ECLI:NL:RBAMS:2026:4209

ECLI:NL:RBAMS:2026:4209

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 28-04-2026
Datum publicatie 29-04-2026
Zaaknummer 13.088791-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Openlijke geweldpleging (art. 141 Sr). Gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden. Vordering benadeelde partij toegewezen o.a. 6000 euro smartengeld.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Strafrecht

Parketnummers: 13.088791-25 (A) en 13-266006-24 (B) en 13-154134-25 (C)

Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging (tul): 13.107496-21 en 15.289836-22

Datum uitspraak: 28 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2004 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven en wonend op het adres [BRP-adres]

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen, en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.G. Schol, naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft voorts [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de slachtofferverklaring en de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1] en de toelichting daarop van zijn advocaat mr. D. Fontein.

De zaken tegen de verdachte zijn gelijktijdig behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

2. Tenlastelegging

In zaak A wordt de verdachte – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 21 maart 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan 1. openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en 2. mishandeling van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

In zaak B wordt de verdachte– kort gezegd – ervan beschuldigd dat hij zich op 9 augustus 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan openlijk in vereniging geweld plegen tegen [benadeelde partij 3] .

In zaak C wordt de verdachte – kort gezegd – verweten dat hij op 15 oktober 2024 in Amsterdam al dan niet samen met een ander of anderen een scooter in brand heeft gestoken dan wel een scooter heeft beschadigd of vernield.

De tenlasteleggingen in de drie zaken staan in bijlage I en gelden als hier ingevoegd.

3. Bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte vrij te spreken van de in zaak C primair ten laste gelegde brandstichting en gerekwireerd tot bewezenverklaring van de in zaak A ten laste gelegde openlijke geweldpleging, de in zaak B ten laste gelegde openlijke geweldpleging en de in zaak C subsidiair ten laste gelegde vernieling/beschadiging van een scooter.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in zaak A verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1 en hiertoe (samengevat) het volgende aangevoerd. Uit het dossier en de camerabeelden volgt dat op 21 maart 2025 sprake was van twee afzonderlijke confrontaties die los van elkaar moeten worden beoordeeld. Het eerste incident betreft de ruzie ter hoogte van [horecagelegenheid 1] . De verdachte heeft hierover verklaard dat een aantal jongens zijn broertje [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) lastig vielen en dat hij – ter bescherming van zijn broertje – een van de jongens een klap heeft gegeven, naar alle waarschijnlijkheid [benadeelde partij 2] (hierna: [benadeelde partij 2] ). Na deze klap heeft de verdachte zich niet verder met de ruzie bemoeid. Het tweede incident betreft de confrontatie waar het in deze zaak in de kern om gaat. Op de camerabeelden is te zien dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), een andere broer van de verdachte, met een gebalde vuist [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) in het gezicht slaat, waarna [benadeelde partij 1] ten val komt en vervolgens tegen zijn hoofd wordt geschopt. De verdachte kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor de geweldshandelingen van anderen aangezien van een gezamenlijke uitvoering of nauwe en bewuste samenwerking geen sprake is geweest. Hij heeft bij het tweede incident geen geweld toegepast, maar juist ingegrepen door zijn broertje weg te trekken om verdere escalatie te voorkomen. Dit onderstreept dat het opzet van de verdachte niet was gericht op het plegen of ondersteunen van geweldshandelingen. Uit zijn handelen blijkt onmiskenbaar dat hij juist heeft beoogd het geweld te beëindigen. De conclusie is dan ook dat geen sprake is van een significante bijdrage aan openlijke geweldpleging.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat de verdediging zich voor het grootste deel aan het oordeel van de rechtbank refereert, in die zin dat kan worden vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij 2] door hem eenmaal te slaan.

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van het in zaak B tenlastegelegde en daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd. Voor een bewezenverklaring van openlijke geweldpleging is vereist dat de verdachte een voldoende significante en bijdragende rol heeft vervuld. De verdachte heeft niet een dergelijke bijdrage geleverd. De gedragingen van de verdachte beperken zich tot het meelopen met de groep en het achtervolgen van het slachtoffer; andere handelingen uit de tenlastelegging, zoals slaan, trappen of anderszins actief bijdragen aan het geweld, kunnen niet aan hem worden toegerekend. Uit de camerabeelden volgt bovendien niet dat de verdachte het slachtoffer daadwerkelijk heeft geraakt. Zelfs als van enig contact sprake zou zijn geweest, geldt dat dit niet was gericht op het toepassen van geweld, maar op het sussen en de-escaleren van de situatie.

De raadsvrouw heeft ten slotte verzocht de verdachte van wat hem in zaak C is ten laste gelegd vrij te spreken en (samengevat) het volgende aangevoerd. De herkenningen door de verbalisanten van de verdachte vormen de enige schakel tussen hem en het ten laste gelegde feit, maar zijn te onzeker om een bewezenverklaring op te baseren.

Het oordeel van de rechtbank

Zaak A feit 1 openlijk ‘in vereniging’ plegen van geweld 21 maart 2025

Feiten en omstandigheden

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen die in bijlage II staan waaronder haar eigen waarneming van de camerabeelden en het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Op 21 maart 2025 om 03:03 uur komt [medeverdachte 2] [horecagelegenheid 2] , dat is gevestigd in de [adres 1] in Amsterdam, uitlopen. Hij verlaat samen met een onbekend gebleven jongeman het terras van [horecagelegenheid 2] en loopt naar het terras voor [horecagelegenheid 1] aan de overkant van de straat. Een minuut later komen ook [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] uit [horecagelegenheid 2] . Beiden lopen naar rechts het terras van [horecagelegenheid 2] op. Kort daarna (03:04:43 uur) komen [medeverdachte 1] en de verdachte ook uit [horecagelegenheid 2] . Zij verlaten even later het terras en lopen naar links. Zij gaan vervolgens naar het terras voor [horecagelegenheid 1] waar zij om 03:06 uur bij een groepje mensen gaan staan waar kort daarvoor [medeverdachte 2] zich ook bij gevoegd had. [medeverdachte 1] gaat op om 03:08 uur rechts van het groepje staan roken.

Om 03:09 uur verlaten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] het terras van [horecagelegenheid 2] en lopen ook naar de overkant van de straat. Zij begeven zich naar [medeverdachte 2] met wie [benadeelde partij 1] eerder die nacht in [horecagelegenheid 2] een woordenwisseling had en die net een paar meter links van het eerdergenoemde groepje is gaan staan. Om 03:09:30 uur gaan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] tegenover [medeverdachte 2] staan. [medeverdachte 1] beweegt zich vervolgens richting hen. [medeverdachte 2] en [benadeelde partij 1] krijgen opnieuw een woordenwisseling. Om 03:10 uur komt ook de verdachte eraan lopen. Hij geeft [benadeelde partij 2] een klap in het gezicht (03:10:15 uur) en loopt vervolgens achteruit de straat op. Om 03:10:19 uur rent [benadeelde partij 2] weg en valt of struikelt over een geparkeerde scooter, belandt op straat, staat weer op en voelt aan zijn kaak. Op het moment dat [benadeelde partij 2] over de scooter valt, geeft [medeverdachte 2] [benadeelde partij 1] een trap. De verdachte doet vervolgens een paar stappen vooruit en lijkt weer uit te halen. Vervolgens wordt [benadeelde partij 1] ook door anderen belaagd en valt over de omgevallen scooter heen. Nadat hij overeind gekrabbeld is, wordt hij uitgedaagd door [medeverdachte 1] en loopt terug, langs [medeverdachte 1] en de verdachte, naar [horecagelegenheid 2] . [medeverdachte 1] heeft dan contact met de verdachte en loopt vervolgens ook in de richting van [horecagelegenheid 2] . Om 03:10:48 uur loopt [benadeelde partij 1] (met een rode plek in zijn gezicht) het terras van [horecagelegenheid 2] op. Als hij tien seconden later het terras weer wil verlaten, lijkt [medeverdachte 1] klaar te staan voor een confrontatie. De verdachte doet dan een stap naar voren en gaat schuin achter [medeverdachte 1] staan. Om 03:11:11 uur staan [medeverdachte 1] en [benadeelde partij 1] tegenover elkaar. Op dat moment doen [medeverdachte 2] en de verdachte een stap naar voren. [medeverdachte 1] balt zijn rechtervuist en geeft [benadeelde partij 1] een rechtse hoek tegen zijn kaak waardoor [benadeelde partij 1] neergaat. De verdachte heeft al die tijd vlak achter [medeverdachte 1] gestaan. Nadat [benadeelde partij 1] op de grond valt, komt [medeverdachte 2] , die aan de andere kant achter [medeverdachte 1] stond, direct aangerend en geeft [benadeelde partij 1] een schop tegen zijn hoofd en stampt hem vervolgens in het gezicht. Het is dan 03:11:14 uur.

Beoordelingskader ‘in vereniging’

De rechtbank stelt voorop dat van het ‘in vereniging’ plegen van geweld sprake is, als iemand een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld levert, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die ‘in vereniging’ geweld pleegt. De rechtbank moet beoordelen of de verdachte een – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict heeft geleverd en of die van voldoende gewicht is.

De rechtbank moet ook beoordelen of (net als bij medeplegen) sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk geweld plegen tegen personen of goederen. Hierbij kan van belang zijn dat, gelet op de aard van het openlijk in vereniging plegen van geweld, dit zich in verschillende vormen kan voordoen. Er kan sprake zijn van evident nauw en bewust samenwerken, maar de strafbaarstelling van dit delict is mede toepasselijk op – en wordt ook frequent toegepast bij – openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen – soms moeilijk doorzichtige – dynamiek. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan dus zeker ook bij dit delict verschillende verschijningsvormen hebben. Een bijdrage van voldoende gewicht kan onder omstandigheden ook geheel of ten dele bestaan uit het verrichten van op zichzelf niet-gewelddadige handelingen. Bij geweldshandelingen binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan ontstaan samenwerkingsverband kan uit de omstandigheid dat de verdachte zich ervan bewust was dat ook anderen deelnamen aan de openlijke geweldpleging worden afgeleid dat de verdachte opzet had op het in vereniging plegen van geweld.

De rechtbank stelt vast dat vanaf het moment dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] bij [medeverdachte 2] zijn gaan staan en er kort daarna een schermutseling tussen hen plaatsvindt, waarbij ook de verdachte en [medeverdachte 1] betrokken zijn en waarbij zowel [benadeelde partij 2] als [benadeelde partij 1] een klap in het gezicht heeft gekregen, en het moment dat [medeverdachte 2] [benadeelde partij 1] een doodschop geeft nog geen twee minuten zijn verstreken.

De rechtbank oordeelt dat, anders dan de verdediging van mening is, geen sprake is van twee afzonderlijke incidenten, maar dat het openlijke geweld dat de verdachte en zijn mededaders hebben gepleegd een aaneenschakeling van (gewelds)incidenten is.

De verdachte maakte deel uit van de groep die geweld tegen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] heeft gepleegd en was daar vanaf het begin tot het eind bij betrokken. Hij heeft door te slaan en zich achter [medeverdachte 1] op te stellen toen [benadeelde partij 1] in de richting van [medeverdachte 1] liep daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd en nauw en bewust met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] samengewerkt. Dat de verdachte uiteindelijk [medeverdachte 2] wegtrok na diens schop tegen het hoofd en stamp in het gezicht van [benadeelde partij 1] maakt, in het licht van verdachtes eerdere bijdragen aan het geweld, niet dat hij voor dat geweld niet medeverantwoordelijk is. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het als feit 1 tenlastegelegde.

Zaak A feit 2 mishandeling

De verdachte heeft [benadeelde partij 2] een klap in het gezicht te geven en daarom komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van de als feit 2 ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde partij 2] . Op de camerabeelden is te zien dat zowel de verdachte als [medeverdachte 2] een slaande beweging richting [benadeelde partij 1] heeft gemaakt, maar niet duidelijk is wie [benadeelde partij 1] uiteindelijk heeft geraakt. De rechtbank acht de mishandeling van [benadeelde partij 1] door de verdachte daarom niet bewezen.

Zaak B openlijke geweldpleging 9 augustus 2024

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met zijn vader, broer en broertje achter het slachtoffer is aangerend toen deze wegvluchtte en dat zij het slachtoffer allemaal hebben geslagen en geschopt toen het slachtoffer op de grond lag. De verdachte was van het begin tot het eind bij de openlijke geweldpleging aanwezig en heeft zich op geen enkel moment op enigerlei wijze van het geweld gedistantieerd.

De rechtbank gaat voorbij aan het verweer van de verdediging dat de verdachte alleen heeft meegelopen met de groep en het slachtoffer heeft achtervolgd en dat de andere ten laste gelegde gedragingen zoals slaan, trappen of anderszins actief bijdragen aan het geweld, niet aan hem kunnen worden toegerekend. Nog daargelaten dat het meelopen en achtervolgen onder de gegeven omstandigheden ook een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het plegen van geweld oplevert, is niet aannemelijk geworden dat de verdachte zoals hij heeft verklaard de boel heeft willen de-escaleren.

Vrijspraak zaak C brandstichting/vernieling scooter

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het in zaak C tenlastegelegde. Hoewel voor de rechtbank op grond van de processen-verbaal van herkenning wel vaststaat dat de verdachte op 15 oktober 2024 samen met een ander ( [medeverdachte 3] ) heeft staan schoppen tegen de scooter die kort daarna brandend is aangetroffen, is niet duidelijk geworden hoe de scooter vlam gevat heeft. Voor zover de scooter in brand is gestoken is ook onduidelijk of de verdachte daarbij een rol van betekenis heeft gehad. Evenmin is duidelijk geworden of door het schoppen van de verdachte tegen de scooter deze beschadigd is, onbruikbaar is geworden dan wel vernield is.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen (bijlage II) bewezen dat de verdachte de hem in zaak A onder 1 en 2 en in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan met dien verstande dat

zaak A:

1. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam, openlijk, te weten, op/aan de [adres 1] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , door

ter hoogte van [horecagelegenheid 1]

- die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te stompen of slaan in/tegen het gezicht en

ter hoogte van [horecagelegenheid 2]

2. hij op 21 maart 2025 te Amsterdam [benadeelde partij 2] heeft mishandeld door die [benadeelde partij 2] , ter hoogte van [horecagelegenheid 1] , eenmaal te slaan in het gezicht;

zaak B.

hij op 9 augustus 2024 te Amsterdam openlijk, te aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde partij 3] door voornoemde [benadeelde partij 3] meermalen, althans eenmaal

5. Kwalificatie en strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op:

A. eendaadse samenloop van: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en mishandeling;

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6. Straffen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarbij de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Het pleidooi van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest en een voorwaardelijke straf met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De verdachte wil zich aan de voorwaarden houden en volgens de reclassering heeft hij dat tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis ook gedaan.

Het oordeel van de rechtbank

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich op 21 maart 2025 en 9 augustus 2024 samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Op 21 maart 2025 heeft de verdachte samen met zijn broers tijdens het uitgaan in het centrum van Amsterdam [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in elkaar geslagen. Op 9 augustus 2024 heeft de verdachte samen met zijn vader, broer en een ander broertje een buurtbewoner achtervolgd en in elkaar geslagen. De verdachte heeft daarmee een onaanvaardbare inbreuk op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers gemaakt. Uit de slachtofferverklaring van [benadeelde partij 1] komt duidelijk naar voren wat deze vorm van zinloos geweld met hem heeft gedaan en nog altijd doet. Het handelen van verdachte veroorzaakt gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, niet alleen bij de slachtoffers zelf.

‘Adolescentenstrafrecht’?

De verdachte was toen hij de bewezen verklaarde misdrijven pleegde 20 jaar en is nu 21 jaar. Uitgangspunt is dat een verdachte die ten tijde van het door hem gepleegde strafbare feit 18 jaar of ouder is volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter – als zij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan – op grond van de Wet adolescentenstrafrecht, het (dadergerichte pedagogische) jeugdstrafrecht toepassen zolang de verdachte (ten tijde van het strafbare feit) nog geen 23 jaar was. Het ‘adolescentenstrafrecht’ is er op gericht de ‘criminele’ adolescent maximaal te stimuleren een verantwoorde rol in de samenleving op zich te nemen. Het gaat hier om verruiming van de straftoemetingsvrijheid van de rechtbank en niet om een verplichting daarvan gebruik te maken.

Reclassering Nederland heeft gekeken of er indicaties zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht en daarbij van het Wegingskader Adolescentenstrafrecht gebruikgemaakt. De reclassering is in haar rapport van 16 maart 2026 opgesteld door [reclasseringsmedewerker] tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat bij meerderjarigen het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. De verdachte komt over conform zijn kalenderleeftijd. Hij in staat is om zijn eigen gedrag te organiseren en te plannen. De verdachte is al ruime tijd werkzaam in de horeca. Ook heeft de verdachte eerder een jeugdreclasseringstraject positief doorlopen. De verdachte werkt aan het huidige toezicht bij de volwassenenreclassering mee, maar komt wel wisselend op afspraken. Een gezinsgerichte aanpak is niet meer aan de orde en schoolgang is niet meer noodzakelijk, aldus de reclassering.

De rechtbank ziet in de in de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd geen aanleiding het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank ziet onvoldoende ruimte voor pedagogische beïnvloeding. Zoals hierna aan de orde komt, heeft de reclassering ook gerapporteerd dat de verdachte in staat is zijn leven op praktisch gebied zelfstandig vorm te geven. Hij heeft bijvoorbeeld een baan en een inkomen.

Strafblad

Uit het strafblad van de verdachte van 13 januari 2026 blijkt dat hij op 21 maart 2023 veroordeeld is voor een straatroof (2020), bedrijfsinbraken, geweld tegen de politie, overtreden van de Opiumwet, vernielen en medeplegen van brandstichting en mishandeling (2021). Zes maanden later is hij veroordeeld wegens poging tot doodslag in november 2022. Zoals hierna aan de orde komt, liep de verdachte in twee proeftijden. De rechtbank weegt deze eerdere veroordelingen ten nadele van de verdachte mee.

Reclasseringsadvies

De reclassering is in het hiervoor genoemde rapport dat over de verdachte is opgemaakt tot de volgende conclusie gekomen. De verdachte staat in de zaak met parketnummer 13.088791-25 (zaak A) sinds april 2025 onder schorsingstoezicht bij Reclassering Nederland met de bijzondere voorwaarden meldplicht, begeleid wonen, locatiegebod met enkelband, dagbesteding, meewerken aan middelencontrole en indien nodig een ambulante behandeling gericht op middelengebruik. Het locatiegebod met de enkelband is er in december 2025 afgegaan omdat de reclassering vond dat het voortzetten hiervan geen toegevoegde waarde had; het droeg niet bij aan gedragsverandering en daarmee recidivevermindering op de lange termijn. Er zijn risico’s op het gebied van het psychosociaal functioneren en de familiedynamiek van de verdachte. Binnen zijn familie is men snel geneigd tot agressie wanneer ze het gevoel hebben dat hen onrecht wordt aangedaan. De verdachte vindt het dan ook van belang dat je het altijd voor je familie opneemt. Er zijn risico’s omtrent deze denkpatronen en het daaruit voortkomende gewelddadige gedrag. De verdachte heeft eerder een ambulante behandeling gericht op agressieregulatie bij de jeugdreclassering afgerond. Het is evenwel van belang dat hij een behandeling voortzet die gericht is op de denkpatronen binnen het gezin, conflicthantering en hoe hij het kan opnemen voor zijn familie zonder daarbij geweld te gebruiken. De verdachte was tijdens het tenlastegelegde (in zaak A) onder invloed van alcohol. Mogelijk heeft dit een ontremmende werking gehad. Het middelengebruik is evenwel geen directe risicofactor; het risico zit voornamelijk in de denkpatronen binnen de familie. De verdachte is aangemeld voor een behandeling bij Inforsa maar de behandelaar vond hem beter passen bij De Waag omdat middelengebruik niet voorliggend was. De verdachte staat hiervoor op de wachtlijst. Er kan tijdens de behandeling wel gesproken worden over zijn middelengebruik. Het is positief dat er stabiliteit is op verschillende leefgebieden: de verdachte heeft huisvesting, is in staat zijn leven op praktisch gebied zelfstandig vorm te geven en heeft een baan en een inkomen. Het is van belang dat het lopende schorsingstoezicht wordt voortgezet in een voorwaardelijk kader zodat de behandeling gestart kan worden. Het is daarnaast van belang dat de verdachte begeleid kan blijven wonen. Een gevangenisstraf zal mogelijk gevolgen hebben voor zijn baan; bij een gevangenisstraf van langer dan 30 dagen zou hij zijn woonplek kunnen verliezen. De verdachte is in staat om een taakstraf te verrichten.

De reclassering heeft geadviseerd een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden:

een meldplicht bij reclassering,

ambulante behandeling,

een verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang en

een contactverbod met de slachtoffers.

De rechtbank ziet in het advies van de reclassering aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer duurt dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. Wel wordt er een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden. De verdachte terugsturen naar de gevangenis, zou betekenen dat het traject dat de reclassering met de verdachte doorloopt, doorkruist wordt. Het betekent wel dat de verdachte ook de maximale taakstraf krijgt opgelegd, omdat anders onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de feiten.

Conclusie

De rechtbank houdt aan de ene kant rekening met de ernst van de feiten en het strafblad van de verdachte, en aan de andere kant de omstandigheid dat de verdachte zich tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden en ruim 8 maanden een enkelband heeft moeten dragen. Belangrijk is dat voorkomen moet worden dat de verdachte zich opnieuw misdraagt. Er moet rekening mee gehouden worden dat de verdachte nog een lange weg met de reclassering heeft te gaan. Alles afwegend concludeert de rechtbank dat verdachte op zich in aanmerking komt voor een flinke vrijheidsstraf, maar de rechtbank zal hem die straf toch niet opleggen, om voortzetting van de (voorzichtig) positieve trend niet te doorbreken en hem de kans te geven om te laten zien dat hij in staat is die trend voort te zetten. De rechtbank legt de verdachte daarom een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op die gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten (22 dagen) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden (180 dagen), met een proeftijd van 3 jaar waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden zijn verbonden. Daarnaast moet de verdachte een taakstaf uitvoeren van 240 uur die wordt vervangen door 4 maanden hechtenis als de verdachte die straf niet binnen 18 maanden goed uitvoert. De rechtbank benadrukt daarbij dat de verdachte deze kans moet pakken en dat bij volgende justitiecontacten de vergelding een grotere rol kan gaan spelen.

Dadelijk uitvoerbaar

Het is belangrijk dat de bijzondere voorwaarden meteen na de uitspraak gelden, ook als de verdachte of de officier van justitie in hoger beroep gaat. Uit het strafblad en het reclasseringsrapport volgt namelijk dat de verdachte geleerd heeft dat hij problemen met geweld moet oplossen en nog altijd denkt dat geweld de oplossing is. De rechtbank houdt er daarom ernstig rekening mee dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Zij verklaart de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht om die reden dadelijk uitvoerbaar.

7. Voorlopige hechtenis

De verdachte is in zaak A op 21 maart 2025 aangehouden en op 31 maart 2025 in bewaring gesteld nadat de rechter-commissaris de vordering inbewaringstelling had afgewezen. De rechtbank heeft op 14 april 2025 het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van 17 april 2025 geschorst en heeft daarbij een aantal bijzondere voorwaarden gesteld.

De rechtbank heft gelet op de straf die zij aan de verdachte oplegt de – geschorste –voorlopige hechtenis op.

8. Vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf

De veroordeling in de zaak met parketnummer 13.107496-21

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 13.107496-21 bij (inmiddels onherroepelijk geworden) vonnis van 21 maart 2023 wegens onder meer gekwalificeerde diefstallen, belediging, mishandeling en brandstichting gepleegd eind 2020 en begin 2021, veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar, waaraan naast een aantal bijzondere voorwaarden van rechtswege de voorwaarde is verbonden dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbare feit schuldig maakt.

De veroordeling in de zaak met parketnummer 15.289836-22

De rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte bij (inmiddels onherroepelijk geworden) vonnis van 21 september 2023 wegens poging tot doodslag veroordeeld tot een jeugddetentie van 365 dagen waarvan 174 dagen voorwaardelijk met aftrek van voorarrest met een proeftijd van 2 jaar, waaraan van rechtswege de voorwaarde is verbonden dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbare feit schuldig maakt.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de zitting schriftelijk gevorderd dat deze voorwaardelijke straffen alsnog ten uitvoer gelegd worden vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt. Zij heeft ter zitting gevorderd dat bevolen wordt dat de voorwaardelijk opgelegde straffen alsnog worden ten uitvoer gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft samengevat het volgende aangevoerd. De feiten waarop de vorderingen tenuitvoerlegging zien, zijn geruime tijd geleden, respectievelijk in 2021 en 2022, gepleegd. Tegen die achtergrond rijst de vraag in hoeverre een volledige tenuitvoerlegging nu nog een effectieve en proportionele reactie vormt. Naast een strafoplegging in de hoofdzaak zou een volledige tenuitvoerlegging bovendien leiden tot een onevenredige cumulatie van sancties. Dit alles geldt temeer gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die maken dat het nu opleggen van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf niet opportuun is.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de verdachte de algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen strafbaar feit zal plegen, niet heeft nageleefd. Zij is van oordeel dat het opnieuw plegen van een strafbaar feit tijdens een proeftijd in beginsel ertoe moet leiden dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer gelegd moet worden. Zij wijst de vordering in de zaak met parketnummer 13.107496-21 toch af. De feiten in die zaak dateren van eind 2020, begin 2021. De proeftijd van 2 jaar is op 5 april 2023 van kracht geworden. De rechtbank acht het niet opportuun om naast de straffen die in de onderhavige strafzaak worden opgelegd en de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de andere voorwaardelijke straf ook de tenuitvoerlegging van nog eens 2 maanden jeugddetentie te bevelen of deze om te zetten naar een taakstraf. De rechtbank beveelt in de zaak met parketnummer 15.289836-22 – in plaats van de tenuitvoerlegging van een gedeelte (90 dagen) van de jeugddetentie – de tenuitvoerlegging van een taakstraf van 180 uur. Als de verdachte deze taakstraf niet naar behoren verricht moet hij 90 dagen vervangende hechtenis ondergaan.

9. Vordering schadevergoeding [benadeelde partij 1]

De vordering tot schadevergoeding

[benadeelde partij 1] , slachtoffer in zaak A, heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd. Hij vordert € 2.291,67 aan vergoeding van materiële schade en € 6.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (smartengeld), in totaal € 8.291,67 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Hij heeft voorts verzocht een contactverbod aan de verdachte op te leggen.

De (gestelde) materiële schade bestaat uit:

- inkomstenderving € 1.200,00;

- kosten extra (vloeibaar) voedsel € 45,67;

- twee maal ziekenhuisdaggeldvergoeding, in totaal € 76,00;

- medische kosten (eigen risico – de rechtbank begrijpt: 2025 en 2026) 2 x € 385,00;

- kleding (vest) € 100,00;

- reiskosten € 100,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen en gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft in verband met de bepleite vrijspraak van de openlijke geweldpleging tegen de benadeelde partij verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Zij heeft subsidiair de vordering ten aanzien van het eigen risico, de reiskosten en het vest betwist bij gebrek aan (voldoende) onderbouwing en zich op het standpunt gesteld dat de vordering op dit punt moet worden afgewezen.

De verdediging heeft met verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Gelderland van 27 januari 2026 ECLI:NL:RBGEL:2026:739 aangevoerd dat de gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid niet zonder meer passend is, aangezien het concrete letsel van de benadeelde partij voortvloeit uit een specifiek geweldshandelen dat niet in gelijke mate aan alle betrokkenen kan worden toegerekend en dat in ieder geval niet door de verdachte is verricht. Zij heeft verzocht de gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid af te wijzen en, voor zover nodig, het aandeel van de verdachte in de schade te beperken tot zijn eigen bewezen gedragingen omdat het hoofdelijk verbinden van alle verdachten aan het volledige schadebedrag tot onwenselijke gevolgen leidt.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële-schadevergoeding

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het geweld dat de verdachte en zijn mededaders in vereniging tegen hem hebben gepleegd. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van de materiële schade toe tot een bedrag van in totaal € 1.711,00 zoals hierna gespecificeerd. De schadeposten die moeten worden vergoed, zijn voldoende onderbouwd en de verdediging heeft deze posten met onvoldoende argumenten weersproken. De rechtbank merkt op dat de benadeelde partij bij de politie heeft verklaard dat hij de dag na de openlijke geweldpleging weer wilde gaan werken maar dat dit echt niet ging. Zijn werkgever heeft schriftelijk verklaard dat de benadeelde partij drie weken (vijftien dagen) niet heeft kunnen werken, en ook hoeveel uur hij werkte en wat hij in die periode per uur verdiende.

- inkomstenderving € 1.200,00;

- daggeld ziekenhuis € 76,00;

- medische kosten (eigen risico 2025) € 385,-;

- kleding vest € 50,00.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van de posten ‘kosten extra voeding (vloeibaar voedsel)’, ‘eigen risico (2026)’ en ‘reiskosten’ niet-ontvankelijk in zijn vordering. De verdediging heeft deze onderdelen van de vordering met argumenten betwist en de rechtbank stelt vast dat deze posten niet of onvoldoende zijn onderbouwd of zijn toegelicht. Zo is niet duidelijk of de benadeelde partij in 2026 medische kosten heeft gemaakt en zijn eigen risico heeft moeten betalen en welke reiskosten hij heeft moeten maken. De beoordeling van dit deel van de vordering vraagt om een verdere uitwisseling van standpunten en mogelijk om bewijslevering. Dat zou betekenen dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden. De zaak is al meer dan een jaar oud en de verdachte en zijn medeverdachten hebben in voorlopige hechtenis gezeten en lopen nu in een schorsing van de voorlopige hechtenis. Zij hebben het recht dat de zaak tegen hen binnen een redelijke termijn wordt afgedaan en de benadeelde partij heeft voldoende tijd gehad de vordering te onderbouwen. De behandeling van dit deel van de vordering vormt daarom een te grote belasting voor het strafproces. De rechtbank neemt daarom geen inhoudelijke beslissing over dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan naar de burgerlijke rechter om vergoeding van dit deel van de schade te vorderen van de verdachte.

De rechtbank heeft ten aanzien van het vest van haar schattingsbevoegdheid gebruikgemaakt. Zij wijst de vordering ten aanzien van het vest voor het overige af.

Immateriële-schadevergoeding (smartengeld)

De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten in zaak A rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b eerste en derde onderdeel Burgerlijk Wetboek (BW) recht op schadevergoeding aangezien de benadeelde partij lichamelijk en psychisch letsel is toegebracht (kaakbreuken en PTSS).

De rechtbank heeft bij het begroten van de schade in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit) en met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank heeft daarbij ook de indeling volgens de ‘Rotterdamse Schaal’ betrokken. De ‘Rotterdamse Schaal’ is een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Het vormt een hulpmiddel voor de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van smartengeld in concrete gevallen. De schaal biedt in één oogopslag een indicatie voor een passend smartengeldbedrag voor een bepaald gevalstype. In deze zaak is categorie 9.1 onder e sub III (een eenvoudige breuk waarvoor immobilisatie van de kaak nodig is, maar die volledig herstelt) van toepassing, waarin een bandbreedte van € 4.500,00 tot € 6.000,00 wordt beschreven. De rechtbank oordeelt dat, mede gelet op de psychische schade (PTSS), het gevorderde bedrag van € 6.000,00 billijk is. De rechtbank wijst de gevorderde schadevergoeding dan ook toe tot dit bedrag.

Conclusie

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 7.711,00. De vordering tot vergoeding van de schade van het vest wordt voor het overige afgewezen en de benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan dat deel nog wel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Hoofdelijkheid

Artikel 6:166 lid 1 BW bepaalt dat, als een van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn als deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend. De hoofdelijke aansprakelijkheid van de tot een groep behorende personen die deze bepaling in het leven roept, leidt ertoe dat de benadeelde die ten gevolge van een gedraging in groepsverband schade heeft geleden ter verkrijging van volledige vergoeding daarvan ermee kan volstaan een van de tot de desbetreffende groep behorende personen aan te spreken. Blijkens de wetsgeschiedenis voorziet de regeling van artikel 6:166 BW in een individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade. De mate van betrokkenheid van de afzonderlijke deelnemers bij het onrechtmatig handelen is niet van belang. Deze individuele aansprakelijkheid vindt haar rechtvaardiging in eenieders bijdrage aan het in het leven roepen van de kans dat zodanige schade zou ontstaan. Zij vindt haar begrenzing in de eis dat de kans op het aldus toebrengen van schade hen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband.

De verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen gepleegd. De verdachte heeft net als zijn mededaders door zijn bijdrage meegewerkt aan het scheppen van de kans op schade en deze kans had hem van deelname aan het geweld behoren te weerhouden, maar dat is niet gebeurd. De verdachte is daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele schade. Dat betekent dat de benadeelde partij het gehele bedrag op de verdachte kan verhalen. Als de mededaders of een van hen de schadevergoeding (voor een deel) hebben betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer te betalen.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd dat de verdachte wettelijke rente moet betalen over de gevorderde schadevergoeding. De benadeelde partij kan betaling van de wettelijke rente vorderen over het bedrag dat hij aan schade heeft geleden. In beginsel is de wettelijke rente op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het moment waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad van de verdachte, is ingetreden. De rechtbank wijst de wettelijke rente over de vergoeding van de immateriële schade en het vest toe vanaf 21 maart 2025, het moment van het ontstaan van de schade. Voor de overige materiële schade heeft de benadeelde partij niet toegelicht wanneer die is geleden. Daarom wijst de rechtbank over dat deel de wettelijke rente toe vanaf 8 april 2026, het moment van het indienen van de vordering.

Proceskosten

De vordering van de benadeelde partij wordt (grotendeels) toegewezen. De verdachte moet daarom de proceskosten van de benadeelde partij betalen. Hetzelfde geldt voor de kosten die de benadeelde partij nog moet maken om de schadevergoeding door de verdachte betaald te krijgen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op € 0.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. De schadevergoedingsmaatregel ziet op het hoofdelijk toegewezen materiële- en immateriële-schadebedrag vermeerderd met de wettelijke rente.

Als de verdachte niet betaalt, kan de staat hem in totaal maximaal 63 dagen gijzelen. Dat verandert niets aan de betalingsverplichting van de verdachte, hij moet dan nog steeds de schadevergoeding betalen.

De rechtbank merkt op dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel meebrengt dat de benadeelde partij op grond van de voorschotregeling het gehele bedrag als voorschot van de staat kan krijgen aangezien hij slachtoffer is van een geweldsdelict (openlijke geweldpleging, artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht). De voorschotregeling houdt kort gezegd in dat het slachtoffer de schadevergoeding bij wijze van voorschot krijgt uitgekeerd door de staat, als de veroordeelde niet (volledig) binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan (artikel 6:4:2 lid 7 Sv juncto art. 6:4:8 lid 3 Sv). De benadeelde partij hoeft dus zelf geen actie te ondernemen.

10. Wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 36f, 55, eerste lid, 57, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit in zaak C heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

Bewezenverklaring

- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten in zaak A en B, zoals in hoofdstuk 4 is omschreven, heeft begaan;

Kwalificatie en strafbaarheid

- stelt vast dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Zaak A feiten 1 en 2:

Eendaadse samenloop van: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en mishandeling;

Zaak B:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Gevangenisstraf

1. Meldplicht bij reclassering

De verdachte meldt zich op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] in Amsterdam, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijden deze afspraken zijn.

2. Ambulante behandeling

De verdachte laat zich behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op denkpatronen, conflicthantering, agressieregulatie, delictbespreking en indien nodig het effect van alcoholgebruik. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

3. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De verdachte verblijft in Multiplus Zorg (MPZ) of HVO-Querido of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.

4. Contactverbod

De verdachte zoekt of heeft op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met

Opdracht reclassering

- geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarden (met uitzondering van de bijzondere voorwaarde genoemd onder 4, het contactverbod) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:

Dadelijk uitvoerbaar

- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het aan de reclassering opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

Taakstraf

Vorderingen tenuitvoerlegging

Vordering schadevergoeding [benadeelde partij 1]

schadevergoedingsmaatregel

Wettelijke rente

Voorlopige hechtenis

- heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mr. A.M. Grüschke en mr. B.J. Blok, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2026.

De oudste rechter is niet

in de gelegenheid te tekenen.

De jongste rechter is niet

in de gelegenheid te tekenen.

[…]

[…]

1. […]

[…]

1. […]

2. […]

3. […]

4. […]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

[…]

5. […]

[…]

[…]

[…]

[…]

6. […]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. K.A. Brunner
  • mr. B.J. Blok

Griffier

  • mr. M. Cordia

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand