RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10625215 \ CV EXPL 23-10180
Vonnis van 3 april 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CLUB PELLIKAAN TILBURG B.V.,
gevestigd te Tilburg,
eisende partij,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 6 februari 2026,- de akte van eisende partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de oneerlijkheid en het buiten toepassing laten van het beding in de algemene voorwaarden dat ten grondslag ligt aan de bij gedaagde partij in rekening gebrachte vergoeding vanwege voortijdige opzegging van € 80,00.
Eisende partij heeft bij akte laten weten zich te refereren aan het oordeel van de kantonrechter.
Het beding wordt daarom, zoals reeds aangekondigd in het tussenvonnis, buiten toepassing gelaten, omdat het oneerlijk is. Gevolg hiervan is dat € 80,00 in mindering komt op de gevorderde hoofdsom.
Met inachtneming van de sanctie vanwege het niet volledig voldoen aan alle essentiële informatieplichten (overweging 2.2 van het tussenvonnis), wordt aan hoofdsom toegewezen een bedrag van € 48,34. Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 160,43 x 0,8 = € 128,34 minus € 80,00.
Overigens staan geen bedingen in de algemene voorwaarden, die aan de onderhavige vordering ten grondslag (kunnen) liggen, die als oneerlijk zijn aan te merken.
Nu een lager bedrag aan hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is de wettelijke rente te hoog berekend. De wettelijke rente is toewijsbaar over de in overweging 2.5 genoemde lagere hoofdsom vanaf de datum van verzuim. Nu deze datum niet is gesteld, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Het gevorderde bedrag van € 40,00 is in overeenstemming met het tarief dat volgt uit het Besluit en is daarom toewijsbaar.
De betaling door gedaagde partij van € 40,00 wordt in mindering gebracht op de buitengerechtelijke kosten, zodat geen bedrag aan buitengerechtelijke kosten resteert.
Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld – eisende partij zelfs in overwegende mate – wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 48,34 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, met ingang van 28 juni 2023, tot de dag van volledige betaling,
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten dragen,
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
991