RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11262851 \ CV EXPL 24-10689
Vonnis van 31 maart 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEKKERLEASEN.NL B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 februari 2026,- de akte van eisende partij.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom zij een hogere leaseprijs per maand bij gedaagde partij in rekening brengt dan in de leaseovereenkomst staat, op grond waarvan en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan deze verhoging ten grondslag liggen. Verder is eisende partij in de gelegenheid gesteld de gestelde schades aan de auto te onderbouwen met een schaderapport.
Eisende partij stelt dat aan de verhoging van de maandelijkse leaseprijs artikel 5.2 en 5.4 van de algemene voorwaarden ten grondslag ligt. Deze artikelen gaan echter niet over de leaseprijs of de mogelijkheid tot wijziging daarvan, maar over de wijze van aanvaarding van een elektronisch aanbod, respectievelijk de bevoegdheid van de ondernemer zich op de hoogte te stellen of de consument aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. In de aanvullende algemene voorwaarden bestaat artikel 5.2 niet en gaat artikel 5.4 over schade aan de auto ten gevolge van aangebrachte toevoegingen of wijzigingen van de auto.
Waarschijnlijk doelt eisende partij op artikel 2.1 van de aanvullende algemene voorwaarden, aangezien zij stelt dat de leaseprijs is verhoogd door een wijziging van de houderschapsbelasting. Dat artikel is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden, omdat wijzigingen in de houderschapsbelasting buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. Het beding zorgt in ieder geval niet voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen.
De gestelde schades heeft eisende partij onderbouwd met een schaderapport.
Overigens staan in de overeenkomst inclusief de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden geen bedingen die aan de onderhavige vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
De vordering komt met inachtneming van het tussenvonnis en het voorgaande niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen als na te melden.
Eisende partij vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Eisende partij heeft aan gedaagde partij een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van het gevorderde bedrag van € 424,69 is in overeenstemming met het Besluit. Dat bedrag is daarom toewijsbaar.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom - rente tot 15 juli 2025
€€
2.996,87271,60
+
totaal
€
3.268,47
- betalingen
€
50,00
-/-
Totaal
€
3.218,47
Gedaagde partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
496,00
- salaris gemachtigde
€
253,00
(1 punt × € 253,00)
- nakosten
€
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
934,54
3. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 3.218,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom, met ingang van 15 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 424,69 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 934,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2026.
991