RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/202813-24
Datum beslissing: 8 januari 2026
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 3 oktober 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor uitbreiding van de vervolging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is op 8 juli 2025 gedaan door het Amtsgericht Düsseldorf (Duitsland), is ingediend door de Leitende Oberstaatsanwältin in Düsseldorf (Duitsland) op 15 juli 2025 en betreft:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats],
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Tussenbeslissing
De rechtbank heeft op 28 oktober 2025 een tussenbeslissing gewezen. De rechtbank heeft hierin geoordeeld dat het verzoek de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ bevat. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om – met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon – een beslissing te nemen. Voorts is geoordeeld dat het verzoek feiten betreft ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan, dat de overgeleverde persoon de Nederlandse nationaliteit heeft en dat hij zich tijdens de overleveringsprocedure heeft beroepen op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank heeft in de beslissing van 28 oktober 2025 ook vastgesteld dat de overgeleverde persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel voor de feiten waarop het verzoek betrekking heeft opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Overwogen is dat de rechtbank daarom toestemming kan verlenen voor uitbreiding van de vervolging, wanneer is gewaarborgd dat de overgeleverde persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De Hoofdofficier van Justitie (Leitende Oberstaatsanwältin) van Düsseldorf heeft op 30 juli 2024 in het kader van de overleveringsprocedure een terugkeergarantie gegeven. De rechtbank heeft in de tussenbeslissing vastgesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit niet uitdrukkelijk heeft vermeld dat die garantie ook geldt voor de eventuele tenuitvoerlegging van de feiten waarop het verzoek betrekking heeft. Evenmin heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit een aanvullende garantie verstrekt die geldt voor de feiten waarop het verzoek betrekking heeft.
De rechtbank heeft daarom de behandeling van het verzoek aangehouden om hierover nadere vragen te stellen.
2. Beoordeling
Bij brief van 10 december 2025 heeft de Staatsanwältin van Die Leitende Oberstaatsanwältin in Düsseldorf het volgende medegedeeld:
“Aanvullend verzoek met betrekking tot de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon], geboren op 30 januari 1986 in Leiden
(…)
Met referte aan uw e-mail d.d. 10 december 2025 geven wij u de verzekering dat de opgeëiste persoon in geval van een onherroepelijke veroordeling in de Bondsrepubliek Duitsland op basis van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB L 327 van 5 december 2008, bladzijde 27) zoals gewijzigd, voor de verdere tenuitvoerlegging van de straf naar Nederland zal worden teruggezonden.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
3. Beslissing
De rechtbank:
verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, en derde lid, OLW toestemming voor uitbreiding van de vervolging, voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 8 januari 2026 door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier.