ECLI:NL:RBAMS:2026:4577

ECLI:NL:RBAMS:2026:4577

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 08-05-2026
Zaaknummer C/13/708095 / HA ZA 22-1 (en C/13/716027 / HA ZA 22-295)
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Tussenuitspraak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

De rechtbank stelt in dit vonnis vast dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de stichtingen op Apple ten behoeve van alle in Nederland wonende of gevestigde gebruikers van in de App Store gekochte apps. De rechtbank is niet bevoegd voor de ingestelde vorderingen ten behoeve van ontwikkelaars van in de App Store verkochte apps die een van de stichtingen had ingesteld. De procedure wordt aangehouden in afwachting van de uitkomst in twee andere WAMCA-zaken die bij de Hoge Raad aanhangig zijn en onder meer gaan over het toepasselijk collectief actierecht (waaronder het overgangsecht)

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling privaatrecht

zaaknummer/rolnummer: C/13/708095 / HA ZA 22-1

(en C/13/716027 / HA ZA 22-295)

Vonnis van 13 mei 2026

in de zaak van

de stichting

STICHTING RIGHT TO CONSUMER JUSTICE,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

hierna te noemen: RCJ,

advocaat mr. B.J.H. Braeken te Amsterdam,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

APPLE DISTRIBUTION INTERNATIONAL LTD.,

gevestigd te Cork, Ierland,

hierna te noemen: Apple Ierland,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

APPLE INC.,

gevestigd te Cupertino, Verenigde Staten van Amerika,

hierna te noemen: Apple Inc.,

gedaagden,

advocaten mr. J.S. Kortmann en mr. B.M. Katan te Amsterdam,

en

de stichting

STICHTING APP STORES CLAIMS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres op de voet van artikel 1018d Rv,

hierna te noemen: ASC,

advocaat mr. R. Meijer te Amsterdam,

tegen

Apple Ierland en Apple Inc.,

gedaagden,

advocaten mr. J.S. Kortmann en mr. B.M. Katan te Amsterdam.

RCJ en ASC worden gezamenlijk ook aangeduid als de stichtingen. Apple Ierland en Apple Inc. worden gezamenlijk aangeduid als Apple c.s. De term “Apple” wordt gebruikt als aanduiding van het Apple-concern.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 16 augustus 2023,

- het tussenvonnis van 20 december 2023 ,

- het arrest van 2 december 2025 van het Hof van Justitie van de EU (HvJ-EU),

de akte uitlating regie na arrest HvJ-EU inzake jurisdictie van RCJ,

de akte uitlating voortgang procedure van ASC,

de akte uitlating arrest en verdere gang van procedure van Apple c.s.,

(waarbij partijen over en weer op de concept akten van de anderen hebben kunnen reageren).

Hierna is vonnis bepaald.

2. De zaak in het kort

De rechtbank stelt in dit vonnis vast dat zij bevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van de stichtingen op Apple c.s. ten behoeve van alle in Nederland wonende of gevestigde gebruikers van in de App Store gekochte apps. De rechtbank is niet bevoegd voor de door RCJ ingestelde vorderingen ten behoeve van ontwikkelaars van in de App Store verkochte apps. Daarnaast is aan de orde het op deze zaak toepasselijk collectief actierecht en de verdere voortzetting van deze procedure.

3. De beoordeling over de rechtsmacht van deze rechtbank

In het tussenvonnis van 16 augustus 2023 is overwogen dat de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt kennis te nemen van de vorderingen van de stichtingen op Apple c.s., voor zover deze zijn ingesteld ten behoeve van in Nederland wonende of gevestigde gebruikers (r.o. 6.36). Verder is overwogen dat deze rechtbank in elk geval bevoegd is voor de gebruikers die in het arrondissement Amsterdam wonen of zijn gevestigd (r.o. 6.39). Over de vraag of dat ook geldt voor de buiten het arrondissement Amsterdam (maar binnen Nederland) wonende of gevestigde gebruikers heeft de rechtbank prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ-EU. Dit in verband met de toepassing van artikel 7, punt 2, Verordening Brussel I bis (hierna: Brussel I bis) over de plaats van het schadebrengende feit.

Het HvJ-EU heeft in zijn arrest van 2 december 2025 voor recht verklaard dat artikel 7, punt 2, Brussel I bis zo moet worden uitgelegd dat:

“binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.”

De stichtingen hebben vorderingen ingesteld tegen Apple c.s. ten behoeve van alle (zakelijke en particuliere) gebruikers die aankopen hebben gedaan in de Nederlandse versie van de App Store met een mobiel apparaat van Apple (iPhone, iPad of iPod). De stichtingen hebben gesteld dat Apple c.s. met haar App Store inbreuk maakt op het mededingingsrecht en dat gebruikers daardoor schade hebben geleden en lijden.

