RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12130599 \ KK EXPL 26-160
Vonnis in kort geding van 21 april 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. T.J. Hidding,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T. Teke.
1. De procedure
Bij dagvaarding van 12 maart 2026 heeft [eiseres] in kort geding een voorziening gevorderd.
Op 30 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand aan de zitting hebben [eiseres] en [gedaagde] producties ingediend. Daarbij was namens [gedaagde] aanwezig [naam 1] (manager), bijgestaan door de gemachtigde. Ook [eiseres] was aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen, mede aan de hand van pleitnotities, naar voren hebben gebracht.
De zaak is op verzoek van partijen aangehouden om te bezien of zij tot een vergelijk konden komen. Dit is niet gelukt en [eiseres] heeft om vonnis gevraagd. Daarop is een datum voor vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] exploiteert een bar- en lounge-café op de [locatie] . [eiseres] werkt sinds 1 augustus 2015 bij [gedaagde] in de functie van medewerker bediening, aanvankelijk via een uitzendbureau en later rechtstreeks bij [gedaagde] , op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO-Horeca van toepassing. [eiseres] verdient € 16,- bruto per uur.
Eind 2022 heeft bij [gedaagde] een incident met een klant plaatsgevonden, waarna [eiseres] haar telefoon heeft afgegeven aan een beveiliger van de klant van [gedaagde] . [gedaagde] heeft voor [eiseres] een leen-toestel aangeschaft.
Op 5 juli 2025 was [eiseres] aan het werk bij [gedaagde] . Die dag is zij tijdens haar shift naar huis gegaan. Na deze datum heeft [eiseres] voor [gedaagde] geen werkzaamheden meer verricht.
Op 31 juli 2025 heeft (een goede vriend van) [eiseres] per e-mail om hulp gevraagd bij het wijkteam.
Op 7 augustus 2025 heeft [eiseres] het volgende via Whatsapp aan de eigenaar van [gedaagde] geschreven: “Have fun!! I’m still super exhausted.. but resting a lot. Big hugs for [naam 2] .”
Op 15 september 2025 heeft de eigenaar van [gedaagde] aan [eiseres] het volgende via Whatsapp geschreven: “Goodmorning sweetie. [naam 3] is here. We have big fun. Do you want to come and join us. You can fly today @evening time. Have a wonderful week to you.”
[eiseres] schreef: “Hey [naam 4] ! I’m still super weak and busy with solutions for my house. Big problems for me very stressful. So with both reasons I’m not able to fly or go away ;( Hope to see you soon.”
De eigenaar van [gedaagde] schreef vervolgens: “How much do you need?”.
[eiseres] heeft hierop op 17 september 2025 als volgt gereageerd: “Well I’m borrowing a lot of money off my parents since I don’t have an income neither can’t get help from gemeente (ziektewet) cause I’ve never been on paper. So I’m pretty much fucked. I’m looking for a company who can put me in contact although I’m not able to work from my health. But probably I have to sell the house soon and live with my parents.”
Bij brief van 29 januari 2026 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] onder meer verzocht om betaling van achterstallig loon.
3. Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat – betaling van achterstallig loon vanaf 6 juli 2025, vermeerderd met de wettelijke verhoging, veroordeling van [gedaagde] tot het inschakelen van een bedrijfsarts op straffe van een dwangsom en betaling van € 3.630, - aan schadevergoeding, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Op 5 juli 2025 heeft [eiseres] zich tijdens haar shift mondeling bij haar manager ziekgemeld. [gedaagde] heeft het loon van [eiseres] tijdens haar ziekte niet doorbetaald. Daarnaast heeft [gedaagde] geen bedrijfsarts ingeschakeld, terwijl zij dit als goed werkgever wel behoort te doen. Tot slot heeft [eiseres] tijdens haar werk haar telefoon aan een beveiliger van een klant van [gedaagde] moeten afgeven, waardoor zij een cursus opnieuw heeft moeten aanschaffen. [gedaagde] moet deze cursuskosten vergoeden, zo stelt [eiseres] .
[gedaagde] voert verweer. Daarop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Een vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als de eisende partij daarbij een spoedeisend belang heeft. Voldoende is gebleken dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.
Verder is voor toewijzing van de vordering in dit kort geding vereist dat de aan die vordering ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.
Partijen verschillen van mening over de vraag wat er op 5 juli 2025 is gebeurd. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat zij zich op deze datum (mondeling) heeft ziekgemeld. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat [eiseres] op deze datum de arbeidsovereenkomst (mondeling) heeft opgezegd. De kantonrechter overweegt hierover als volgt.
Volgens vaste rechtspraak geldt dat voor de opzegging door een werknemer is vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Een dergelijke ondubbelzinnige verklaring ontbreekt in dit geval. Uit niets blijkt dat [eiseres] de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat [eiseres] op 5 juli 2025 zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Maar zelfs als [eiseres] zelf de arbeidsovereenkomst mondeling zou hebben opgezegd, dan nog geldt dat [gedaagde] als (goed) werkgever had moeten onderzoeken of [eiseres] de beëindiging daadwerkelijk wilde en haar had moeten voorlichten over de gevolgen van de opzegging. Niet gesteld of gebleken is dat dit is gebeurd. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat zij [eiseres] niet hoefde voor te lichten over de gevolgen van de opzegging omdat zij in het verleden al een keer de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] zelf heeft opgezegd. Ook dan rust namelijk op [gedaagde] de plicht om te onderzoeken of [eiseres] dit keer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst daadwer-kelijk wilde. De opzegging door [eiseres] , als deze er al zou zijn, is dan ook niet rechtsgeldig en dit heeft tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog voortduurt.
Gelet op de overgelegde stukken en de toelichting van [eiseres] ter zitting acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat [eiseres] op 5 juli 2025 door ziekte is uitgevallen. Uit de overgelegde Whatsapp-correspondentie tussen [eiseres] en de eigenaar van [gedaagde] volgt dat [eiseres] heeft aangegeven dat zij vanwege haar gezondheid niet in staat was om te werken (zie r.o. 2.5 en 2.6). Als voor [gedaagde] enige onduidelijkheid zou bestaan over de vraag of [eiseres] zich had ziekgemeld, dan had zij dit in ieder geval uit de Whatsapp-berichten van [eiseres] moeten afleiden.
[eiseres] heeft tijdens ziekte recht op doorbetaling van haar loon (artikel 7:629 BW). De vordering tot doorbetaling van loon totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, is dan ook toewijsbaar. Met betrekking tot het toe te wijzen bedrag aan loon op grond van de arbeidsomvang, oordeelt de kantonrechter als volgt.
[eiseres] stelt dat voor de loonbetaling moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 32 uur per week en een uurloon van € 16,- bruto. Zij stelt dat zij deze uren feitelijk gewerkt; het aantal gewerkte uren dat op haar loonstroken (te weten 5 uur per week) staat, klopt niet. Het loon werd contant (zwart) uitbetaald en komt dan ook niet overeen met de loonstroken. Ter onderbouwing heeft [eiseres] de wekelijkse roosters over de periode januari tot en met maart 2025 overgelegd. [gedaagde] daarentegen stelt dat voor de hoogte van het loon moet worden uitgegaan van de loonstroken en een arbeidsomvang van 5 uur per week. De roosters zeggen volgens [gedaagde] niets, want er kunnen wijzigingen zijn opgetreden; er werd veelvuldig van dienst gewisseld tussen de medewerkers.
De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de feitelijke arbeidsomvang van [eiseres] 32 uur per week was en niet 5 uur per week zoals vermeld op haar loonstroken. De overgelegde weekroosters laten vrij constant een ingeroosterde inschakeling van 32 uur per week zien. Toegegeven kan worden dat niet met zekerheid te zeggen is dat het rooster ook daadwerkelijk zo werd uitgevoerd. Tegenover de stelling van [eiseres] dat dat altijd zo was, kon [gedaagde] echter niet volstaan met een algemene betwisting. Zij had aan de hand van voorbeelden duidelijk moeten maken wanneer en hoe vaak bij [eiseres] is afgeweken van het rooster en zij (veel) minder dan haar ingeroosterde uren heeft gewerkt. Dit heeft zij nagelaten.
[gedaagde] heeft nog een beroep gedaan op rechtsverwerking en de vervaltermijn van twee maanden (artikel 7:686a BW). De kantonrechter heeft hiervoor overwogen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen nog voortduurt. De vervaltermijn is in dit geval daarom ook niet van toepassing. Ook het beroep op rechtsverwerking slaagt niet. Uitgangspunt bij de beoordeling van een beroep op rechtsverwerking is dat enkel stilzitten, en dus tijdsverloop, geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is daarnaast de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken. Deze omstandigheden zijn de kantonrechter niet gebleken. [eiseres] heeft zich sinds 5 juli 2025 niet beschikbaar gesteld voor werk, omdat zij vanaf die datum ziek is. Daarnaast is het juist dat [eiseres] niet direct aanspraak heeft gemaakt op loonbetaling, maar uit de door haar overgelegde stukken en gegeven toelichting blijkt dat zij niet direct op de hoogte was dat zij recht had op loondoorbetaling. Zij is daar pas achter gekomen toen zij zich bij verschillende instanties heeft gemeld. Toen [eiseres] uiteindelijk op de hoogte was van haar rechten als werknemer, heeft zij spoedig bij [gedaagde] aan de bel getrokken. Het beroep op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.
De loonvordering van [eiseres] , gebaseerd op een arbeidsomvang van 32 uur per week, is dus toewijsbaar. Op grond van de wet moet [gedaagde] over het loon de wettelijke verhoging betalen (artikel 7:625 BW). Gezien de omstandigheden van deze zaak ziet de kantonrechter aanleiding deze vergoeding te matigen tot 20%.
[eiseres] vordert ook dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een bedrijfsarts in te schakelen. De kantonrechter heeft hiervoor overwogen dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] zich op 5 juli 2025 heeft ziekgemeld. [gedaagde] heeft nog geen bedrijfsarts ingeschakeld, terwijl zij daartoe op grond van de Wet verbetering Poortwachter wel verplicht is. De bedrijfsarts beoordeelt of sprake is van ziekte en wanneer en voor hoeveel uren [eiseres] weer (re-integratie) werkzaamheden kan gaan verrichten. [gedaagde] zal daarom zoals gevorderd worden veroordeeld om een bedrijfsarts in te schakelen. Anders dan [eiseres] ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. De loondoorbetalingsverlichting is voldoende om een snelle inschakeling te bewerkstelligen.
Tot slot vordert [eiseres] een bedrag van € 3.630, - aan schadevergoeding. Zij stelt dat zij in de uitoefening van haar werkzaamheden schade heeft geleden, omdat zij tijdens werk haar telefoon aan (de beveiliger van) een klant moest afgeven, waardoor zij een lopende cursus niet meer kon volgen en zij kosten heeft gemaakt om de cursus opnieuw aan te schaffen. De kantonrechter wijst deze vordering af. Mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] heeft [eiseres] onvoldoende onderbouwd dat het verlies van haar telefoon ervoor heeft gezorgd dat zij de door haar aangeschafte cursus niet meer kon volgen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiseres] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
577,00
- nakosten
€
72,00
Totaal
€
742,00
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van achterstallig loon op basis van de toepasselijke CAO Horeca vanaf 6 juli 2025 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, uitgaande van een arbeidsomvang van 32 uur per week en een uurloon van € 16,- bruto,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging van 20% over het loon als bedoeld in overweging 5.1. voor zover deze reeds is verschuldigd,
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot het inschakelen van een bedrijfsarts,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 742,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van de griffier, mr. K. Hart.
66531.MVU