heeft gesteld dat hij een ‘black-out’ heeft gekregen en zich niets meer herinnert, maar dit scenario wordt door de onderzoekers van het Pieter Baan Centrum zowel op neurologische als op psychiatrische gronden nagenoeg uitgesloten. De rechtbank kan daarom niet anders concluderen dan dat verdachte er bewust voor kiest om te zwijgen over de gebeurtenissen op die bewuste avond en nacht. Deze proceshouding, evenals het feit dat verdachte op geen enkel moment berouw heeft getoond voor zijn daden, weegt de rechtbank mee bij het opleggen van de straf.
Naast de doodslag op zijn moeder en het wegmaken van een gedeelte van haar lichaam heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan het ongecontroleerde bezit van twee revolvers. Zijn zelfverklaarde ‘fascinatie voor wapens’ heeft uiteindelijk tot het ergst denkbare gevolg geleid.
De persoon van de verdachte
Bevindingen uit de Pro Justitia rapportage en toelichting deskundigen
Om meer inzicht te krijgen in de persoon van verdachte, heeft zowel psychiatrisch als
psychologisch onderzoek plaatsgevonden door middel van een onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC). Naar aanleiding van dit onderzoek hebben de deskundigen M.B.F. van Berkel (psychiater) en T ’t Hoen (GZ-psycholoog) op 4 februari 2026 een gezamenlijk rapport uitgebracht. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De onderzoekers zien een patroon waarbij verdachte handelt zonder na te denken, veelal voor persoonlijk gewin en met een gebrekkig empathisch vermogen. Al vanaf jonge leeftijd neemt verdachte het niet zo nauw met wetten en regels en schendt hij deze zonder berouw. Daarbij liegt en manipuleert hij en toont hij roekeloos gedrag waarbij hij de (financiële) verantwoordelijkheid gemakkelijk bij een ander neerlegt. Hierbij valt verdachte in herhaling, zonder dat in zijn handelen een wens tot verbetering zichtbaar is. Zijn eigenbelang staat voorop en hij heeft maar (zeer) beperkt oog voor, dan wel boodschap aan, de wensen en behoeften van de ander. De eigen directe behoeftebevrediging is hierbij leidend en de gevolgen van zijn handelen voor de ander lijken hem ook weinig te deren. De empathische vermogens van verdachte komen dan ook als beperkt naar voren; hij is hier cognitief wel toe in staat, maar op affectief niveau is daar nauwelijks sprake van. Zijn gewetensfunctie is eveneens gebrekkig en er gaat maar weinig remmend vermogen van uit. Hij weet wat goed en kwaad is en begrijpt de wederrechtelijkheid van zijn handelen wel, maar ‘kiest’ ervoor om niet naar de geldende (morele en sociale) normen en wetten te handelen. Hij lijkt zich hier ook niet tot nauwelijks voor te schamen en gevoelens van schuld en/of betrouw ontbreken nagenoeg volledig. Dit alles is volgens de onderzoekers passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis.
Vanaf jonge leeftijd gebruikt verdachte daarnaast structureel en overmatig veel alcohol en drugs. Mede door het gebrek aan controle over dit gebruik is er disfunctioneren op verschillende levensgebieden gedurende zijn leven ontstaan. Daarbij is zijn blijvende gebrekkige inzicht volgens de onderzoekers problematisch, waardoor periodes van abstinentie nooit duurzaam hebben bestaan. Bij verdachte is volgens de onderzoekers daarom ook sprake van een stoornis in het gebruik van meerdere middelen.
De geconstateerde stoornissen waren ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Het betreffen stoornissen met een chronisch en structureel karakter. Voor de onderzoekers is het echter onduidelijk gebleven in hoeverre en in welke mate, de psychopathologie van verdachte een rol heeft gespeeld bij het plegen van de ten laste gelegde feiten en of daarbij sprake is geweest van keuzemogelijkheden en wils(on)vrijheid. Dit komt gedeeltelijk voort uit het feit dat verdachte stelt zich niets meer te kunnen herinneren van de avond en nacht na het plegen van de ten laste gelegde feiten. Daarnaast beschikt verdachte over een beperkt introspectief en zelfreflectief vermogen, waardoor zijn emotionele binnenwereld voor de onderzoekers grotendeels een ‘black box’ is gebleven.
De onderzoekers zien op basis van de psychopathologie en de ten laste gelegde feiten een gelijktijdigheidsverband, echter kunnen zij de rechtbank niet adviseren over een mogelijke doorwerking van de stoornissen in het plegen van de ten laste gelegde feiten. De onderzoekers onthouden zich daarom van een advies over de vraag of de ten laste gelegde feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend.
Nu de doorwerking van de psychopathologie van verdachte in de ten laste gelegde feiten onbekend is gebleven, kunnen de onderzoekers ook geen op klinische gronden onderbouwde uitspraken doen over het recidiverisico. In algemene zin kan worden gesteld dat sprake is van een verhoogd risico op het toepassen van (ernstig) geweld, gelet op een aantal algemene risicofactoren die bij verdachte aanwezig zijn. Deze factoren bestaan uit een voorgeschiedenis van het gebruik van geweld en het tonen van antisociaal gedrag, maar ook uit zijn problemen op het gebied van relaties en zijn middelengebruik. De onderzoekers kunnen dit herhalingsrisico echter onvoldoende individualiseren naar verdachte, doordat er een gebrek aan zicht is op de dynamiek ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten.
Omdat er in dit onderzoek geen duidelijkheid is gekomen over een mogelijke doorwerking van de psychopathologie van verdachte in het ten laste gelegde en er geen uitspraak kan worden gedaan over een pathologisch bepaald recidiverisico kunnen de onderzoekers ook geen advies geven over eventuele interventies om het risico op recidive te beperken.
De deskundigen hebben voornoemd advies op de zitting bevestigd. Verder hebben zij nog aanvullend het volgende toegelicht.
Een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft in zijn algemeenheid invloed op het gedrag van een persoon en geeft een verhoogd risico op gewelddadig of antisociaal gedrag. Daarmee valt echter nog niet te voorspellen of, en in welke mate, dit gedrag tot uiting komt. Vanuit klinisch oogpunt kan niet vastgesteld worden dat er een hoog recidiverisico is dat verdachte een vergelijkbaar ernstig geweldsdelict zal plegen zoals tenlastegelegd. De onderzoekers constateren geen narcistische persoonlijkheidsstoornis of psychopathie bij verdachte. Verdachte lijkt volgens de onderzoekers ook niet overgevoelig voor kritiek en hij voelt zich niet snel beledigd of aangevallen.
Omdat niet bekend is geworden wat verdachte dreef ten tijde van de ten laste gelegde feiten, valt niet vast te stellen of dit sterk situationeel is bepaald. Ook kan het aandeel van het middelengebruik van verdachte bij de ten laste gelegde feiten door de onderzoekers niet worden uitgelegd, nu de concentraties van bepaalde stoffen in het bloed van verdachte pas een dag later zijn gemeten. De onderzoekers hebben verder benoemd dat een behandeling voor de bij verdachte geconstateerde stoornissen in zijn algemeenheid wordt aanbevolen, mede omdat abstinentie bij een stoornis in het gebruik van middelen te allen tijde dient te worden nagestreefd. Omdat zij geen uitspraak kunnen doen over het recidiverisico, onthouden zij zich ook van advies over welke behandeling en welk kader noodzakelijk is om het recidiverisico in te perken.
Oordeel rechtbank TBS-maatregel
De rechtbank stelt op basis van de hierboven genoemde rapportages vast dat er bij verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten sprake was van ziekelijke stoornissen, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis en een stoornis in middelengebruik. Het verband tussen deze stoornissen en het delict kan de rechtbank niet vaststellen. De rechtbank concludeert met de deskundigen dat daarvoor nog teveel onduidelijk is gebleven over wat verdachte dreef ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en de eventuele invloed van middelen daarop. De rechtbank oordeelt dan ook dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad is voor het opleggen van een TBS-maatregel geen vereiste dat er een causaal verband wordt vastgesteld tussen de stoornis en het gedrag (het plegen van de feiten). Bovendien kan een TBS-maatregel ook worden opgelegd aan daders aan wie het delict volledig kan worden toegerekend. Dit gebeurt in uitzonderlijke gevallen als de algemene veiligheid van personen of de algemene veiligheid van goederen de oplegging van deze maatregel vereisen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een verdachte wordt veroordeeld voor een zwaar geweldsdelict en het risico op herhaling van dergelijke feiten zonder behandeling als hoog wordt ingeschat. Dit is een zware toets, ook omdat een TBS-maatregel een ingrijpende maatregel is.
De rechtbank vindt dat in deze zaak een TBS-maatregel niet is vereist en heeft in haar oordeel hierover het volgende mee laten wegen.
De rechtbank stelt vast dat de deskundigen in het PBC-rapport hebben gesteld dat een antisociale persoonlijkheidsstoornis in algemene zin een verhoogd risico geeft voor het toepassen van (ernstig) geweld. Uit de klinische informatie uit de rapportages en het de toelichting van de deskundigen volgen evenwel geen aanwijzingen voor een verhoogd risico voor verdachte op (soortgelijk) ernstig geweld. Er zijn geen aanwijzingen voor een narcistische persoonlijkheidsstoornis of voor psychopathie bij verdachte. Verdachte lijkt ook niet overgevoelig voor kritiek en voelt zich niet snel beledigd of aangevallen.
Vervolgens heeft de rechtbank, om een verdere inschatting te maken van het recidiverisico naast de klinische informatie uit de rapportages, onder meer gekeken naar het strafblad van verdachte van 26 maart 2026. Daaruit volgt weliswaar dat verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, maar dit betrof een veroordeling door de kinderrechter uit 2011. Hierna is verdachte niet meer voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking gekomen. De beschreven incidenten in het PBC-rapport die zien op het gebruik van geweld door verdachte, vonden in zijn puberteit plaats. Weliswaar benoemen zijn zus en stiefvader in het milieuonderzoek van het PBC dat er in de relatie van verdachte met zijn inmiddels ex-partner sprake was van (wederzijds) huiselijk geweld, maar dit kan bij gebrek aan verdere informatie niet worden vastgesteld. De rechtbank kan daarom enkel concluderen dat het leven van verdachte in strafrechtelijke zin bijna vijftien jaar rustig is geweest. Daarbij is het opvallend dat zijn middelengebruik volgens zijn omgeving in die periode juist toenam.
De rechtbank leidt verder uit het dossier af dat er al geruime tijd sprake was van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en zijn moeder, waarbij zij hem financieel onderhield. Op de zitting heeft verdachte hierover verklaard dat dit voor hem benauwend was en dat het voor hem voelde alsof hij door haar ‘als een kleuter’ werd behandeld. Ook heeft hij eerder in een politieverhoor verklaard dat hij zich door haar ‘klemgezet’ voelde met betrekking tot zijn financiën. Dit volgt ook uit berichtenverkeer tussen verdachte en zijn moeder. Dat zijn handelen situationeel van aard was en dus specifiek was ingegeven door zijn frustraties over het feit dat zijn moeder naar eigen zeggen ‘de touwtjes in handen wilde houden’, kan dan ook niet worden uitgesloten. Daar komt bij dat verdachte in zijn volwassen leven zoals hiervoor beschreven niet in justitiële zin bekend stond om gewelddadig gedrag en dat familieleden vlak na zijn arrestatie beschrijven dat zij verdachte nooit agressief meemaakten en dat hij ‘geen opvliegend karakter’ heeft.
Gelet op alle bovengenoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de bij verdachte geconstateerde stoornissen niet een zodanig gevaar voor de veiligheid van personen met zich meebrengen dat de TBS-maatregel met dwangverpleging vereist is.
Reclasseringsadvies
Naast de Pro-Justitia rapportage heeft de rechtbank ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 17 maart 2026. Daarin heeft de reclassering geadviseerd tot het opleggen van een GVM-maatregel. De reclassering heeft gerapporteerd dat zij de omschrijving van verdachte door het PBC zeer zorgelijk vindt. Dit, in combinatie met het ontbreken van schuldgevoel ten aanzien van wat verdachte zijn moeder heeft aangedaan (hij praat het niet goed, maar zij heeft het ook niet goed gedaan), maakt dat de reclassering het noodzakelijk acht dat verdachte op enige wijze wordt bijgestuurd en gecorrigeerd, al dan niet door middel van behandeling, nadat hij zijn straf heeft uitgezeten. De verwachting is namelijk dat de gediagnostiseerde persoonlijkheidsproblematiek hierna nog onverminderd aanwezig is. Omdat een toezicht met bijzondere voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) hiervoor niet als voldoende wordt geacht, is het wat de reclassering betreft wenselijk om een GVM-maatregel aan verdachte op te leggen.
Verdachte zou volgens de reclassering anders calculerend kunnen handelen, door zijn v.i. uit te zitten indien hij geen reclasseringsbemoeienis wil. Hierdoor valt de mogelijkheid tot begeleiding in dat kader weg, terwijl die wel noodzakelijk wordt geacht. De maatregel wordt in beginsel geadviseerd omdat het de werkbaarheid en de doelmatigheid van een eventuele forensische behandeling en begeleiding ten goede komt. Binnen de GVM-maatregel ontstaat de mogelijkheid om verdachte langduriger te monitoren en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van eventuele nieuwe slachtoffer(s) en de maatschappij. Deze maatregelen kunnen verlengd worden, zolang het recidiverisico hierom vraagt. Ook kan verdachte weer in hechtenis worden genomen als hij de voorwaarden overtreedt.
Oordeel rechtbank GVM-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat een GVM-maatregel moet worden opgelegd. De rechtbank vindt het gebrek aan inzicht over de drijfveren van verdachte wel zorgelijk. Bovendien is het de verwachting dat de gediagnosticeerde persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte na het uitzitten van de gevangenisstraf nog onverminderd aanwezig is en is niet uitgesloten dat verdachte terugvalt in middelengebruik. Daarom ziet de rechtbank de noodzaak van de oplegging van de GVM-maatregel om de kans op herhaling van gewelddadig gedrag zoveel mogelijk te beperken. Door middel van een (langdurig) toezicht met interventies kan worden gewerkt aan het terugdringen van het recidiverisico, onder meer in het kader van forensische behandelingen. De rechtbank volgt hiermee niet het standpunt van de raadsman van verdachte, die heeft gesteld dat verdachte al in het kader van een eventuele v.i. moet aantonen dat de risico’s voldoende zijn ingeperkt. In het reclasseringsrapport wordt immers vermeld dat een toezicht met bijzondere voorwaarden in het kader van een v.i. niet toereikend wordt geacht voor de problematiek van verdachte. Binnen de GVM-maatregel ontstaat de mogelijkheid om verdachte langduriger te monitoren en kunnen er veiligheidsmaatregelen worden opgelegd ter bescherming van de maatschappij. Deze kunnen verlengd worden, zolang het recidiverisico hierom vraagt en verdachte kan in hechtenis worden genomen als hij de voorwaarden overtreedt. Daarmee wordt het recidiverisico naar het oordeel van de rechtbank voldoende beheerst. Te zijner tijd is het aan de officier om een vordering tot tenuitvoerlegging in te dienen.
Aan de voorwaarden voor de oplegging van de GVM-maatregel van artikel 38z, eerste lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht is voldaan. De rechtbank zal daarom de GVM-maatregel opleggen aan verdachte.
Hoogte van de op te leggen gevangenisstraf
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat iedere zaak uniek is, heeft zij bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf gekeken naar straffen die in recente en (voor zover mogelijk) vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Hoewel er geen landelijke oriëntatiepunten zijn voor op te leggen straffen bij doodslag, werd – voor de verhoging van het strafmaximum – door rechtbanken veelal een bandbreedte van 8 tot 12 jaar gehanteerd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het strafmaximum voor doodslag door de wetgever per 1 juli 2023 is verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar gevangenisstraf. Deze verhoging is onder meer gelegen in de veranderde maatschappelijke opvattingen over de strafwaardigheid van levensdelicten. Dit aspect betrekt de rechtbank in strafverzwarende zin in haar overwegingen.
Verdachte heeft verklaard dat in het gesprek tussen hem en het slachtoffer seksueel misbruik door het slachtoffer bij verdachte ter sprake is gekomen, dat het slachtoffer dit tijdens het gesprek zou hebben erkend en dat dit hem “triggerde”. De rechtbank kan dit vaststellen noch ontkrachten, maar het is voor de rechtbank geen reden om dat mogelijke scenario in de strafmaat mee te wegen.
Alles afwegende acht de rechtbank – evenals de officieren van justitie – een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaar met aftrek van het voorarrest passend.
8. De vorderingen van de benadeelde partijen
Inleiding
Uit de wet (artikelen 51f en 361 van het Wetboek van Strafvordering) volgt dat als een slachtoffer van een strafbaar feit is overleden, de nabestaanden en naasten zich kunnen voegen in de strafprocedure en schadevergoeding kunnen vragen. De schade waarvoor vergoeding mogelijk is, beperkt zich tot – kort gezegd – onder meer de kosten die rechtstreeks verband houden met het overlijden (waaronder begrafeniskosten), affectieschade, schokschade (en daarmee verband houdende schade) en de schade die je als erfgenaam kunt vragen.
De vorderingen
[benadeelde partij 1] , (de dochter), [benadeelde partij 3] , (de moeder), [benadeelde partij 4] (de partner), [benadeelde partij 5] (de stiefzoon) en [benadeelde partij 2] (compagnon en huisvriend) van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij gevoegd en de volgende vorderingen ingediend:
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van € 52.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en € 35.000,- aan schokschade.
Materiële schade
Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 10.833,08 aan vergoeding van materiële schade. Voormeld bedrag bestaat uit € 7.765,43 voor de kosten van de uitvaart, € 3.032,65,- aan gederfd arbeidsinkomen en € 35,- aan parkeerkosten voor het bijwonen van alle zittingen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 52.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en € 35.000,- aan schokschade.
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert een bedrag van € 55.000,- aan vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 20.000,- aan affectieschade en € 35.000,- aan schokschade.
Materiële schade
Daarnaast vordert de benadeelde partij een bedrag van in totaal € 63,84 aan vergoeding van materiële schade. Voormeld bedrag bestaat uit de kosten van het opvragen van medische informatie ter onderbouwing van zijn vordering tot immateriële schokschade.
Benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert een bedrag van € 52.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en € 35.000,- aan schokschade.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Immateriële schade
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 52.500,- aan vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade en € 35.000,- aan schokschade.
Affectieschade
De benadeelde partijen hebben aangevoerd dat zij allen in aanmerking komen voor de vergoeding van affectieschade, nu zij allen nabestaanden zijn die kunnen worden gerekend tot de directe kring van het slachtoffer.
Door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] (stiefzoon), is hierbij aangevoerd dat hij als stiefzoon tot deze directe kring van het slachtoffer kan worden gerekend. Subsidiair doet de benadeelde partij [benadeelde partij 5] een beroep op het bepaalde in artikel 6:108, vierde lid, sub g van het Burgerlijk Wetboek. [benadeelde partij 5] beschouwde het slachtoffer als zijn tweede moeder. Daarmee kan worden vastgesteld dat hij in een zodanig hechte en affectieve relatie stond tot het slachtoffer dat hij voor vergoeding van affectieschade in aanmerking komt.
Ook de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een beroep gedaan op artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek. Als ex-schoonzoon van het slachtoffer maakte hij gedurende lange tijd deel van het gezinsleven. Verder hadden zij als zakenpartners dagelijks contact, dat was geworteld in een wederzijds vertrouwen dat kenmerkend is voor een familieband.
Schokschade
Daarnaast vorderen alle benadeelde partijen ook een bedrag aan schokschade. Zij stellen dat het in deze zaak gaat om zeer ernstige en gruwelijke feiten, waarbij het de bedoeling van verdachte is geweest om zijn handelen te verhullen of ter verdoezelen en zelfs zijn eigen familie daarover voor te liegen. De ernst en gruwelijkheid van de feiten hebben geleid tot ernstige psychische klachten bij de benadeelde partijen, die zijn veroorzaakt door het handelen van verdachte. Dit staat los van de rouw en het verdriet dat zij hebben vanwege het gemis van het slachtoffer.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben daarnaast gesteld dat zij via een videogesprek hebben gezien dat de bebloede slippers en een bebloed vuurwapen in de woning van verdachte werden aangetroffen. Deze directe visuele confrontatie met de gewelddadige gevolgen van het overlijden van het slachtoffer heeft bij hen een hevige emotionele schok teweeggebracht.
Alle benadeelde partijen hebben gevorderd dat de vergoeding tot de door hen geleden materiële en/of immateriële schade zal worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Ook hebben zij allen gevorderd dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officieren van justitie hebben zich – kort gezegd – op het standpunt gesteld dat alle vorderingen in zijn geheel kunnen worden toegewezen, met de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De schadeposten zijn voldoende onderbouwd en de gevorderde bedragen zijn redelijk en billijk. De benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 2] hebben voldoende onderbouwd dat zij in een zodanig hechte en affectieve relatie stonden tot het slachtoffer waardoor zij een beroep kunnen doen op de ‘hardheidsclausule’ van artikel 6:108, vierde lid, sub g van het Burgerlijk Wetboek.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van de gevorderde affectieschade door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] geen opmerkingen gemaakt. Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 2] heeft de raadsman opgemerkt dat zij niet in aanmerking komen voor de gevraagde affectieschade, nu zij – kort gezegd – niet in een zodanig hechte en affectieve relatie stonden tot het slachtoffer waardoor zij in aanmerking komen voor affectieschade.
Met betrekking tot de toekenning van de gevraagde schokschade door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] heeft de raadsman verzocht om te volstaan met het bedrag dat in de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldbedragen bij persoonsaantastingen) onder de artikelen 14.1 en 14.2 staat vermeld. Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 4] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 2] heeft de raadsman opgemerkt dat zij niet in aanmerking komen voor de gevraagde schokschade, nu zij op indirecte wijze kennis hebben genomen van het delict en daarmee dus niet direct zijn geconfronteerd. Ook is onvoldoende onderbouwd dat er aanspraak bestaat op schokschade door psychisch letsel. Tot slot heeft de raadsman ook de hoogte van de gevorderde bedragen betwist.
De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt over de gevraagde materiële schade door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 4] .
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst ingaan op de door de benadeelde partijen gevorderde schokschade en daarna de verschillende gevorderde posten per benadeelde partij bespreken.
Bij de beoordeling van de vorderingen tot schadevergoeding merkt de rechtbank op voorhand op dat dit een juridische beoordeling betreft van de schadeposten en niet een oordeel betreft over het leed en verdriet bij de nabestaanden.
Schokschade
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen tegen degene bij wie die confrontatie met die daad een hevige emotionele schok teweegbrengt. De rechtbank moet toetsen of de gepleegde onrechtmatige daad direct heeft geleid tot een hevige emotionele schok bij de benadeelde partijen, waaruit bij hen geestelijk letsel is voortgevloeid. De vaststelling van de hoogte van de geleden schokschade geschiedt op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en de verwachting ten aanzien van het herstel.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] hebben hiertoe aangevoerd dat er bij hen een posttraumatische stressstoornis (PTSS) is geconstateerd en dat zij naast een intensief behandeltraject ook EMDR-therapie zullen moeten volgen. Ook de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 5] zullen EMDR-therapie moeten volgen en behandeling krijgen in verband met de bij hen geconstateerde PTSS-klachten. In het geval van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] is een brief van zijn huisarts bijgevoegd waarin is beschreven dat er een vermoeden is dat hij PTSS heeft opgelopen en dat wordt geadviseerd om hem te verwijzen voor verdere diagnostiek en een eventuele behandeling.
De rechtbank stelt op basis van deze onderbouwing vast dat alle benadeelde partijen psychische klachten hebben, waarvoor een behandeling aangewezen is. Op grond van de door de benadeelde partijen overgelegde stukken kan echter niet worden vastgesteld wat de precieze ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk hoelang de behandelingen zullen duren en wat de verwachte prognose is met betrekking tot het (eventuele) herstel van het opgelopen geestelijk letsel. Los van de vraag of het geestelijk letsel het gevolg is geweest van een hevige emotionele schok zoals bedoeld in de wet, hebben benadeelde partijen op dit moment niet duidelijk gemaakt wat de grondslag van de hoogte van het schadebedrag is. Daarvoor is nader onderzoek vereist. Reeds om deze reden moeten de benadeelde partijen in hun vordering tot vergoeding van schokschade niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat dit strafproces zich niet leent voor dit nadere onderzoek. De benadeelde partijen kunnen dit deel van hun vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Affectieschade
Het kind van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub d van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en toewijsbaar.
Materiële schade
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade is voldoende toegelicht en onderbouwd. De hoogte is niet betwist. De rechtbank zal aan materiële schade in totaal een bedrag van € 10.833,08 toewijzen.
Totaal toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toewijzen tot een bedrag van € 28.333,08, bestaande uit € 17.500,- aan immateriële schade en € 10.833,08 aan materiële schade.
De wettelijke rente over het immateriële schadebedrag is toewijsbaar vanaf 9 januari 2025.
De wettelijke rente over de kosten van de uitvaart ter hoogte van € 7.765,43, is toewijsbaar vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Gelet op de overgelegde factuur en de betalingstermijn stelt de rechtbank die datum vast op 16 januari 2025.
De wettelijke rente over gederfde arbeidsinkomsten en de gemaakte parkeerkosten (ter hoogte van respectievelijk € 3.032,65,- en € 35,-) is toewijsbaar vanaf het moment van het indienen van de vordering op 19 maart 2026, omdat niet duidelijk is gemaakt per welke datum die schade is geleden. Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van het totaalbedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Affectieschade
De ouder van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub c van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en toewijsbaar.
Totaal toegewezen bedrag
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toewijzen tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025. Daarnaast zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Affectieschade
De levensgezel van een door misdrijf overleden persoon komt op grond van artikel 6:108 lid 3 jo. lid 4 sub b van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking voor vergoeding van affectieschade. De vordering is ter zitting niet betwist. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en toewijsbaar.
Materiële schade
De door de benadeelde partij gevorderde materiële schade heeft betrekking op de onderbouwing van de vordering tot betaling van schokschade. Omdat de benadeelde partij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, geldt dat ook voor de daarmee samenhangende posten. De benadeelde partij is voor het bedrag aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering.
Totaal toegewezen bedrag
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toewijzen tot een bedrag van € 20.000,- bestaande uit immateriële schade. De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 9 januari 2025. Daarnaast zal de rechtbank ten aanzien van het totaalbedrag de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Affectieschade
In artikel 6:108 lid 4 sub d van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat kinderen van het overleden slachtoffer voor vergoeding van affectieschade in aanmerking kunnen komen.
Hieronder vallen geen stiefkinderen, zodat de vordering op deze grondslag niet toewijsbaar is.
Als een stiefkind ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene stond, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek als naaste wordt aangemerkt bestaat aanspraak op vergoeding voor affectieschade. Dat staat in artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek.
Voor het bewijs van het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond, waarbij niet de formele, maar de feitelijke relatie beslissend is. Alle omstandigheden van het geval zijn daarbij van belang, waaronder de intensiteit, de aard en de duur van de relatie. Hiertoe overweegt de rechtbank dat deze bepaling volgens de wetgever enkel is bedoeld voor uitzonderlijke omstandigheden, waarbij volgens de toelichting op de wet bijvoorbeeld kan worden gedacht aan een relatie van broers en zussen die langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen.
De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft op de zitting toegelicht dat hij van zijn 16de tot zijn 24ste levensjaar met het slachtoffer in gezinsverband heeft samengewoond. Dit is inmiddels ongeveer vijftien jaar geleden en in de tussentijd heeft de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ook geruime tijd geen contact gehad met het slachtoffer. Ten tijde van het overlijden van het slachtoffer woonden zij en de benadeelde partij [benadeelde partij 5] al langere tijd niet meer in hetzelfde huis.
Deze omstandigheden tonen weliswaar aan dat [benadeelde partij 5] in een bijzondere relatie tot het slachtoffer stond, maar ze zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een zodanig nauwe persoonlijke relatie als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [benadeelde partij 5] als naaste moet worden aangemerkt als bedoeld in dat artikel. De vordering moet daarom worden afgewezen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Affectieschade
Ook de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft een beroep gedaan op artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek. Daarvoor geldt dezelfde maatstaf als die hiervoor bij [benadeelde partij 5] is vermeld.
Volgens [benadeelde partij 2] stond hij in een zodanig nauwe en persoonlijke betrekking tot het slachtoffer dat kan worden gesproken van een familieband. Hij heeft daarbij gesteld dat er sprake was van een hechte vriendschap met het slachtoffer, die werd versterkt door het feit dat zij ook op zakelijk vlak nauw met elkaar verbonden waren. Zij kwamen ook privé vaak bij elkaar over de vloer.
Alhoewel het de rechtbank uit de toelichting en de stukken duidelijk is geworden dat ook [benadeelde partij 2] een bijzondere band had met het slachtoffer, zijn deze omstandigheden ook niet voldoende om de hoge drempel in artikel 6:108 lid 4 sub g van het Burgerlijk Wetboek te halen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een zodanig nauwe persoonlijke relatie, dat uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste moet worden aangemerkt. De vordering moet worden afgewezen.
9. Beslag
Onder verdachte zijn volgens de beslaglijst van 18 februari 2026 de volgende voorwerpen in beslag genomen:
De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen revolvers en kogelonderdelen moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het strafvorderlijk beslag op de in beslag genomen aanhanger kan volgens de officieren van justitie vervallen en strafrechtelijk retour naar verdachte. Er rust nog wel conservatoir beslag op de aanhanger.
De raadsman van verdachte heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.
Het oordeel van de rechtbank
De in beslag genomen revolvers en munitie worden door de rechtbank onttrokken aan het verkeer, nu hiermee de onder feit 1, feit 3 en feit 4 bewezen geachte feiten zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in beslag genomen aanhanger, die toebehoort aan verdachte.
10. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36d, 36f, 38z, 45, 57, 60a, 151 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
Doodslag.
Ten aanzien van feit 2:
Poging tot een lijk wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Ten aanzien van feit 3 en feit 4:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 (zeventien) jaar.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
GVM-maatregel
Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.
Vorderingen benadeelde partijen
1. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toetot een bedrag van € 28.333,08 (achtentwintigduizend driehonderddrieëndertig euro en acht eurocent), bestaande uit € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 en een bedrag van € 10.833,08 (tienduizend achthonderddrieëndertig euro en acht eurocent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.765,43 vanaf 16 januari 2025 en de wettelijke rente over € 3.032,65 en over € 35,- vanaf 19 maart 2026, telkens tot de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat een bedrag van € 28.333,08 (achtentwintigduizend driehonderddrieëndertig euro en acht eurocent), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 143 (honderddrieënveertig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
2. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toetot een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro) bestaande uit vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 tot de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat een bedrag van € 17.500,- (zeventienduizend vijfhonderd euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
3. Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-- (twintigduizend euro)bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 9 januari 2025 tot de voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd. Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat een bedrag van € 20.000,- (twintigduizend euro), te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 117 (honderdzeventien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
4.Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van schokschade en wijst af de vordering tot vergoeding van affectieschade
5. Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering tot vergoeding van schokschade en wijst af de vordering tot vergoeding van affectieschade.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Gelast de teruggave aan veroordeelde [verdachte] van:
1 STK Aanhanger (G6611802).
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J. Muller en J.M. Bos, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.