RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11900966 \ CV EXPL 25-13259
Eindvonnis van 24 april 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.B. Robijn,
tegen
MOONSTONE GROUP B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Moonstone,
gemachtigde: mr. M.A.C. Mossou.
1. Korte samenvatting
In het tussenvonnis van 27 februari 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met Moonstone en de schade van Moonstone moet vergoeden. Na dit tussenvonnis heeft Moonstone aanvullende informatie aangeleverd over de hoogte van haar schade. In dit eindvonnis oordeelt de kantonrechter dat [eiser] € 4.852,10 aan schadevergoeding moet betalen. De vordering van [eiser] tot betaling van een nog openstaande factuur wordt afgewezen.
2. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 27 februari 2026;
de akte na tussenvonnis van Moonstone van 13 maart 2026 en
de akte na tussenvonnis van [eiser] van 27 maart 2026.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3. Beoordeling in reconventie
In het tussenvonnis van 27 februari 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst met Moonstone en verplicht is om de schade die Moonstone hierdoor heeft geleden te vergoeden. Dit betekent dat [eiser] het bedrag van € 3.400,- excl. / € 4.114,- incl. btw, dat Moonstone aan [eiser] heeft betaald voor het injecteren van de scheuren, moet terugbetalen. Daarnaast moet [eiser] aan Moonstone het verschil vergoeden tussen (i) de kosten voor het injecteren van de kim door [eiser] en de kosten voor het plaatsen van een nieuwe betonvloer door [eiser] (de hypothetische situatie) en (ii) de kosten voor het injecteren van de kim door [eiser] en de kosten voor het plaatsen van een zwevende vloer-constructie door een derde (PR Construction B.V.) (de feitelijke situatie). Hier moeten de kosten voor verfwerk nog van worden afgehaald, omdat Moonstone deze kosten ook zou hebben moeten maken als zij een betonnen vloer had gestort. Deze kosten zijn dus geen gevolg van de tekortkoming van [eiser] .
Moonstone heeft ter onderbouwing van de kosten voor het plaatsen van de zwevende vloer-constructie een factuur overgelegd van PR Construction B.V. van € 24.088,86 incl. btw. De kosten voor het verfwerk zijn onderdeel van deze factuur, maar worden hierin niet gespecificeerd. In het tussenvonnis van 27 februari 2026 is Moonstone daarom in de gelegenheid gesteld een door PR Construction B.V. opgestelde specificatie te verstrekken waaruit blijkt welk aandeel van het bedrag van € 24.088,86 incl. btw betrekking heeft op verfwerk.
Bij akte na tussenvonnis heeft Moonstone een door PR Construction B.V. opgestelde specificatie van deze factuur overgelegd. Daarnaast heeft zij een e-mail van PR Construction B.V. overgelegd waarin hier een aanvullende toelichting op wordt gegeven. Samengevat, volgt hieruit dat PR Construction B.V. (i) van de in totaal 152 uur, 52 uur x € 50,- = € 2.600 + 9% btw heeft besteed aan verfwerk (totaal: € 2.834,-) en (ii) € 966,- + 21% heeft besteed aan ‘klein materiaal t.b.v. vloer en verf’ (totaal: € 1.168,86). In totaal, komen de kosten voor verfwerk hiermee neer op een bedrag van € 2.834 + € 1.168,86 = € 4.002,86 incl. btw, aldus Moonstone.
[eiser] betwist de berekeningen van Moonstone. Zij stelt dat de door PR Construction B.V. gegeven toelichting dat zij precies 52 uur besteed heeft aan verfwerk, niet met stukken is onderbouwd, zoals urenstaten, werkbonnen, dagrapporten of enige andere objectieve urenregistratie. Hierdoor ontbreekt een controleerbare basis voor de verdeling tussen verfwerk en overige arbeid, aldus [eiser] . Daarnaast wijst zij erop dat het bedrag van € 966,- volgens de specificatie ‘klein materiaal t.b.v. vloer en verf’ ziet op een ‘gemengde post’. Volgens [eiser] kan dit bedrag daarom niet volledig aan haar worden toegerekend. De kantonrechter begrijpt het standpunt van [eiser] daarnaast zo dat het ontbreken van een objectief controleerbare uitsplitsing maakt dat ook de overige onderdelen van de factuur onvoldoende zijn onderbouwd en dus niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] de specificatie van het aantal uren aan verfwerk onvoldoende betwist. [eiser] heeft niet aangevoerd dat en, zo ja, waarom de genoemde 52 uur niet in verhouding staan tot het verfwerk dat gedaan moest worden in de kelder. De kantonrechter heeft ook verder geen reden om aan de juistheid van de specificatie en de daarop gegeven toelichting van PR Construction B.V. te twijfelen. Hetzelfde geldt voor de genoemde materiaalkosten. Hoewel [eiser] terecht aanvoert dat de specificatie ‘klein materiaal t.b.v. vloer en verf’ suggereert dat het om een gemengde post gaat, en dus niet alleen om materiaal voor verfwerk, ondervindt [eiser] hier geen nadeel aan. Ook als het juist is dat hier overige materiaalkosten in zijn meegenomen, is het gevolg hiervan namelijk dat de aan Moonstone in deze procedure toekomende schadevergoeding lager wordt. Dat zou dus in het nadeel van Moonstone werken en niet in het nadeel van [eiser] . Een en ander brengt mee dat de kantonrechter ook uitgaat van de juistheid van de rest van de factuur van PR Construction B.V.
Dit betekent dat de onder 3.1 genoemde vergelijking tussen de hypothetische situatie en de feitelijke situatie als volgt uitpakt. Uit het tussenvonnis van 27 februari 2026 volgt dat Moonstone in de hypothetische situatie aan [eiser] € 6.120,- voor de kim + € 15.990,- voor de nieuwe betonvloer = € 22.110,- excl. / € 26.753,10 incl. btw zou hebben betaald. In de feitelijke situatie heeft Moonstone aan PR Construction B.V. € 24.088,86 betaald en aan [eiser] € 7.405,20 incl. btw voor de kim, totaal: € 31.494,06 incl. btw. Na aftrek van de onder 3.3 genoemde kosten voor verfwerk, resteert een bedrag van € 31.494,06 - € 4.002,86 = € 27.491,20. Het verschil tussen de kosten in de hypothetische situatie en de feitelijke situatie bedraagt daarmee € 27.491,20 - € 26.753,10 = € 738,10 incl. btw. [eiser] moet dit bedrag aan Moonstone vergoeden.
Dit maakt dat de totale schadevergoeding die BV Frank aan Moonstone verschuldigd is uitkomt op € 738,10 + € 4.114,- (zie 3.1) = € 4.852,10. Dit bedrag zal in reconventie worden toegewezen.
Proceskosten
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Moonstone worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
900,00
(2,5 punten × € 360,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.044,00
4. Beoordeling in conventie
Bij tussenvonnis van 27 februari 2026 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de toerekenbare tekortkoming van [eiser] (zie 3.1 hiervoor) tot gevolg heeft dat de grondslag voor de conventionele vordering tot betaling van de nog openstaande factuur van € 3.550,- excl. btw ontbreekt. Ook de vorderingen tot betaling van contractuele rente en vergoeding van de door [eiser] gemaakte proceskosten worden om deze reden afgewezen.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
wijst de vorderingen af,
in reconventie
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 4.852,10 incl. btw aan Moonstone,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 en 5.3 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Bavinck en in het openbaar uitgesproken op 24 april 2026.