RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-207030-25
Datum uitspraak: 7 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juni 2026 door de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. M. van Vuuren, waarnemend voor mr. R.M.G. Sussenbach, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft – met instemming van partijen – in afwezigheid van de raadsvrouw en in het bijzijn van de officier van justitie, mr. E.S. Schakenraad – om 16:00 uur het onderzoek ter zitting gesloten nadat de raadsvrouw de gelegenheid had gekregen om aan de opgeëiste persoon de vraag voor te leggen of hij een beroep wenst te doen op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB – in samenhang gelezen met het A-formulier – vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd door de onderzoeksrechter bij de Rechtbank van eerste aanleg in Antwerpen, afdeling Antwerpen, op 30 juni 2025 met referentienummer 2024/138 OR [naam] ; not.nr.:AN48.LS.006234/2024.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat op deze strafbare feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de strafbare feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit, maar heeft via zijn raadsvrouw laten weten dat hij geen beroep wenst te doen op artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van een terugkeergarantie.
6. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in België
Inleiding
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen.
Bij brief van 1 april 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken, Centrale autoriteit van de Federale Overheidsdienst Justitie in Brussel, is voor de opgeëiste persoon de volgende detentiegarantie gegeven:
“ 1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Antwerpen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.
3. Sanitaire en hygiëne omstandigheden
Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat de overlevering niet kan worden toegestaan, omdat artikel 11 OLW aan overlevering in de weg staat. Ondanks de verstrekte detentiegarantie blijft er immers een reëel gevaar bestaan voor de opgeëiste persoon op een onmenselijke of vernederende behandeling. De Belgische detentieomstandigheden roepen ernstige zorgen op. De opgeëiste persoon heeft van teruggekeerde medegedetineerden signalen ontvangen over rattenoverlast en ernstig onhygiënische omstandigheden in de gevangenis van Antwerpen. Bovendien heeft de opgeëiste persoon een licht verstandelijke beperking waardoor hij zeer kwetsbaar is in de gevangenis. Subsidiair heeft de advocaat de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon te schorsen, nadat hij de huidige executietitels heeft uitgezeten, indien de rechtbank besluit om de zaak aan te houden voor het stellen van nadere vragen.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie neemt de verstrekte detentiegarantie het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon weg. Recent is in andere zaken op basis van een soortgelijke detentiegarantie voor de detentie-instelling in Antwerpen de overlevering toegestaan. Er is geen nieuwe informatie ontvangen waaruit blijkt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de omstandigheden in deze detentie-instelling dat getwijfeld moet worden of de garantie kan worden nageleefd. De raadsvrouw heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit dit blijkt. Signalen van medegedetineerden zijn niet als objectieve informatie te beschouwen. Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de licht verstandelijke beperking van de opgeëiste persoon niet aan detentie in de weg staat en geen belemmering vormt om de overlevering te kunnen toestaan.
Oordeel van de rechtbank
De ten aanzien van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie van 1 april 2026 is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. De rechtbank dient daarom de geboden zekerheid in de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt.
De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Belgische autoriteiten van 1 april 2026, van oordeel dat het vastgestelde algemene reële gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon is weggenomen. Het algemene gevaar dat de rechtbank heeft aangenomen, wordt door de individuele garantie namelijk uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu hij zal worden geplaatst in een instelling op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder met relevante internationale standaarden (onder andere de CPT-standaarden).
Hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht over het gebrek aan hygiëne leidt niet tot een ander oordeel. Allereerst ziet het al vastgestelde algemeen gevaar daar niet op. Daarnaast heeft de raadsvrouw niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd dat de hygiëne in de Belgische detentie-instellingen dusdanig slecht is, dat ook op dit punt sprake is van een algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. De enkele stelling dat de opgeëiste persoon hierover berichten van medegedetineerden heeft ontvangen, kan niet als een zodanig gegeven worden beschouwd.
Voor zover de raadsvrouw heeft willen betogen dat eenzelfde algemeen reëel gevaar dient te worden aangenomen voor personen die licht verstandelijke beperkt zijn en daardoor extra kwetsbaar zijn en die worden gedetineerd in een detentie-instelling in België, zodat hun veiligheid niet gegarandeerd is in Belgische detentie, slaagt dat betoog evenmin. De raadsvrouw heeft daartoe namelijk eveneens geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens.
De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen. Daardoor komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van het subsidiair gedane verzoek tot schorsing van de overleveringsdetentie.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, België, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.