RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-043136-26
Datum uitspraak: 28 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 21 januari 2026 door the Circuit Court in Gorzów Wielkopolski, the 2nd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda, aanwezig via een videoverbinding, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Circuit Court of Law in Gorzów Wielkopolski van
21 augustus 2024 met kenmerk II K 8/24.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, 11 maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich beiden op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat uit de aanvullende informatie van 25 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van 21 augustus 2024 met kenmerk II K 8/24 vertegenwoordigd is door een gemachtigde advocaat. Daarnaast hoeft de omzettingsbeslissing niet getoetst te worden aan de vereisten van artikel 12 OLW omdat er geen sprake is van een veroordeling voor een nieuw strafbaar feit. Het gaat om een ‘kale’ omzetting.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van het EAB en de aanvullende informatie van 25 maart 2026 vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van 25 maart 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, een gemachtigd advocaat had om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dan ook niet van toepassing.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. De tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf is bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 25 maart 2026 blijkt dat de tenuitvoerlegging van de straf is bevolen omdat de opgeëiste persoon de bijzondere voorwaarden heeft overtreden, namelijk het niet betalen van een boete, het vergoeden van de proceskosten en het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer. De tenuitvoerleggingsbeslissing was niet het gevolg van het plegen van een nieuw strafbaar feit.
De beslissing tot tenuitvoerlegging zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW. Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.
5. Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
6. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de raadsman en de officier van justitie
De opgeëiste persoon beroept zich op de weigeringsgrond van artikel 6a OLW en de raadsman en de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6a OLW.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
In een uitspraak van 13 december 2023, gewezen in het kader van de behandeling van een ander jegens de opgeëiste persoon uitgevaardigd EAB met parketnummer 13-170486-23, heeft de rechtbank geoordeeld dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Dat oordeel neemt de rechtbank in deze zaak over. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon zijn duurzaam verblijfsrecht nadien is verloren, zodat aan het eerste vereiste is voldaan.
Uit de brief van de IND van 24 maart 2026 volgt niet de verwachting dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht als gevolg van de veroordeling zal verliezen. Aan het tweede vereiste is dan ook voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Het feit is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
oplichting.
Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische en familiale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak C.J. In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU - kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat is vereist voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
In deze zaak zijn op 8 april 2026 het certificaat en het veroordelende vonnis van 21 augustus 2024 met kenmerk II K 8/24 ontvangen. Dit betekent dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
7. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
8. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
9. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.
10. Beslissing
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Gorzów Wielkopolski, the 2nd Criminal Division.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [de opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.