ECLI:NL:RBAMS:2026:4591

ECLI:NL:RBAMS:2026:4591

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 01-05-2026
Datum publicatie 11-05-2026
Zaaknummer 13/229673-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verdachte is veroordeeld voor openlijke geweldpleging, gepleegd in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025, te Amsterdam. Aangeefsters worden aan geweldshandelingen onderworpen. Hierbij worden onder andere een vuurwapen, een boksbeugel en een mes getoond en bedreigingen geuit. Een anoniem gebleven omstander die aangeefsters te hulp schiet, wordt geslagen met het vuurwapen. De bijdrage van verdachte was van voldoende gewicht, waardoor de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde komt. Aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 120 uren ene een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

vonnis

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/229673-25

Datum uitspraak: 1 mei 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] .

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.S. Gerritsen en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T. Scheffer naar voren hebben gebracht. De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en wat hierover namens hen door hun advocaat, mr. J. Kluivers, naar voren is gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging in of omstreeks de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 in Amsterdam.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte - partieel - dient te worden vrijgesproken van alle gedragingen, met uitzondering van het afpakken en weggooien van de telefoon en het (mogelijk) geven van een duw, wat hij bekent. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat verdachte ook andere handelingen heeft verricht of dat hij daaraan een wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het tenlastegelegde feit bewezen op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen en de hiernavolgende overwegingen.

Feiten en omstandigheden

Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast over het verloop van het geweldsincident en de geweldshandelingen die daarbij zijn gepleegd.

In de nacht van 25 op 26 augustus 2025 worden aangeefsters [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] lastiggevallen, uitgescholden en mishandeld door twee jongens. Als aangeefsters zich tegen deze jongens proberen te verweren, voegt zich een groep van ongeveer zes mannen bij hen. Aangeefsters worden vervolgens door verschillende mannen geslagen, geduwd en onderworpen aan allerlei geweldshandelingen, zoals genoemd in de tenlastelegging. Hierbij worden onder andere een vuurwapen, een boksbeugel en een mes getoond en bedreigingen geuit. Een anoniem gebleven omstander die aangeefsters te hulp schiet, wordt geslagen met het vuurwapen. Het conflict is deels vastgelegd op camerabeelden, waarop te zien is dat enkele mannen in de richting van aangeefsters rennen, gevolgd door een grotere groep mannen, waarna geduw en getrek ontstaat. Verdachte is door verbalisanten herkend als één van de mannen op de beelden.

Verdachte heeft verklaard dat hij niet een van de twee jongens is die als eerste op de vrouwen afgingen en dat hij juist heeft geprobeerd de situatie te sussen door personen uit elkaar te halen. Voorts heeft hij verklaard dat hij een telefoon uit de handen van een van de aangeefsters heeft getrokken en haar daarbij mogelijk heeft geduwd, omdat hij niet gefilmd wilde worden. Verdachte ontkent verdere geweldshandelingen.

De rechtbank stelt op basis van de beelden en de verklaringen van de verschillende getuigen vast dat verdachte inderdaad niet een van de jongens is die als eerste op de vrouwen afgingen. Hij heeft zich kort daarna in het al lopende conflict gemengd.

Anders dan verdachte verklaart, heeft hij daarbij niet de-escalerend opgetreden. De twee getuigen die hierover op verzoek van de verdediging bij de rechter-commissaris zijn gehoord hebben weliswaar verklaard dat verdachte de situatie zou hebben geprobeerd te sussen, maar zij verklaren ook dat zij niet alles hebben gezien. Verder wijst ander bewijs uit het dossier juist op een actieve rol van verdachte. Op zitting is de aangifte van [benadeelde partij 2] besproken en zijn de beelden bekeken van de persoon die haar telefoon zou hebben afgepakt en haar een duw zou hebben gegeven. Verdachte bekent dat hij dit was en de rechtbank acht het afpakken van de telefoon en het duwen van [benadeelde partij 2] dan ook bewezen.

Aangeefster [benadeelde partij 1] heeft verder verklaard dat zij door NN5 is geslagen en zij verwijst daarbij naar een door haar van NN5 gemaakte foto. De beschrijving die zij van NN5 geeft komt overeen met onderscheidende kenmerken van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij de persoon op de foto is en verdachte is ook door verbalisanten als zodanig herkend. De rechtbank gaat er, ondanks de ontkenning van verdachte, dan ook van uit dat verdachte [benadeelde partij 1] ook heeft geslagen.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe dit handelen van verdachte gekwalificeerd dient te worden.

Het openlijk en in vereniging plegen van geweld

Vooropgesteld dient te worden dat, om te bewijzen dat een verdachte opzettelijk in vereniging geweld heeft gepleegd, een verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het ten laste gelegde geweld moet hebben geleverd.

Daarbij dient te worden beoordeeld of de door verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van voldoende gewicht is om hem als medepleger voor dat geweld verantwoordelijk te houden. Voor een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van geweld zoals in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is beschreven, maakt het immers in beginsel niet uit welke verdachte iedere individuele ten laste gelegde geweldshandeling heeft gepleegd, zodat het geweld gepleegd door de medeverdachten ook voor rekening van verdachte kan komen.

De rechtbank constateert dat verdachte onderdeel heeft uitgemaakt van een groep personen die allen op verschillende manieren hebben bijgedragen aan het plegen van geweld tegen aangeefsters en een anonieme omstander. Hoewel verdachte niet degene was die de aangeefsters aanvankelijk heeft lastiggevallen, blijkt uit de aangiftes, de getuigenverklaringen en de herkenningen dat hij zich kort daarna bij de groep heeft gevoegd die bestond uit meerdere mannen die tegen de vrouwen geweldshandelingen pleegden. Daarbij is niet gebleken dat verdachte actie heeft ondernomen om het geweld te voorkomen of te stoppen. Integendeel, verdachte heeft een telefoon uit de handen van een van de aangeefster getrokken, haar geduwd en heeft een andere aangeefster geslagen.

De in de tenlastegelegde beschreven handelingen moeten naar het oordeel van de rechtbank worden gezien als één geheel van geweldshandelingen door de groep tegen de aangeefsters en de anonieme omstander zoals die volgen uit hun aangiftes en de verklaringen van getuigen. Verdachte heeft met zijn handelingen een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan dat openlijke geweld.

Gelet op het hierboven beschreven juridisch kader van openlijke geweldpleging staat de omstandigheid dat verdachte niet iedere tenlastegelegde geweldshandeling zelf heeft verricht niet aan een bewezenverklaring in de weg. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde zoals hierna in rubriek 4 beschreven.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 25 augustus 2025 tot en met 26 augustus 2025 te Amsterdam aan de Jacques Oppenheimstraat openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meer personen, te weten:

- [benadeelde partij 1] ,- [benadeelde partij 2] ,- [benadeelde partij 3] en - een (anonieme) omstander,

welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit:- het (in een groep) afrennen op één of meer van die voornoemde personen,- het slaan (al dan niet met een boksbeugel) en vuistslagen geven op het hoofden het lichaam aan één of meer van die die voornoemde personen,- het vasthouden van één of meer van die voornoemde personen,- het op de grond gooien en duwen van één of meer van die voornoemdepersonen,- het afpakken en op de grond gooien van de telefoon van één of meer van dievoornoemde personen,- het trekken van (plukken) haar uit het hoofd van één of meer van die voornoemdepersonen,- het tevoorschijn halen en tonen van een vuurwapen,- (hierbij) te zeggen: "Jullie gaan dood. Jullie zijn er nog niet vanaf” en “Blijf opafstand of ik schiet ik je dood",- het tonen van een mes en een boksbeugel,- het op het hoofd slaan van voornoemde omstander met een vuurwapen, - het (vervolgens) doorladen van dit wapen en,- hierbij te zeggen dat als die omstander een melding zou maken, hij hem weet tevinden omdat hij het kenteken van het voertuig heeft.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij bewezenverklaring van het tenlastegelegde aan verdachte een vrijheidsbenemende straf op te leggen gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, al dan niet met een voorwaardelijk strafdeel. Daartoe is aangevoerd dat verdachte enkele dagen in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, terwijl de LOVS-oriëntatiepunten in beginsel een werkstraf indiceren. Een onvoorwaardelijke detentie zou bovendien leiden tot verlies van zijn baan en inkomen en het vervallen van zijn urgentieverklaring voor een woning.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich in een groep schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld tegen drie jonge vrouwen en een anonieme omstander. Daarbij zijn de vrouwen meermaals geduwd, geschopt, geslagen en vastgehouden als gevolg waarvan zij letsel hebben opgelopen. Ook zijn zij bedreigd met een vuurwapen, een mes en een boksbeugel. Verdachte heeft ook met zijn bijdrage aan dat geweld inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van geweldsincidenten zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden. Bovendien heeft het geweld zich in het openbaar, namelijk buiten op straat, afgespeeld, waardoor ook omstanders hiermee zijn geconfronteerd. Dit kan ook voor hen een nare en beangstigende gebeurtenis zijn geweest.

Persoon van verdachte

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het strafblad van verdachte. De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 16 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor openlijke geweldpleging. Gelet hierop is sprake van recidive en dat zal in strafverzwarende zin worden meegewogen. De rechtbank ziet dat ook dat verdachte de afgelopen jaren minder in aanraking is gekomen met politie en justitie. Hij probeert een stabiele basis op te bouwen om een leven te leiden zonder criminaliteit. Zo heeft verdachte inmiddels al langere tijd een vaste baan met een stabiel inkomen en staat hij op de wachtlijst voor een eigen huis. Een langdurige gevangenisstraf zal er vermoedelijk toe leiden dat verdachte zijn baan kwijtraakt en ook zijn urgentiestatus voor het verkrijgen van een huurwoning.

Straf

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin is vermeld welke straffen doorgaans worden opgelegd voor openlijk geweldpleging. Indien de openlijke geweldpleging lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, zoals hier aan de orde, wordt een taakstraf van 150 uur als uitgangspunt genomen.

Alles afwegende zal de rechtbank, in afwijking van de strafeis, aan verdachte een taakstraf opleggen in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Omdat verdachte eerder al voor soortgelijke feiten is veroordeeld, vindt de rechtbank een flinke voorwaardelijke gevangenisstraf passend, zodat verdachte een stok achter de deur heeft die hem ervan moet weerhouden nogmaals een (dergelijk) strafbaar feit te plegen. De rechtbank legt verdachte daarom naast een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur ook een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van 2 maanden met een proeftijd van twee jaren.

8. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 2.173,62 aan materiële schade en € 2.500, - aan immateriële schade, die is geleden als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 120,16 aan materiële schade en € 2.500, - aan immateriële schade, die is geleden als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 1.233,47 aan materiële schade en € 2.500, - aan immateriële schade, die is geleden als gevolg van het aan verdachte ten laste gelegde, te vermeerderen met de wettelijke rente, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en het verzoek verdachte hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.

Standpunten officier van justitie en raadsman

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van de benadeelde partijen hoofdelijk toegewezen kunnen worden, vermeerderd met de wettelijke rente en met de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman verzoekt de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren, enerzijds omdat hij vrijspraak bepleit en anderzijds omdat de vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd dan wel het causaal verband ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal de materiële schade met betrekking tot het eigen risico en de schade aan de ketting toewijzen, nu de gevorderde schadevergoeding voldoende is onderbouwd en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De rechtbank begroot de materiële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 1] op een bedrag van € 126,53 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025. Ten aanzien van de overige gevorderde materiële schade verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering op deze punten onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding geldt het volgende. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Benadeelde [benadeelde partij 1] heeft gesteld dat zij onder meer een neusfractuur heeft opgelopen en heeft het letsel onderbouwd met stukken.

Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 1] naar billijkheid op een bedrag van € 2.500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te passen gijzeling op 26 dagen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal de vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de materiële schade, toewijzen, nu de gevorderde schadevergoeding voldoende is onderbouwd en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De rechtbank begroot de materiële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 2] op een bedrag van € 120,16 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding geldt het volgende. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Benadeelde [benadeelde partij 2] heeft gesteld dat zij letsel heeft opgelopen en heeft dit onderbouwd met stukken.

Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 2] naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te passen gijzeling op 11 dagen.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

De rechtbank zal de vorderingen, voor zover deze betrekking hebben op de materiële schade, toewijzen, nu de gevorderde schadevergoeding voldoende is onderbouwd en deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De rechtbank begroot de materiële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 3] op een bedrag van € 1.233,47 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding geldt het volgende. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Benadeelde [benadeelde partij 3] heeft gesteld dat zij letsel heeft opgelopen en heeft dit onderbouwd met stukken.

Rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade ten aanzien van benadeelde [benadeelde partij 3] naar billijkheid op een bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 augustus 2025.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling aan hen de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd. De rechtbank bepaalt de duur van de eventueel op grond van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) toe te passen gijzeling op 22 dagen.

Hoofdelijk

Nu de schade van de benadeelden is veroorzaakt door een groep waar verdachte deel van uitmaakte en de kans op het toebrengen van schade verdachte en zijn medeverdachten niet heeft weerhouden van hun gedragingen in dit groepsverband, is verdachte ingevolge artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk voor de ontstane schade bij de benadeelde partijen. Deze beoordeling levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op nu dit rechtstreeks volgt uit de wet.

De gevorderde bedragen zullen dan ook geheel worden toegewezen, met dien verstande dat verdachte tegenover de benadeelde partijen voor de gehele bedragen aansprakelijk is, maar verdachte van zijn betalingsverplichtingen wordt bevrijd als en voor zover door een ander of anderen is betaald.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijke geweldpleging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 126,53 (zegge: honderdzesentwintig euro en drieënvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover de vordering al door een ander is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 2.626,53 (zegge: tweeduizend zeshonderdzesentwintig euro en drieënvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 26 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 120,16 (zegge: honderdtwintig euro en zestien eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000, - (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] , behalve voor zover de vordering al door een ander is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 1.120,16 (zegge: duizend honderdtwintig euro en zestien eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.233,47 (zegge: duizend tweehonderddrieëndertig euro en zevenenveertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en € 1.000, - (zegge: duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] , behalve voor zover de vordering al door een ander is betaald.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel:

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 2.233,47 (zegge: tweeduizend tweehonderddrieëndertig euro en zevenenveertig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (26 augustus 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 22 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het — geschorste — bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. B.C. Langendoen en J.V.L. van Well, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M. Essink, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 mei 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.K. Glerum

Griffier

  • mr. A.M. Essink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand