RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-052138-26
Datum uitspraak: 7 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 3 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 februari 2026 door de Districtsrechtbank Žiar nad Hronom, Slowakije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Slowaakse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Slowaakse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de Districtsrechtbank van Žiar nad Hronom van 20 mei 2025 met dossiernummer 6T/66/2024, waarover in hoger beroep is geoordeeld en arrest is gewezen door de Provinciale rechtbank in Banská Bystrica van 19 november 2025 met dossiernummer 3To/102/2025.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van negen jaar en acht maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunten van partijen
De raadsman heeft ten aanzien van deze weigeringsgrond geen standpunt ingenomen.
Volgens de officier van justitie is sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de dagvaarding voor de procedure in hoger beroep op 20 oktober 2025 aan de opgeëiste persoon is betekend. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Dit betekent dat de rechtbank alleen het arrest van de Provinciale rechtbank in Banská Bystrica van
19 november 2025 met dossiernummer 3To/102/2025 zal toetsen aan artikel 12 OLW.
In de aanvullende informatie van 23 maart 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure die tot het arrest heeft geleid. De dagvaarding voor de openbare zitting in hoger beroep is op 20 oktober 2025 aan de opgeëiste persoon betekend. Uit de verstrekte informatie blijkt echter niet of de opgeëiste persoon daarbij in kennis is gesteld van de mogelijkheid dat een beslissing kan worden genomen, indien hij niet op de zitting verschijnt. De rechtbank stelt op grond hiervan dan ook vast dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. Verder is – kort gezegd – arrest gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub b en c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Ten slotte is geen garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering conform artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit het EAB en de aanvullende informatie van 23 maart 2026 volgt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest bij de procedure in eerste aanleg, waarna hij zelf hoger beroep heeft ingesteld. Zoals hiervoor al is vermeld, is de dagvaarding voor de openbare zitting voor de procedure in hoger beroep op 20 oktober 2025 aan de opgeëiste persoon betekend. De opgeëiste persoon heeft vervolgens het gerechtshof op 10 november 2025 verzocht om de zitting in zijn afwezigheid te houden. Hiermee heeft de opgeëiste persoon afstand gedaan van zijn recht om bij de zitting aanwezig te zijn en zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank maken deze omstandigheden dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert.
5. Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Standpunten partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de overlevering partieel moet worden geweigerd, omdat enkele bestanddelen van het strafbare feit zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB niet strafbaar zijn naar Nederlands recht.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) dat niet is vereist dat in beide lidstaten exacte overeenstemming bestaat tussen de bestanddelen van het strafbare feit. De gedragingen zijn ook naar Nederlands recht strafbaar en kunnen worden gekwalificeerd als mishandeling en belaging.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid van het feit dient de rechtbank na te gaan of de feitelijke elementen van het strafbare feit, dat heeft geleid tot de uitvaardiging van dit EAB, als zodanig, naar Nederlands recht eveneens een strafbaar feit zouden opleveren indien zij in Nederland hadden plaatsgevonden. Niet vereist is dat de wettelijke kwalificatie in de twee betrokken lidstaten identiek is.
De rechtbank is van oordeel dat voldaan is eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
mishandeling terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind, meermalen gepleegd;
mishandeling terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin of een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;
eenvoudige belediging, meermalen gepleegd;
6. Artikel 11 OLW
Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest)
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft primair bepleit dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB, omdat de opgeëiste persoon geen recht heeft gehad op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in Slowakije. Er is daarmee sprake van een voltooide schending van artikel 6 EVRM. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat de opgeëiste persoon in zijn strafzaak geen ontlastend bewijsmateriaal mocht inbrengen en dat de door hem opgegeven getuigen niet door de Slowaakse rechter zijn gehoord. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Daarnaast heeft de raadsman, onder verwijzing naar een krantenbericht uit het NRC over het Liberties Rule of Law Report uit 2026, aangevoerd dat er ook zorgen bestaan over de Slowaakse rechtsstaat.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht om aan de Slowaakse autoriteiten een garantie te vragen, inhoudende dat de opgeëiste persoon een nieuw strafproces zal krijgen zodat zijn recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd.
Standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kan de overlevering worden toegestaan, omdat de raadsman onvoldoende objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat er concrete aanwijzingen bestaan dat er een algemeen gevaar bestaat voor schending van het recht op een eerlijk proces in Slowakije.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat, voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar op schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van – zo begrijpt de rechtbank artikel 47 Handvest – eerst moet worden aangetoond dat er in Slowakije een algemeen reëel gevaar bestaat op een dergelijke schending. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. Een enkele verwijzing naar een krantenbericht met daarin een korte samenvatting van het Liberties Rule of Law Report uit 2026 is daartoe onvoldoende. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon dat de door de raadsman genoemde rechten in Slowakije zijn geschonden, komt de rechtbank dus niet toe. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de door de raadsman voorgestelde garantie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Detentieomstandigheden in Slowakije
Standpunten van partijen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft – onder verwijzing naar het rapport van the Comittee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading treatment or Punishment (hierna: het CPT) uit 2023 – bepleit dat zorgen bestaan op een onmenselijke of vernederende behandeling in detentie in Slowakije en dat om die reden geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Volgens de raadsman is er sprake van een dreigende schending van artikel 11 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen individuele detentiegarantie hoeft te worden opgevraagd, omdat geen algemeen reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije. Zoals de rechtbank eerder heeft geoordeeld vormt het CPT-rapport, waar door de raadsman naar wordt verwezen, geen aanleiding voor het aannemen van een algemeen gevaar.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij op basis van het CPT-rapport van 2025 in eerdere uitspraken steeds geoordeeld heeft dat er geen algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Slowakije in het algemeen en in de Ružomberok Prison of de Žilina Prison in het bijzonder.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat nu wel sprake is van een algemeen gevaar. De rechtbank beschikt ambtshalve ook niet over dergelijke gegevens. In de enkele verwijzing van de raadsman naar het CPT-rapport uit 2023 ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, te meer omdat op basis van het CPT-rapport van 10 april 2025 van een dergelijk algemeen gevaar geen sprake is. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de vraag of sprake is van een dergelijk concreet individueel gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 57, 266, 285, 300 en 304 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Districtsrechtbank Žiar nad Hronom, Slowakije, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 7 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.