ECLI:NL:RBAMS:2026:4192

ECLI:NL:RBAMS:2026:4192

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 28-04-2026
Zaaknummer 13-061954-26
Rechtsgebied Strafrecht; Europees strafrecht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB Polen, tussenuitspraak, artikel 12 OLW: verzamelvonnissen, aanhouding i.v.m. vragen over artikel 12 OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-061954-26 (EAB 2)

Datum uitspraak: 28 april 2026

TUSSEN-UITSPRAAK

op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 13 mei 2025 door the Circuit Court of Zielona Góra, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] (Polen),

feitelijk verblijfadres: [verblijfadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 april 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verzamelvonnis van 30 juni 2017 van the District Court of Zielona Góra dat in stand is gelaten bij verzamelarrest van 14 december 2017 van the Circuit Court of Zielona Góra met kenmerk VII Ka 967/17. In deze verzamelprocedure zijn vrijheidsbenemende straffen samengevoegd die zijn opgelegd bij de volgende beslissingen:

1. vonnis van 30 november 2015 van the District Court of Golub-Dobrzyń met kenmerk II K 9/15, in stand gelaten bij arrest van 2 juni 2016 van the Circuit Court of Toruń met kenmerk IX Ka 120/16. Opgelegd is een straf van 2 jaar en 10 maanden.

2. verzamelvonnis van 31 augustus 2016 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk VII K 304/16. Opgelegd is een straf van 3 jaar. Dit betreft een samenvoeging van de vrijheidsstraffen die zijn opgelegd bij de volgende beslissingen:

2a. vonnis van 1 september 2015 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk VII K 545/15. Opgelegd is een straf van 1 jaar en 4 maanden. Bij beslissing van 7 november 2019 van the District Court of Żary met kenmerk II Ko 2314/19 is de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen.

2b. vonnis van 18 februari 2015 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk II K 1002/15. Opgelegd is een straf van 2 jaar.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de in de eerstgenoemde verzamelprocedure opgelegde vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en één dag.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit ten aanzien van het (onderliggende) vonnis van 1 september 2015 met kenmerk VII K 545/15. De raadsman heeft onder verwijzing naar een uitspraak van 24 april 2012 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangevoerd dat het voor een eerlijk proces noodzakelijk is dat de verdachte een akte van beschuldiging heeft ontvangen. In deze zaak is niet duidelijk of de opgeëiste persoon deze akte heeft gekregen.

Ten aanzien van de overige (verzamel-, dan wel onderliggende) vonnissen heeft de raadsman geen opmerkingen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Ten aanzien van het verzamelarrest van 14 december 2017, het arrest van 2 juni 2016, het verzamelvonnis van 31 augustus 2016 en het vonnis van 26 mei 2021 is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing omdat de opgeëiste persoon blijkens het EAB en de aanvullende informatie in persoon is gedagvaard voor de zitting(en).

Ten aanzien van het vonnis van 18 februari 2015 is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW evenmin van toepassing omdat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij het proces.

De toetsing van de tenuitvoerleggingsbeslissing van 7 november 2019 aan artikel 12 OLW kan achterwege worden gelaten nu uit de aanvullende informatie van 13 april 2026 blijkt dat er geen tenuitvoerleggingsbeslissing is geweest.

Tot slot kan ten aanzien van het vonnis van 1 september 2015 worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De opgeëiste persoon heeft de oproep niet opgehaald en heeft daarmee stilzwijgend afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Voor zover er in de navolgende procedures een hoger beroep heeft plaatsgevonden, stelt de rechtbank vast dat in die instantie de zaak definitief ten gronde is afgedaan en zal zij het proces in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.

Ten aanzien van het verzamelarrest van 14 december 2017 van the Circuit Court of Zielona Góra met kenmerk VII Ka 967/17:

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dat arrest heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB, toegezonden bij de aanvullende informatie van 2 april 2026, vermeldt dat de opgeëiste persoon op 14 november 2017 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

De opgeëiste persoon is op 12 maart 2020 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Bij beslissing van the Circuit Court of Zielona Góra van 2 september 2021 is de voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen en is tenuitvoerlegging van de resterende vrijheidsstraf bevolen.

Ten aanzien van de tenuitvoerleggingsbeslissing van 2 september 2021 van the Circuit Court of Zielona Góra met kenmerk III Kow 1188/21:

Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgeschorte straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW.

Uit de aanvullende informatie van 2 april 2026 blijkt dat de tenuitvoerlegging van het resterende strafdeel is bevolen omdat de opgeëiste persoon veroordeeld is voor een nieuw strafbaar feit bij vonnis van 26 mei 2021 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk II K 91/21. Deze beslissing zal de rechtbank daarom toetsen aan de vereisten van artikel 12 OLW.

Ten aanzien van het “triggerende” vonnis van 26 mei 2021 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk II K 91/21: Allereerst merkt de rechtbank op dat dit vonnis de veroordeling betreft uit EAB 1 met parketnummer 13-161781-25. De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB (in EAB 1) vermeldt dat de opgeëiste persoon op 4 mei 2021 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

De beslissing tot tenuitvoerlegging van 2 september 2021 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW.

1. Ten aanzien van het arrest van 2 juni 2016 van the Circuit Court of Toruń met kenmerk IX Ka 120/16: De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB, toegezonden bij de aanvullend informatie van 13 april 2026, vermeldt dat de opgeëiste persoon op 22 april 2016 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

2. Ten aanzien van het verzamelvonnis van 31 augustus 2016 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk VII K 304/16: De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid. Onderdeel d) van het EAB, toegezonden bij de aanvullende informatie van 2 april 2026, vermeldt dat de opgeëiste persoon op 26 juli 2016 in persoon is opgeroepen, waarbij hij is geïnformeerd over de datum en de plaats van de zitting en erop is gewezen dat een beslissing kan worden genomen indien hij niet verschijnt. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW doet zich dus voor, zodat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

2a. Ten aanzien van het onderliggende vonnis van 1 september 2015 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk VII K 545/15: De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Gelet daarop kan de overlevering op basis van artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet echter vooralsnog onvoldoende basis om te kunnen afzien van weigering. Niet duidelijk is of de opgeëiste persoon tijdens het verhoor duidelijk is gemaakt dat hij zou (kunnen) worden vervolgd voor het feit waarover hij werd gehoord. Uit de informatie kan niet worden afgeleid of hij als verdachte is verhoord over de verdenking die tot de veroordeling van 1 september 2015 heeft geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de enkele omstandigheid dat de opgeëiste persoon (1) is verhoord door de politie op 29 oktober 2014 en dat hij (2) naar Pools recht verplicht was de autoriteiten over eventuele adreswijzigingen in te lichten, niet zonder meer tot de conclusie leiden dat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht of kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld. Uit die omstandigheden kan niet zonder meer worden afgeleid dat de opgeëiste persoon voldoende op de hoogte was van de concrete beschuldiging jegens hem. Dit laatste is wel een vereiste voordat kan worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon (al dan niet impliciet) afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht dan wel met betrekking tot de uitoefening van dat aanwezigheidsrecht kennelijk onzorgvuldig heeft gehandeld.

De rechtbank kan niet met zekerheid vaststellen of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat er een strafrechtelijke procedure tegen hem liep dan wel dat hij daarmee redelijkerwijs rekening moest houden en of hij al dan niet stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces of dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

Om die reden zal de rechtbank het onderzoek heropenen en schorsen voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit:

Onderdeel d) van het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon op 29 oktober 2014 een “interview” had. Is de opgeëiste persoon in dit verhoor verhoord als verdachte in de strafzaak met kenmerk VII K 545/15? Is de opgeëiste persoon tijdens het ‘interview’ op 29 oktober 2014 op de hoogte geraakt of gebracht van de concrete beschuldiging (waarvoor hij op 1 september 2015 is veroordeeld) en dat hij daarvoor strafrechtelijk zou (kunnen) worden vervolgd?

Ten aanzien van de tenuitvoerleggingsbeslissing van 7 november 2019 van the District Court of Ż ary met kenmerk II Ko 2314/19 : De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 13 april 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt met betrekking tot deze beslissing:

"(...) Proceedings VII K 545/15 concluded with a judgment imposing a 1 year and 4 months custodial sentence on Mr [de opgeëiste persoon] , not suspended. So section D of the EAW in error states that this sentence was suspended and then activated - I apologise for the confusion this misleading information may have caused(...)"

Op grond van deze aanvullende informatie stelt de rechtbank vast dat er geen tenuitvoerleggingsbeslissing is geweest in de procedure met kenmerk VII K 545/15.

2b. Ten aanzien van het onderliggende vonnis van 18 februari 2015 van the District Court of Zielona Góra met kenmerk II K 1002/15: Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Daarom is artikel 12 OLW niet van toepassing op dit vonnis.

5. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

diefstal, meermalen gepleegd;

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

oplichting.

6. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaken, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7. Beslissing

HEROPENT het onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de in paragraaf 4 vermelde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.

VERLENGT de beslistermijn op grond van artikel 22, derde lid, OLW met 30 dagen.

BEPAALT dat de zaak vóór 17 mei 2026 (de beslistermijn verstrijkt op 31 mei 2026) op zitting wordt aangebracht tegelijkertijd met de zaak met parketnummer 13-061954-26 (EAB 1).

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman tegen nader te bepalen datum en tijdstip.

BEVEELT de oproeping van een tolk voor de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. D.L.S. Ceulen en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 april 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. O.P.M. Fruytier

Griffier

  • mr. M.J. Gauneau

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand