RECHTBANK AMSTERDAM
Strafrecht
parketnummer : 13-123939-25
raadkamernummer : 25-031899
NN-getuige : [nummer 1]
datum : 24 maart 2026
Beslissing op het hoger beroep tegen de beschikking ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering van de rechter-commissaris in de rechtbank Amsterdam van 27 november 2025 betreffende de getuige [nummer 1] in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1993 op [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
gedetineerd in [detentieplaats] .
Raadsvrouw mr. N. el Farougui
Raadsman mr. W. van Vliet
1. Feiten en procesgang
De verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij op 9 mei 2016 in Amsterdam, al dan niet samen met een ander of anderen, [slachtoffer] heeft geliquideerd.
Het Openbaar Ministerie (Team Bijzondere Getuigen) is in het opsporingsonderzoek 13Aker naar het schietincident op 9 mei 2016 op Kikkenstein in Amsterdam waarbij [slachtoffer] om het leven is gekomen, in contact gekomen met een persoon (getuige [nummer 1] ) die volgens het Openbaar Ministerie een relevante verklaring over het schietincident kan afleggen.
Op 6 maart 2023 heeft de toenmalige CI (criminele inlichtingen)-officier van justitie mr. C.H. Koch, tevens belast met bijzondere-getuigentrajecten, op grond van artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), een schriftelijke vordering ingediend die er onder meer toe strekt dat de rechter-commissaris zal bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige [nummer 1] ter zake van het opsporingsonderzoek 13Aker, zijn/haar identiteit verborgen zal worden gehouden. omdat a) deze getuige en/of een of meer andere personen, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan/kunnen achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige en/of van die andere persoon/personen moet worden gevreesd en b) de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen tenzij zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden.
Bij de vordering is een proces-verbaal van de officier van justitie van 5 januari 2023 gevoegd die een zogeheten netto-verklaring van de getuige [nummer 1] inhoudt.
Op 7 maart 2023 heeft de coördinerend rechter-commissaris van het kabinet van de rechtbank Amsterdam de rechter-commissaris die is aangewezen als rechter-commissaris bijzondere getuigen conform de door het LOVS vastgestelde Werkafspraken over de bijzondere getuigen in strafzaken van juni 2023 (hierna: de rechter-commissaris) gevraagd om de vordering in behandeling te nemen.
De CI-officier van justitie heeft de rechter-commissaris naderhand verzocht de beslissing op de vordering uit te stellen.
Op 26 september 2025 heeft de CI-officier van justitie mr. R.A. Bosman, tevens belast met bijzondere-getuigentrajecten, een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waarin zij het volgende heeft gerelateerd. De rechter-commissaris heeft nog geen beslissing genomen op de vordering van 6 maart 2023 omdat er destijds in het onderzoek 13Aker (nog) geen verdachte was aangehouden. Inmiddels is op 22 april 2025 [verdachte] aangehouden. Op 4 augustus 2025 hebben de zaaksofficieren in onderzoek 13Aker het verzoek ingediend deze getuige te horen door de rechter-commissaris. Er is daarom nagegaan of bij de getuige [nummer 1] de criteria ex artikel 226a Sv nog steeds aan de orde zijn, hetgeen onverminderd het geval is. Het betreft hier – alle feiten en omstandigheden wegende – thans nog onverminderd een terechte en reële vrees in de zin van artikel 226a Sv die maakt dat het omwille van de in dit artikel genoemde belangen van de getuige onverantwoord wordt geacht de getuige op naam of anderszins identificeerbaar te horen. De getuige heeft nogmaals bevestigd wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen tenzij zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden. Vanwege het belang van de afscherming van de identiteit van de getuige kan hierop geen nadere toelichting worden gegeven. Aangezien de vordering ex artikel 226a Sv tot verlening van de status van bedreigde getuigde reeds op 6 maart 2023 is ingediend en de zaaksrechter-commissaris op 21 augustus 2025 de vordering van de zaaksofficieren van justitie tot het horen van deze getuige heeft toegewezen, wordt de daartoe gespecialiseerde rechter-commissaris verzocht hierop een beslissing te nemen.
De rechter-commissaris heeft op 26 september 2025 de verdachte, de raadslieden van de verdachte alsmede de officieren van justitie in het onderzoek 13Aker, krachtens het bepaalde in artikel 226a, tweede lid, Sv in de gelegenheid gesteld om op de vordering te worden gehoord dan wel daarover schriftelijk een standpunt kenbaar te maken.
De raadsman van de verdachte heeft bij e-mail van 15 oktober 2025 gemotiveerd (zie 3.2 tot en met 3.4) verzocht de vordering af te wijzen omdat de verdediging de gelegenheid wenst te krijgen deze getuige zonder enige beperking te (doen) horen en het belang van de verdediging hierbij dient te prevaleren en er onvoldoende argumenten aanwezig zijn in de zin van artikel 226a, eerste lid sub a Sv om de identiteit verborgen te houden.
De rechter-commissaris heeft de getuige [nummer 1] op de desbetreffende vordering gehoord en zij heeft op 27 november 2025 een proces-verbaal van het statusverhoor van de getuige opgemaakt.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 27 november 2025 bevolen dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige [nummer 1] zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden en bepaald dat deze beschikking onverwijld schriftelijk ter kennis wordt gebracht van de officier van justitie en aan de verdachte en de getuige wordt betekend.
Op 27 november 2025 is de beschikking in persoon aan de verdachte betekend.
Op 3 december 2025 heeft de raadsvrouw van de verdachte namens hem hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechter-commissaris.
De raadsman van de verdachte heeft bij e-mail van 5 maart 2026 de gronden voor het hoger beroep bekend gemaakt.
De rechtbank heeft op 10 maart 2026 de verdachte, de raadsman van de verdachte mr. W. van Vliet, en de officier van justitie mr. B.Y. de Boer, in besloten raadkamer gehoord.
2. De beschikking van de rechter-commissaris
De rechter-commissaris heeft haar beslissing de vordering van de CI-officier van justitie van 6 maart 2023 toe te wijzen en te bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige [nummer 1] zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden, als volgt gemotiveerd:
‘De onderhavige verdenking ziet op een zeer ernstig misdrijf, te weten kort gezegd: moord in vereniging gepleegd. Er zou sprake zijn geweest van een geplande liquidatie in het criminele milieu. Verdachte zou een moordopdracht hebben aangenomen en tegen betaling het slachtoffer in romp/hoofd hebben geschoten, waardoor deze is komen te overlijden. De getuige zegt te beschikken over informatie met betrekking tot daderschap van de verdachte, hetgeen de kern van de verdenking raakt.
Er is naar het oordeel van de rechter-commissaris in voldoende mate komen vast te staan dat de getuige of een ander persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten als in artikel 226a Sv bedoeld. Redelijkerwijze moet worden aangenomen dat voor het leven, de gezondheid of de veiligheid van de getuige of een ander persoon moet worden gevreesd indien de identiteit van de getuige bekend zou worden. De rechter-commissaris baseert dit oordeel op voormelde stukken en hetgeen de getuige bij gelegenheid van het statusverhoor daarover heeft verklaard, in combinatie met de ernst en aard van het feit waarvan verdachte wordt verdacht, en de omstandigheden waaronder en de wijze waarop het feit gepleegd zou zijn. Wat de getuige over de bedreiging heeft verteld acht de rechter-commissaris voldoende aannemelijk en objectiveerbaar naar het criterium dat de wet stelt. De getuige heeft concreet toegelicht waarop deze bedreiging wordt gebaseerd. Deze toelichting kan hier niet worden weergegeven, omdat dit afbreuk zou doen aan de anonimiteit van de getuige. De getuige komt derhalve in aanmerking om als bedreigde getuige te worden aangemerkt.
Bezwaren verdediging
Met betrekking tot de door de verdediging opgeworpen bezwaren tegen toewijzing van de vordering merkt de rechter-commissaris het volgende op.
Dat de verdediging wordt belemmerd in de uitoefening van het ondervragingsrecht is inherent aan de procedure van artikel 226a-f Sv. De wetgever heeft compensatie voor deze belemmering gezocht in diverse voorschriften zoals onder meer het betrouwbaarheidsoordeel van de rechter-commissaris en de bewijsbeperking van artikel 344a Sv. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat de Nederlandse wettelijke regeling van artikel 226a-f Sv niet in strijd is met artikel 6 EVRM, mits aan een aantal waarborgen wordt voldaan.
De rechter-commissaris dient bij beoordeling van onderhavige 226a-vordering te toetsen of aan de vereisten van artikel 226a Sv is voldaan, in het bijzonder of sprake is van de door de wetgever bedoelde ‘gerechtvaardigde vrees’. Of, en zo ja in welke mate, de nog af te leggen verklaring van de getuige (al dan niet in samenhang met die van een andere getuige) bruikbaar is voor het bewijs in deze zaak speelt daarbij geen rol, dat is ter beoordeling aan de zittingsrechter. Evenmin staat aan toewijzing van de vordering in de weg dat de getuige blijkens mededeling van de CI-officier van justitie een financiële compensatie van 15.000 euro toegewezen heeft gekregen. Dit gegeven dient bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de (verklaring van de) getuige te worden betrokken.
De rechter-commissaris heeft hiervoor overwogen dat en waarom de getuige in aanmerking komt om als bedreigde getuige te worden aangemerkt. Dat voor de verdediging niet volledig kenbaar kan worden gemaakt waar dit oordeel precies op is gestoeld. is ook inherent aan de materie. De bescherming van de getuige kan naar het oordeel van de rechter-commissaris ook niet met minder vergaande maatregelen worden gewaarborgd dan op de wijze als voorzien in artikel 226a Sv. Alle mogelijke manieren van afscherming van de identiteit van de getuige, waaronder die onder artikel 190 lid 3 Sv, zijn door de rechter-commissaris uitdrukkelijk onderzocht. maar te risicovol bevonden. Deze afweging kan hier. juist vanwege het belang van de afscherming. niet nader orden toegelicht.
Conclusie
De rechter-commissaris concludeert dat met betrekking tot de getuige is voldaan aan de vereisten die artikel 226a Sv stelt voor het toekennen van de status van bedreigde getuige. De daartegen opgeworpen bezwaren van de verdediging niet gegrond zijn, en een verhoor niet met minder vergaande maatregelen kan plaatsvinden. De rechter-commissaris zal daarom, gelet op al het voorgaande, op de voet van artikel 226a Sv bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden. De getuige zal in het vervolg worden aangeduid als getuige [nummer 1] .’
3. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht het hoger beroep gegrond te verklaren, de beschikking van de rechter-commissaris te vernietigen en te bepalen dat de getuige niet de status van bedreigde getuige wordt toegekend. Zij heeft zowel bij de rechter-commissaris als in hoger beroep samengevat het volgende aangevoerd.
Het belang van de verdediging om de getuige ‘vol’ te kunnen horen, komt de verdediging voor als evident. De verklaringen van de getuige en de andere anonieme getuige ( [nummer 2] ) lijken bij de bewijsvraag (in overwegende mate) beslissend te zijn. De verdachte is eerder als verdachte aangemerkt in deze zaak, vervolgens niet verder vervolgd en pas na technisch onderzoek op de hulzen en de getuigenverklaringen aangehouden. Kennelijk is dit aanvullend materiaal nu wel genoeg om ernstige bezwaren aan te nemen want de verdachte is tot op heden gedetineerd. Bij die stand van zaken en de mededeling van het Openbaar Ministerie op de eerste pro-formazitting dat het einddossier niet veel relevante aanvulling zal herbergen ten opzichte van het huidige dossier, kan met stevige redelijkheid worden gesteld dat de getuigenverklaringen op zijn minst van beslissende aard zullen zijn. Alleen dit gegeven in samenhang met de mogelijke strafbedreiging, het feit dat ten aanzien van getuige [nummer 1] , die naar eigen zeggen niet aanwezig was bij het feit, een financiële compensatie van € 15.000,00 is toegekend, en het feit dat de verklaring van getuige [nummer 2] een de auditu-verklaring betreft, dwingt tot een zeer kritische blik naar de wenselijkheid en noodzaak om dergelijke getuigen anoniem te horen. De verdediging wenst de getuige om deze redenen daadwerkelijk ten gronde te horen. Die vragen zullen niet alleen zien op het feitencomplex of de wetenschap hiervan zelf, maar juist ook over de persoon achter de getuige. Het behoeft geen betoog – want die sfeer heeft het dossier – dat in de wereld van ‘zwacri’ allerlei (valse) belangen en dwarsverbanden een rol kunnen spelen. De verdediging wenst bijvoorbeeld ook te vernemen of de getuige een justitiële voorgeschiedenis heeft. Mogelijk is zelfs sprake van gedragsdeskundige vaststellingen die van belang kunnen zijn in verband met de betrouwbaarheid.
De verdediging meent voorts dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt tot de vaststelling dat sprake is van een vrees als bedoeld in artikel 226a, eerste lid onder a Sv. Nergens in het dossier, behoudens de verklaringen zelf, zijn er feiten of omstandigheden te vinden die er – enigszins – concreet op duiden dat valt te vrezen dat de verdachte zich tegen de getuige zal keren in de zin van het criterium als omschreven in artikel 226a Sv. De verdachte is weliswaar verdachte in een moordzaak en hij beschikt over justitiële documentatie (geen levensdelicten), maar die constatering is onvoldoende. Feitelijk zou dat het uitgangspunt opleveren dat elke getuige in een liquidatiezaak anoniem gehoord dient te worden.
Daarbij heeft het Openbaar Ministerie tot op heden niet inzichtelijk gemaakt waarom niet met minder verstrekkende maatregelen, zoals omschreven in artikel 190, derde lid, Sv, kan worden volstaan, waarbij ook aan vermomming, stemvervorming of het horen achter een scherm te denken valt.
De verdediging heeft ten slotte benadrukt dat zij feitelijk in een onmogelijke positie verkeert; de stand van de jurisprudentie omtrent beroepen tegen beschikkingen ex artikel 226a Sv doet ernstig vermoeden dat het feitelijk vrijwel onmogelijk is een getuige met een dergelijke status adequaat te doen horen, zelfs niet met identiteit verhullende maatregelen. De theoretische mogelijkheid tot toetsing bestaat, maar de werkelijkheid is een volstrekt andere. Netto levert dat op dat de verdediging in dit soort zaken, waarbij de belangen voor een verdachte ‘life-changing’ kunnen zijn, niet het meest beslissende potentiële bewijs kan toetsen.
4. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep ongegrond moet worden verklaard omdat de (totstandkoming van de) beschikking van de rechter-commissaris aan alle wettelijke eisen voldoet en de rechter-commissaris op deugdelijke gronden heeft kunnen bevelen dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige zijn/haar identiteit verborgen wordt gehouden.
5. Het wettelijk kader
Voor de beoordeling van het wettelijk kader zijn de bepalingen van de artikelen 226a en 226b Sv van belang.
Artikel 226a Sv
1. De rechter-commissaris beveelt hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, indien:
a. de getuige of een andere persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, en
b. de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen.
In het andere geval wijst hij de vordering of het verzoek af.
2. De officier van justitie, de verdachte, en de getuige worden in de gelegenheid gesteld daaromtrent te worden gehoord. Aan de getuige die nog geen rechtsbijstand heeft, wordt een advocaat toegevoegd. De toevoeging geschiedt op last van de rechter-commissaris door het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
3. (…)
Artikel 226b Sv
1. De ingevolge artikel 226a, eerste lid, gegeven beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend en wordt onverwijld schriftelijk ter kennis gebracht van de officier van justitie en betekend aan de verdachte en de getuige, met vermelding van de termijn waarbinnen en de wijze waarop het rechtsmiddel, dat tegen de beschikking openstaat, moet worden ingesteld.
2. Tegen de beschikking staat voor de officier van justitie binnen veertien dagen na de dagtekening van de beschikking en voor de verdachte en de getuige binnen veertien dagen na de betekening daarvan hoger beroep open bij het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd.
3. Het gerecht beslist zo spoedig mogelijk. (…)
Over de bedreiging merkt de minister in de memorie van toelichting betreffende de ‘Wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten (getuigenbescherming)’ onder meer het volgende op:
‘Ik stel mij op het standpunt dat in het licht van het bepaalde in artikel 6, derde lid onder d, EVRM de identiteit van een getuige alleen dan ter gelegenheid van zijn verhoor verborgen gehouden mag worden indien aan strenge voorwaarden is voldaan. Het enkele bestaan van een bedreiging lijkt mij daartoe niet voldoende. De bedreiging dient fundamentele rechten of belangen van de getuige, zoals zijn leven (zie bijv. art. 2, eerste lid, EVRM), zijn gezondheid (zie bijv. art. 11 Grondwet), zijn veiligheid (zie bijv. art. 5, eerste lid, EVRM), de ontwrichting van zijn gezinsleven (zie bijv. art. 8 EVRM) of zijn sociaal-economisch bestaan (zie bijv. art. 20, eerste lid, Grondwet), te raken.
(…)
De bedreiging behoeft niet gericht te zijn op de getuige of zijn gezin. Deze kan ook gericht zijn op hen die een nauwe relatie met de getuige hebben. Bedreiging van derden, voor de getuige onbekende, personen valt niet uit te sluiten. De rechter-commissaris zal naar mijn opvatting van geval tot geval dienen te beoordelen of de bedreiging een rechtens erkenbaar belang raakt. De bedreiging hoeft niet noodzakelijk uit concrete handelingen of uitingen van de verdachte te bestaan, doch kan soms uitgaan van de persoonlijkheid of reputatie van de verdachte of het criminele milieu waarin de verdachte zich bevindt. Het is zelfs denkbaar dat bedreigingen, waaraan de verdachte part noch deel heeft en waarvoor hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt, zullen kunnen leiden tot het garanderen van de anonimiteit van getuigen. De herkomst van de bedreiging is voor de toekenning van de status van bedreigde getuige geen bruikbare maatstaf. Een dergelijke maatstaf zou de rechter-commissaris voor bijna [on]oplosbare problemen kunnen stellen ingeval hij zou moeten onderzoeken of, en zo ja in hoeverre, de verdachte bij de totstandkoming van de bedreiging een rol heeft gespeeld. Er dient naar mijn oordeel een causaal verband te bestaan tussen de bedreiging van de getuige of een andere persoon met betrekking tot één van de hiervoor genoemde rechten of belangen en de weigering van de getuige om zonder garantie van zijn anonimiteit een verklaring af te leggen.’
6. Het oordeel van de rechtbank
De stukken
De rechtbank heeft onder meer van de volgende stukken kennisgenomen:
- het zaaksdossier in het onderzoek 13Aker;
- het proces-verbaal van 5 januari 2023 van mr. C.H. Koch, CI-officier van justitie, betreffende de verklaring van de getuige [nummer 1] (pagina 282 tot en met 283 van het zaaksdossier);
- het aanvullende proces-verbaal van 18 januari 2023 van de CI-officier van justitie mr. C.H. Koch betreffende de verklaring van de getuige [nummer 1] (pagina 284 tot en met 285 van het zaaksdossier);
- het proces-verbaal van 6 maart 2023 van de CI-officier van justitie mr. C.H. Koch;
- de vordering ex artikel 226a van het Wetboek van Strafvordering van 6 maart 2023 van de officier van justitie mr. C.H. Koch;
- de beslissing van de zaaks-rechter-commissaris van 21 augustus 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van CI-officier van justitie mr. R.A. Bosman van 26 september 2025;
- het proces-verbaal van bevindingen van CI-officier van justitie mr. R.A. Bosman van 26 september 2025 betreffende de toekenning van een financiële compensatie van in totaal € 15.000,- aan de getuige [nummer 1] voor zijn/haar (anonieme) verklaring;
- het proces-verbaal van bevindingen en verrichtingen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam (statusverhoor ex artikel 226a, tweede lid, Sv) van 27 november 2025;
- de beschikking ex artikel 226a Sv van de rechter-commissaris van 27 november 2025;
- het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 10 februari 2026 betreffende de verdachte.
Procedure
De rechtbank stelt voorop dat het belang van de verdediging bij het uitoefenen van het ondervragingsrecht evident is. Ook is duidelijk dat door de statusverlening van bedreigde getuige aan de getuige [nummer 1] dit recht niet optimaal kan worden uitgeoefend.
De wet voorziet echter in een procedure (de regeling van artikel 226a-f Sv) waarbij een getuige extra bescherming toekomt wanneer deze, zoals hier volgens de rechter-commissaris het geval is, door het afleggen van een verklaring naar redelijkerwijze moet worden aangenomen voor eigen of andermans leven, gezondheid en veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet vrezen.
De wetgever heeft met deze procedure een wettelijke regeling in het leven willen roepen die zowel de rechten van de getuige die gerechtvaardigde vrees heeft voor bedreiging als van de verdachte in het strafproces eerbiedigt. Het gaat daarbij in het bijzonder om fundamentele rechten of belangen van de getuige, zoals het recht op zijn leven (artikel 2, eerste lid, EVRM), zijn gezondheid (artikel 11 Grondwet), zijn veiligheid (artikel 5, eerste lid, EVRM), zijn gezinsleven (artikel 8 EVRM) en/of zijn sociaal-economisch bestaan (artikel 20, eerste lid, Grondwet). Bij de verdachte gaat het om het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM).
De rechtbank moet in deze procedure beoordelen of de rechter-commissaris de door wetgever voorgeschreven procedure heeft gevolgd en in redelijkheid tot het oordeel is gekomen dat aan de getuige [nummer 1] de status van bedreigde getuige als bedoeld in artikel 226a Sv wordt toegekend en dus ook of niet met minder verstrekkende maatregelen zou kunnen worden volstaan.
Het is uiteindelijk de zittingsrechter die beoordeelt of, als hij voor het bewijs gebruikmaakt van de resultaten van het in artikel 226d Sv bedoelde verhoor van de bedreigde getuige, dat gebruik in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gewaarborgd door onder meer artikel 6 EVRM. Bij die beoordeling wordt ook betrokken of aan de wijze van totstandkoming dan wel aan de inhoud van het bevel van de rechter-commissaris of van de in artikel 226b Sv bedoelde rechter dat de identiteit van de getuige bij zijn verhoor verborgen wordt gehouden, fundamentele gebreken kleven en, zo ja, of (mede) als gevolg van die fundamentele gebreken het gebruik van de resultaten van het verhoor in strijd komt met het recht op een eerlijk proces.
De wetgever heeft de beoordeling van de vraag of een getuige kan en moet worden aangemerkt als een bedreigde getuige exclusief aan de rechter-commissaris opgedragen. Gelet op de eventuele ingrijpende gevolgen voor de getuige die bekendwording van zijn identiteit meebrengt, heeft de procedure waarin de rechter-commissaris die status verleent, een beperkt en relatief besloten karakter. De persoon om wiens status als mogelijk bedreigde getuige het gaat, wordt alleen door de rechter-commissaris gehoord. De door de rechter-commissaris verkregen informatie komt slechts in zeer beperkte mate ter kennis van – in dit geval – de zaaksofficieren van justitie, de verdediging en van de rechtbank. De rechter-commissaris is immers gehouden de identiteit van de (aspirant) bedreigde getuige verborgen te houden. In het verlengde hiervan is ook de toets in hoger beroep beperkt van aard, waarbij de rechtbank toetst op basis van de stukken. In deze toets is geen ruimte voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige, omdat de wetgever ervoor heeft gekozen deze beoordeling in een later stadium, en wel ten tijde van het inhoudelijke verhoor van de bedreigde getuige, door de rechter-commissaris te laten uitvoeren (artikel 226e Sv).
Uit de onder 6.1.1. genoemde stukken is de rechtbank gebleken dat de rechter-commissaris de door de wetgever voorgeschreven procedure, zoals in de genoemde wetsartikelen beschreven, heeft gevolgd. De rechter-commissaris heeft de officier van justitie, de verdachte en diens raadslieden en de getuige in de gelegenheid gesteld op de vordering te worden gehoord. De beschikking van de rechter-commissaris is met redenen omkleed, gedagtekend en door de rechter-commissaris ondertekend. De rechter-commissaris is ingegaan op de bezwaren die namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Aan de totstandkoming van de onderhavige beschikking kleven dus geen procedurele gebreken.
Motivering
De volgende vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet, is of de (beperkte) weergave van de feiten waarop de beschikking is gebaseerd en de (eveneens beperkte) motivering van de beslissing van de rechter-commissaris voldoende zijn om de statustoekenning aan de getuige te kunnen dragen.
Om een getuige aan te kunnen merken als een bedreigde getuige dient te zijn voldaan aan de eisen die zijn gesteld in artikel 226a Sv.
Vaststaat dat de getuige [nummer 1] de rechter-commissaris te kennen heeft gegeven dat hij/zij zich dermate bedreigd voelt dat hij/zij geen verklaring zal afleggen, tenzij hij/zij anoniem blijft. Aan de in artikel 226a, eerste lid onder b Sv genoemde voorwaarde is voldaan.
Verder moet worden vastgesteld dat de getuige of een ander, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat – naar redelijkerwijze moet worden aangenomen – voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van de getuige of die ander moet worden gevreesd.
De rechter-commissaris heeft naast de hiervoor genoemde stukken ook kennisgenomen van de volledige (bruto-)verklaring die de getuige tegenover verbalisanten van het Team Bijzondere Getuigen heeft afgelegd, en de mondelinge toelichting van CI-officier van justitie mr. R. Bosman met betrekking tot de actualiteit van de ‘gerechtvaardigde vrees’.
Omwille van de afscherming van de identiteit van getuige heeft de rechter-commissaris slechts zeer beperkt inzicht kunnen geven in de gemaakte afwegingen.
De rechter-commissaris heeft overwogen dat sprake is van verdenking die ziet op een zeer ernstig misdrijf, te weten kort gezegd: moord in vereniging gepleegd. Er zou sprake zijn geweest van een geplande liquidatie in het criminele milieu; de verdachte zou een moordopdracht hebben aangenomen en tegen betaling het slachtoffer hebben doodgeschoten. De rechter-commissaris heeft verder overwogen dat aannemelijk is dat de getuige of een ander persoon zich bedreigd kan achten als bedoeld in artikel 226a, eerste lid, aanhef en onder a. Sv, dat hij of zij wegens deze bedreiging niet wil verklaren, dat de verklaring van de getuige de kern van de verdenking raakt en dat de bescherming van de getuige niet kan worden bewerkstelligd met minder vergaande maatregelen.
Uit de hiervoor geciteerde wetsgeschiedenis blijkt dat de bedreiging niet noodzakelijk uit concrete handelingen of uitingen van de verdachte hoeft te bestaan, maar dat soms kan worden uitgegaan van het criminele milieu waarin de verdachte zich bevindt.
Met de beantwoording van de door de rechter-commissaris gestelde vragen aan de getuige [nummer 1] , beschikte de rechter-commissaris kennelijk over voldoende (concrete, objectiveerbare) informatie om, in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen, te beoordelen of in dit geval sprake is van gegronde vrees zoals bedoeld in artikel 226a, eerste lid onder a Sv. Dat nergens in het dossier feiten of omstandigheden te vinden die er – enigszins – concreet op duiden dat valt te vrezen dat de verdachte de getuige zal bedreigen, zoals de verdediging heeft aangevoerd, doet daar niet aan af.
De rechtbank is van oordeel dat ook de grief van de verdediging dat het Openbaar Ministerie tot op heden niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom niet kan worden volstaan met minder verstrekkende maatregelen, zoals omschreven in artikel 190, derde lid, Sv, niet slaagt.
De rechter-commissaris heeft zich er rekenschap van gegeven of de getuige [nummer 1] in een minder vergaande beschermingsconstructie als getuige kan worden gehoord. Zij heeft alle mogelijke manieren van afscherming van de identiteit van de getuige – waaronder die in artikel 190, derde lid, Sv worden genoemd – uitdrukkelijk onderzocht maar te risicovol bevonden.
Het oordeel van de rechter-commissaris dat moet worden gekozen voor volledige anonimiteit dient te worden eerbiedigd. De rechtbank merkt op dat artikel 190, derde lid Sv ziet op de gevallen waarin een getuige ‘slechts’ overlast zou kunnen ondervinden als zijn personalia bij de verdachte (of anderen) bekend zouden worden en biedt dus een veel minder vergaande bescherming dan de regeling van artikel 226a Sv.
De rechtbank ziet, gelet op de stukken en het voorgaande, geen aanleiding te veronderstellen dat niet de meest vergaande bescherming geboden is. Bovendien heeft de getuige laten weten niet te zullen verklaren als bekend wordt wie hij of zij is.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beschikking voldoet aan de in artikel 226a, eerste lid, sub a en sub b, Sv neergelegde voorwaarden en dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen.
7. Beslissing
De rechtbank verklaart de bezwaren ongegrond en wijst het hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris af.
Deze beslissing is op 24 maart 2026 in raadkamer gegeven door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mr. C.P.E. Meewisse en mr. H.H.J. Zevenhuijzen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia en mr. K.P.M. Smeets, griffiers.