ECLI:NL:RBAMS:2026:4260

ECLI:NL:RBAMS:2026:4260

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 30-04-2026
Datum publicatie 30-04-2026
Zaaknummer 13/252997-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Een 36-jarige man is veroordeeld tot 180 uur taakstraf en een rijontzegging van 12 maanden waarvan de helft voorwaardelijk. Als automobilist veroorzaakte hij namelijk op 18 december 2024 een dodelijk verkeersongeluk in Aalsmeer door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te gedragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/252997-25

Datum uitspraak: 30 april 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] , [woonplaats] ,

hierna te noemen: verdachte.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S.T.M. Eijsbouts, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat (primair) door zijn schuld op 18 december 2024 in Aalsmeer een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht en [slachtoffer 2] werd gedood, dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de primair tenlastegelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) kan worden bewezen. Het rijgedrag van verdachte kan worden gekwalificeerd als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, waardoor zwaar lichamelijk letsel is toegebracht aan [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) uiteindelijk is overleden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde feit. Verdachte heeft onbewust door rood gereden, waardoor er sprake was van één verkeerd ingeschatte verkeerssituatie. Dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW. In het geval dat de rechtbank ervan uitgaat dat verdachte te hard heeft gereden, is er sprake van een beperkte snelheidsovertreding en blijkt uit het dossier niet dat die snelheid in causale zin heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval, zodat deze omstandigheid niet moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 WVW. Mocht de rechtbank wel van oordeel zijn dat sprake is van schuld in de zin van voornoemd artikel, dan is hoogstens sprake van aanmerkelijke schuld, en niet van een zwaardere schuldvariant.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte reed op 18 december 2024 als (beginnend) bestuurder van een personenauto (een witte Volkswagen met kenteken [kenteken]) over de kruising Bachlaan en Legmeerdijk. Hij kwam uit de richting van Aalsmeer en reed rechtdoor over de kruising in de richting van Kudelstaart.

In de tussentijd trok [slachtoffer 1] als bestuurder van een personenauto (een zwarte Fiat met kenteken [kenteken]) na het zien van een groen verkeerslicht op en reed vervolgens over diezelfde kruising. Zij kwam uit de richting van de Kudelstaart en sloeg linksaf, in de richting van de Bachlaan. Naast [slachtoffer 1] zat [slachtoffer 2] als bijrijder in de auto.

Het was op dat moment donker en het wegdek was vochtig.

Uit de gegevens van de verkeersregelinstallatie (VRI) volgt dat verdachte het kruispunt heeft genaderd met een gemiddelde indicatieve snelheid gelegen tussen de 88 kilometer per uur (hierna: km/u) en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid gold van 80 km/u. Bovendien volgt uit die gegevens dat verdachte de stopstreep was gepasseerd terwijl het voor hem geldend verkeerslicht al 9,7 seconden rood licht uitstraalde.

Verdachte is vervolgens op het kruispunt Bachlaan en Legmeerdijk met de voorzijde van zijn auto tegen de rechterflank van de auto van [slachtoffer 1] aangereden. [slachtoffer 1] heeft ten gevolge van dit ongeval vier gebroken ribben en een gebroken middenrif opgelopen en kan tot op heden alleen lopen met de hulp van een ander of met behulp van een rollator, zoals ook is toegelicht tijdens de uitoefening van het spreekrecht namens haar. [slachtoffer 2] heeft ten gevolge van het ongeval meerdere botbreuken in haar nek en ribben opgelopen. Op 20 december 2024 is zij naar een zorgcentrum overgebracht waar zij palliatief en conservatief werd behandeld en waarna zij in de avond van diezelfde dag aan haar verwondingen is overleden.

Verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij met een constante snelheid reed en dat toen hij de zwarte Fiat zag geen gelegenheid meer had om uit te wijken of te remmen. Ook heeft hij verklaard zeer bekend te zijn met de verkeerssituatie op eerdergenoemd kruispunt, omdat hij daar elke dag reed, en dat het druk kan zijn op dat kruispunt.

Beoordeling van het primair tenlastegelegde (artikel 6 WVW)

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.

Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Mate van schuld

Vaststaat dat verdachte rijdend in een motorrijtuig in het donker en bij een nat wegdek een kruising heeft genaderd, waarvan hij wist dat het een drukke kruising kan zijn. Onder die omstandigheden mag van een verkeersdeelnemer worden verwacht dat hij voldoende voorzichtigheid in acht neemt en zijn snelheid mindert, de kruising behoedzaam nadert en extra oplettend is in verband met mogelijk kruisend verkeer. Verdachte heeft dat nagelaten. Hij heeft zijn snelheid niet geminderd, maar is het kruispunt zelfs opgereden met een hogere snelheid dan was toegestaan. Dat is extra gevaarzettend, nu door deze weersomstandigheden de remweg langer is. Daarnaast heeft verdachte niet goed opgelet. Hij is immers door rood gereden, terwijl het verkeerslicht op dat moment al 9,7 seconden lang rood licht uitstraalde. Verdachte heeft dat kennelijk al die tijd niet gezien, gelet op zijn verklaring dat hij dacht dat hij groen licht had. De rechtbank is – anders dan de raadsvrouw – van oordeel dat de combinatie van deze omstandigheden maakt dat het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam kan worden aangemerkt.

Door dit onvoorzichtige, onoplettende en onachtzame rijgedrag heeft verdachte vervolgens een ongeluk veroorzaakt, waardoor zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] letsel hebben opgelopen en [slachtoffer 2] door de gevolgen daarvan is overleden.

Geen zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank stelt vast dat medische stukken en/of medische gegevens over het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel ontbreken. Door het ontbreken van deze objectieve gegevens kan de rechtbank niet vaststellen wat de aard van het letsel exact is, of er noodzaak was tot medisch ingrijpen dan wel wat dit medisch ingrijpen is geweest en wat het uitzicht is op (volledig) herstel. Dit heeft als gevolg dat niet kan worden vastgesteld dat het door [slachtoffer 1] opgelopen letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Daarom spreekt de rechtbank verdachte vrij van dit deel van de tenlastelegging. Wel blijkt uit de in het dossier aanwezige informatie voldoende, dat sprake is geweest van tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden.

Conclusie

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4 in de voetnoten vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op 18 december 2024 te Aalsmeer, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig daarmee rijdende over de Legmeerdijk, zich zodanig te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,

waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 1], zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

en waardoor een ander, genaamd [slachtoffer 2], werd gedood,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Legmeerdijk, komende uit de richting van Aalsmeer, en gaande in de richting van Kudelstaart,

- terwijl de weg vochtig was,

- terwijl het donker was,

- terwijl verdachte ter plaatse zeer bekend was,

- terwijl verdachte beginnend bestuurder was,

- terwijl verdachte reed met een snelheid die hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 80 kilometer per uur, namelijk een snelheid van ongeveer tussen de 88 en 95 kilometer per uur,

verdachte is niet gestopt voor een in zijn richting gekeerd en voor hem geldend en al ongeveer 9,7 seconden rood uitstralend verkeerslicht,

verdachte heeft, aangekomen bij het kruispunt van de Legmeerdijk met de Bachlaan geen snelheid geminderd,

verdachte is vervolgens het kruisingsvlak van de Legmeerdijk met de Bachlaan overgestoken,

verdachte heeft zich bij het oprijden van de kruising niet voldoende vergewist dat het kruispunt vrij was van enig (kruisend) verkeer,

terwijl de personenauto voorzien van kenteken [kenteken] over het voornoemde kruispunt reed, komende uit de richting van Kudelstaart, en linksaf sloeg op de kruising, in de richting van de Bachlaan,

verdachte is vervolgens tegen de personenauto met kenteken [kenteken], aangebotst,

ten gevolge waarvan de bestuurder van de personenauto voorzien van kenteken [kenteken], te weten [slachtoffer 1] zodanig lichamelijk letsel is toegebracht dat daaruit verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, en

ten gevolge waarvan de bijrijder van de personenauto voorzien van kenteken [kenteken], te weten [slachtoffer 2], is overleden.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van één jaar zal worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat hooguit sprake is van aanmerkelijke schuld en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Primair heeft de raadsvrouw verzocht aan verdachte een geldboete op te leggen. Subsidiair, in het geval de rechtbank een taakstraf oplegt, heeft zij verzocht om een deel daarvan voorwaardelijk op te leggen. Zowel primair als subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een onvoorwaardelijke rijontzegging niet proportioneel is, vanwege het ontbreken van recidivegevaar en de verstrekkende gevolgen die een rijontzegging zou hebben voor het inkomen en de stabiliteit van het gezin van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto met een hogere snelheid dan is toegestaan een kruising genaderd en is daarbij niet gestopt voor een verkeerslicht dat op rood stond. Hierdoor heeft hij een tragisch verkeersongeval veroorzaakt door tegen een andere auto aan te rijden, waarbij [slachtoffer 1] letsel heeft opgelopen waardoor tijdelijke verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en [slachtoffer 2] aan de gevolgen van het ongeval op 85-jarige leeftijd is komen te overlijden. Het is voor de nabestaanden en iedereen die om haar gaf bijzonder zwaar dat zij op deze manier is overleden, zoals is gebleken uit de slachtofferverklaringen van de nabestaanden.

Verdachte, die voorzichtiger had moeten rijden en aandacht had moeten hebben voor de verkeerslichten en kruisend verkeer, zal moeten leven met de gedachte dat door zijn onvoorzichtigheid en onoplettendheid [slachtoffer 2] is komen te overlijden. De rechtbank heeft op de terechtzitting gezien dat het ongeval ook op verdachte impact heeft. Verdachte heeft er blijk van gegeven de ernst van het door hem aan [slachtoffer 2] en haar familie aangedane leed en het aan [slachtoffer 1] aangedane leed in te zien en hij heeft daarover zijn spijt betuigd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de uitgangspunten voor strafoplegging die rechtbanken hanteren, de zogenoemde LOVS-oriëntatiepunten. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW en de vaststelling dat verdachte aanmerkelijke schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval als gevolg waarvan het slachtoffer is komen te overlijden, wordt een taakstraf van 240 uur met daarnaast een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 1 jaar als uitgangspunt genoemd.

Hoewel de gevolgen van het verkeersongeval zeer ernstig zijn geweest ten opzichte van het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, acht de rechtbank ook de mate van schuld van groot belang voor de strafoplegging. De rechtbank ziet in die laatste omstandigheid, aanleiding om ten voordele van verdachte af te wijken van de LOVS- oriëntatiepunten en daarmee ook van de eis van de officier van justitie. Daarnaast houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met de persoonlijke omstandigheden dat verdachte die veel werkt, kostwinner is van zijn gezin en zijn beschikbare tijd en arbeidsvermogen nodig heeft om in het levensonderhoud van zijn gezin te voorzien.

Verdachte heeft op de terechtzitting geen verklaring kunnen geven over wat er is gebeurd en hoe het mogelijk is dat hij het rood licht niet heeft gezien. Hierom kan de rechtbank geen inschatting maken over het recidivegevaar. Gelet op de verkeersveiligheid acht de rechtbank daarom – anders dan de raadsvrouw – een onvoorwaardelijke rijontzegging op zijn plaats. Wel zal de rechtbank een deel daarvan voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te doordringen dat hij voorzichtiger aan het verkeer moet deelnemen en zich niet opnieuw schuldig dient te maken aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Alles overwegende, acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van 180 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, en

6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor aan een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een deel van deze bijkomende straf, groot 6 (zes) maanden, niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P.E. Meewisse, voorzitter,

mrs. A.A. Spoel en R. van de Water, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. Alexeas, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 april 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. C.P.E. Meewisse

Griffier

  • mr. T. Alexeas

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand