uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: J. Ausloos),
en
het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, verweerder
(gemachtigde: mr. M.J. Wijnen-Verhoek).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres op 22 juli 2025 heeft ingesteld, omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 20 mei 2025.
Verweerder heeft een verweerschrift en stukken ingediend.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Eiseres heeft de aanvraag ingediend op 20 mei 2025. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslistermijn is overschreden. Eiseres heeft verweerder, na het verstrijken van de beslistermijn, op 25 juni 2025 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
Verweerder stelt in zijn verweerschrift van 5 augustus 2025 dat de beslistermijn is overschreden doordat eiseres samen met drie anderen acht omvangrijke Woo-verzoeken tegelijk heeft ingediend. Verweerder stelt niet genoeg capaciteit te hebben om deze verzoeken binnen de gestelde termijn te behandelen. Verweerder verwacht binnen zes weken na dagtekening van het verweerschrift te kunnen beslissen.
Verweerder heeft vervolgens op 12 februari 2026 een nieuw verweerschrift ingediend waarin hij stelt dat het nog altijd niet is gelukt om te beslissen op het verzoek van eiseres. Verweerder stelt nogmaals dat hij verwacht binnen zes weken te kunnen beslissen na dagtekening van het tweede verweerschrift.
De door verweerder op 5 augustus 2025 verzochte termijn van zes weken is inmiddels ruimschoots verstreken. De rechtbank gaat ervan uit dat de termijn van zes weken een reële termijn was om te kunnen beslissen op het verzoek van eiseres. De rechtbank stelt vast dat ook na het nieuwe verweerschrift tot op heden niet is beslist op het verzoek van eiseres. Omdat er daarom in dit geval geen sprake is van een bijzonder geval, zal de rechtbank bepalen dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog dient te beslissen op het verzoek van eiseres.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.3 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van C.J.A. Gloudemans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.