Partijen hebben zich uitgelaten over de betekenis van het arrest van 2 december 2025 van het HvJ-EU voor deze collectieve actie. Apple c.s. heeft daarbij erkend dat deze rechtbank internationaal en relatief bevoegd is. De stichtingen hadden dit eerder al betoogd en hebben dat na het arrest herhaald.

De rechtbank is, gelet op het arrest van het HvJ-EU, van oordeel dat zij op grond van artikel 7, punt 2, Brussel I bis rechtsmacht heeft kennis te nemen van de vorderingen van de stichtingen op Apple Ierland, voor zover die vorderingen zijn ingesteld ten behoeve van alle in Nederland wonende of gevestigde gebruikers. Rechtsmacht heeft zij ook ten aanzien van Apple Inc. op grond van artikel 6 onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

RCJ heeft daarnaast vorderingen tegen Apple c.s. ingesteld ten behoeve van ontwikkelaars van apps die verplicht zijn gebruik te maken van de App Store om hun apps te kunnen aanbieden aan gebruikers, en die door het prijsbeleid van Apple c.s. schade hebben geleden en lijden. In het tussenvonnis van 16 augustus 2023 is al geoordeeld dat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van de vorderingen van RCJ ten behoeve van de ontwikkelaars. Het arrest van het HvJ-EU leidt niet tot andere overwegingen op dit punt.

4. De beoordeling over het toepasselijk collectief actierecht

De dagvaardingen van RCJ en ASC zijn ingesteld na 1 januari 2020. Zij hebben beide in hun respectievelijke dagvaarding gesteld dat de collectieve actie een WAMCA-procedure is.

Vastgesteld moet worden welk collectief actierecht van toepassing is op de door de stichtingen gestelde gebeurtenis(sen). In het tussenvonnis van 16 augustus 2023 (r.o. 8.1) is de beslissing daarover aangehouden, en is overwogen dat de mogelijke rechtsontwikkeling over het overgangsrecht inzake het collectief actierecht aanleiding kan zijn partijen in de gelegenheid te stellen zich daarover nader uit te laten.

Onder de WAMCA wetgeving zijn de artikelen 3:305a tot en met 3:305d Burgerlijk Wetboek (BW) aangepast en is Titel 14A van Boek 3 Rv geïntroduceerd. Het overgangsrecht van de aanpassingen van de artikelen 3:305a tot en met 3:305d BW is geregeld in artikel 119a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (ONBW). Die aanpassingen in het BW en Rv maken het mogelijk dat in een collectieve actie ook een collectieve schadevergoeding kan worden gevorderd. Dit was onder het oude (voor 1 januari 2020 geldende) collectieve actierecht niet mogelijk.

Uit artikel 119a lid 2 ONBW volgt dat collectieve vorderingen die zijn ingesteld op of na 1 januari 2020 worden beheerst door het oude collectieve actierecht als de collectieve vorderingen zijn gebaseerd op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.

In deze procedure hebben de stichtingen hun vorderingen tot schadevergoeding gebaseerd op een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, althans na 15 november 2016 hebben voortgeduurd. Zij stellen als schadeveroorzakende gebeurtenis – kort gezegd – iedere aankoop door de gebruiker van een mobiel apparaat van Apple (iPhone, iPad of iPod) van een app in de App Store of een virtuele aankoop in een app die wordt afgerekend met het betaalsysteem in de App Store. De stichtingen zijn van mening dat de WAMCA regeling (beter gezegd: de rechtsvordering strekkende tot schadevergoeding in een collectieve actie) ook van toepassing is op de gestelde gebeurtenissen van voor 15 november 2016, omdat die gebeurtenissen na die datum zijn voortgezet door Apple c.s. De stichtingen stellen dat in een dergelijk geval het nieuwe collectieve actierecht van toepassing is, omdat dit zo is toegelicht in de motie Van Gent c.s. die heeft geleid tot artikel 119a lid 2 ONBW:

“In het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden, is het recht van toepassing zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden.”

Apple c.s. heeft daartegen aangevoerd dat als al sprake is van een schadeveroorzakende gebeurtenis, dit moet zijn het besluit van Apple Inc. uit 2008 over de introductie van de App Store en de voorwaarden voor die virtuele winkel. Daarnaast betwist Apple c.s. de uitleg van artikel 119a lid 2 ONBW zoals de stichtingen die voor ogen hebben betreffende een reeks van gebeurtenissen. Volgens Apple c.s. is in deze procedure het oude collectieve actieregime van toepassing en kunnen de stichtingen in deze procedure geen schadevergoeding vorderen.

Een soortgelijk debat over de gebeurtenis, reeks van gebeurtenissen en welk collectief actierecht van toepassing is wordt gevoerd in twee inmiddels aanhangige cassatieprocedures bij de Hoge Raad, zoals ook RCJ en Apple c.s. hebben opgemerkt in hun laatste aktes na het arrest van het HvJ-EU. De vraag over het overgangsrecht van het collectieve actierecht ligt dus voor bij de Hoge Raad. In beide zaken zijn inmiddels ook conclusies door de advocaat-generaal genomen. RCJ heeft weliswaar nadrukkelijk gewezen op de verschillen tussen die bij de Hoge Raad aanhangige zaken en deze procedure, maar de vraag over het overgangsrecht bij een reeks van gebeurtenissen is nadrukkelijk aan de orde gesteld in de conclusie van advocaat-generaal mr. Snijders van 6 maart 2026.

In zijn conclusie heeft advocaat-generaal mr. Snijders gewezen op de verschillende toepassingen in de (lagere) rechtspraak van het overgangsrecht in WAMCA-procedures, met name als sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. In sommige van dergelijke gevallen is het sinds 1 januari 2020 geldende actierecht ook van toepassing verklaard op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden (zoals RCJ en ASC in deze procedure voorstaan), en in andere gevallen is beslist dat de WAMCA-regeling juist niet van toepassing is op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016 (zoals Apple c.s. in deze procedure heeft betoogd) en is op die datum een knip geplaatst. De advocaat-generaal kiest voor deze laatste mogelijkheid en adviseert de Hoge Raad duidelijkheid te verschaffen over de wijze waarop het overgangsrecht moet worden toegepast, met name als sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel voor als na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden. Advocaat-generaal mr. Ibili heeft in zijn conclusie in de andere bij de Hoge Raad aanhangige zaak dit standpunt van mr. Snijders overgenomen.

Uit het bovenstaande volgt dat de stelling van ASC dat de beslissing over het collectieve actierecht in deze procedure kan worden gebaseerd op een eerdere uitspraak van deze rechtbank in een andere WAMCA-procedure, niet zonder meer kan worden gevolgd. Mr. Snijders stelt namelijk nadrukkelijk aan de orde of het nieuwe collectieve actierecht van toepassing kan zijn op alle gebeurtenissen, ook als die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, als onderdeel van een reeks van gebeurtenissen.

De Hoge Raad zal over het toepasselijke collectieve actierecht en het overgangsrecht beslissen in de bij haar lopende procedures. Bovendien is aannemelijk dat in die uitspraken van de Hoge Raad ook duidelijkheid worden gegeven over de betekenis van een reeks van gebeurtenissen voor de vaststelling welk collectief actierecht van toepassing is. De rechtbank ziet hierin aanleiding het oordeel van de Hoge Raad af te wachten.

Daarom wordt op dit moment de beslissing in onderhavige procedure over het toepasselijk collectief actierecht aangehouden totdat de Hoge Raad in de twee genoemde bij hem aanhangige procedures heeft beslist. Daarna zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich op een termijn van zes weken bij akte kort uit te laten over de betekenis van die uitspraken van de Hoge Raad voor deze procedure, waarna in beginsel vonnis zal worden gewezen over het toepasselijk collectief actierecht.

5. Verder verloop van de procedure

RCJ heeft betoogd dat sinds 2023 enige wijzigingen hebben plaatsgevonden in haar organisatie en dat dit van belang is voor de procedure. RCJ wordt in de gelegenheid gesteld een korte akte over dit – nadrukkelijk: beperkt tot dit – onderwerp in te dienen binnen een termijn van 4 weken na heden en zorg te dragen dat die akte ook in het Centraal Register voor Collectieve Vorderingen wordt opgenomen, zodat de personen namens wie RCJ stelt de belangen te behartigen ook op de hoogte kunnen komen van die wijzigingen in haar organisatiestructuur.

Vervolgens zal de zaak worden verwezen naar de parkeerrol van 1 oktober 2026. De rechtbank zal de zaak opbrengen in de week nadat de Hoge Raad uitspraak heeft gedaan in de twee procedures met zaaknummers 24/04589 en 25/00198.

afsluitende overweging

Deze procedure wordt meervoudig behandeld. Dat houdt in dat partijen hun aktes in viervoud op papier moeten indienen en bij voorkeur ook digitaal. Producties mogen in enkelvoud op papier en digitaal.

6. De beslissing

De rechtbank

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de door RCJ ten behoeve van de ontwikkelaars ingestelde vorderingen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 10 juni 2026 voor akte uitlating aanpassingen organisatiestructuur door RCJ,

verwijst de zaak vervolgens naar de parkeerrol van 7 oktober 2026 in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad in de procedures met zaaknummers 24/04589 en 25/00198,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, mr. C.M.E. de Koning en mr. J.T. Kruis, rechters, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.M.E. de Koning
  • mr. J.T. Kruis

Griffier

  • mr. R.E.R. Verloo

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand