RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/768763 / HA ZA 25-1017
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eisende partij] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. A.J.W. van Elk,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONVENT CAPITAL I B.V.,
gevestigd te Amsterdam,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DUCATE GROUP B.V.,
gevestigd te Woerden,3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONVENT CAPITAL MANAGEMENT 2 B.V.,
gevestigd te Amsterdam,4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
CONVENT CAPITAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. M.H.C. Sinninghe Damsté.
De eisende partij zal hierna [eisende partij] worden genoemd. De gedaagde partijen zullen hierna gezamenlijk Convent Capital c.s. en ieder afzonderlijk CC I, Ducate Group, CCM 2 en Convent Capital worden genoemd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 april 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties,- het tussenvonnis van 3 september 2025, waarbij een mondelinge behandeling is
bepaald,- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 18 december 2025,
met de daarin genoemde processtukken.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eisende partij] is een holdingmaatschappij, waarvan R.M.A. [naam 1] enig aandeelhouder en bestuurder is.
CC I is een investeringsvehikel. Convent Capital is bestuurder en medeaandeelhouder van CC I. Convent Capital is tevens bestuurder en aandeelhouder van CCM 2. [naam 2] en [naam 3] zijn indirect bestuurders en aandeelhouders van Convent Capital.
[eisende partij] was oprichter en (indirect) aandeelhouder van [naam B.V.] . (hierna: [naam B.V.] ), een onderneming op het gebied van de verkoop en levering van professionele horeca-apparatuur en grootkeukentechniek. In 2018 heeft [eisende partij] kenbaar gemaakt haar aandelen in [naam B.V.] te willen verkopen. Convent Capital en mede-investeerders hebben zich vervolgens gemeld als geïnteresseerde partij. Voor de beoogde transactie is op 10 april 2019 de vennootschap Ducate Group opgericht. CCM 2 is de bestuurder van Ducate Group.
Onderdeel van de afspraken die door de kopende partijen met [eisende partij] zijn gemaakt is dat [eisende partij] een deel van het te ontvangen bedrag zou herinvesteren in Ducate Group en dat [eisende partij] in dat kader 195.392 aandelen in Ducate Group zou verkrijgen tegen betaling van een bedrag van € 4.218.477,87.
Op 23 mei 2019 heeft [eisende partij] de aandelen in [naam B.V.] (indirect) verkocht en geleverd aan Ducate Group en is [eisende partij] medeaandeelhouder van Ducate Group geworden. De aandelen in Ducate Group zijn daarbij als volgt verdeeld:
De aandeelhouders in Ducate Group hebben hun onderlinge relatie op 23 mei 2019 vastgelegd in een aandeelhoudersovereenkomst. In artikel 8.2 van deze aandeelhoudersovereenkomst is aan [eisende partij] het recht verleend om vanaf de vaststelling van de geconsolideerde jaarrekening van Ducate Group over het jaar 2020, haar aandelen in Ducate Group te verkopen en over te dragen aan de overige aandeelhouders van Ducate Group. Dit is in de aandeelhoudersovereenkomst aangeduid als de “Put Optie”.
In 2020 is Ducate Group als gevolg van de corona-crisis bij haar bank in bijzonder beheer beland. In het kader van de vereiste noodfinanciering heeft Ducate Group toen naast de gewone aandelen, cumulatief preferente aandelen geïntroduceerd (hierna: cumprefs). [eisende partij] heeft vervolgens in mei 2020 op verzoek van CC I een bedrag van € 667.307,21 in Ducate Group geïnvesteerd en daar 195.392 cumprefs voor ontvangen.
Als gevolg van de introductie van de cumprefs hebben de aandeelhouders van Ducate Group op 3 juli 2020 een nieuwe aandeelhoudersovereenkomst (hierna: de SHA) gesloten. In de SHA is het recht van [eisende partij] om de aandelen in Ducate Group aan de andere aandeelhouders te verkopen en over te dragen beperkt tot de “gewone aandelen”, dus de aandelen die [eisende partij] op 23 mei 2019 heeft verkregen, en is het eerste moment waarop [eisende partij] de Put Optie kan uitoefenen verplaatst naar het moment waarop de geconsolideerde jaarrekening van Ducate Group over het boekjaar 2023 is vastgesteld. De hier van belang zijnde artikelen in de SHA luiden sindsdien als volgt.
De Aandeelhouders, niet zijnde [eisende partij] , verlenen hierbij aan [eisende partij] onherroepelijk het recht om op het moment waarop de consolideerde jaarrekening van de Vennootschap over het boekjaar 2023 is vastgesteld (wat niet later zal worden gedaan in de maand mei van het daaropvolgende boekjaar) en gedurende 1 maand daarna de Optieaandelen te verkopen en over te dragen aan de overige Aandeelhouders (de “ Put Optie ”), die alsdan - met inachtneming van de laatste zin van dit artikel - gehouden zijn het aanbod te aanvaarden en een pro rata deel van de Optieaandelen over te nemen, tegen betaling van een koopprijs gelijk aan het bedrag dat [eisende partij] heeft gestort op de Optieaandelen vermeerderd met een rentevergoeding van 15% op jaarbasis over het gestorte bedrag gerekend vanaf de datum van deze Overeenkomst tot en met de datum van uitoefening van de Put Optie (de “ Uitoefenprijs ”). Indien een Aandeelhouder het aanbod om een pro rata deel van de Optieaandelen op grond van dit Artikel 8.2 te verkrijgen niet aanvaardt, zal Convent Capital de betreffende Aandelen overnemen. Indien een Aandeelhouder of Convent Capital de Optieaandelen op grond van dit Artikel 8.2 niet geheel aanvaardt, zal de Vennootschap op eerste verzoek van [eisende partij] de Optieaandelen inkopen tegen betaling van de koopprijs zoals uiteengezet in dit Artikel 8.2 .
(…)
De levering van de Optieaandelen zal uiterlijk binnen de 10 kalenderdagen na uitoefening van de (…) Put Optie plaatsvinden door middel van het passeren van een gebruikelijke notariële leveringsakte ten overstaan van een door Convent Capital aangewezen notaris. De betaling van de koopprijs voor de Optieaandelen zal bij de levering van de Optie aandelen plaatsvinden via de kwaliteitsrekening van de betreffende notaris. Ter zake van de levering van de Optieaandelen zal [eisende partij] geen andere garanties verstrekken dat de gebruikelijke “titelgaranties” op de Optieaandelen.
(…)
Deze overeenkomst kan uitsluitend worden gewijzigd door middel van een schriftelijke, door alle Partijen ondertekende daartoe strekkende verklaring.
(…)
Deze overeenkomst met Bijlagen beoogt een vastlegging te zijn van alle afspraken die tussen Partijen zijn gemaakt omtrent de aangelegenheden waaraan in deze Overeenkomst wordt gerefereerd, en treedt derhalve in de plaats van alle eerdere overeenkomsten die tussen Partijen omtrent die aangelegenheden (mochten) zijn gesloten en daaromtrent tussen Partijen en/of hun adviseurs uitgewisselde correspondentie. Als uitzondering op het voorgaande geldt dat het Supplement bij de Aandeelhoudersovereenkomst van 23 mei 2019 onverkort van kracht blijft.
In een e-mail van 15 november 2023 heeft [naam 1] aan [naam 3] en [naam 2] meegedeeld dat hij, conform de SHA, gebruik wil maken van de Put Optie met betrekking tot de aandelen in Ducate Group.
Op 22 november 2023 hebben [naam 1] en [naam 3] overleg gehad over de uitoefening van de Put Optie door [eisende partij] . In dat gesprek heeft [naam 3] meegedeeld dat Ducate Group niet de liquiditeit heeft om de Put Optie uit te nemen. Daarnaast heeft [naam 3] in een e-mail van 7 december 2023 aan [naam 1] meegedeeld dat bij Convent Capital niet de wens bestond om de Put Optie aandelen over te nemen.
Op 12 december 2023 heeft [naam 3] gebeld met [naam 1] . Blijkens een door Convent Capital c.s. overgelegde transcriptie van dit telefoongesprek is daarin met betrekking tot de Put Optie onder meer het volgende gezegd:
De heer [naam 1] : (…) Ik vraag eigenlijk gewoon uitleg en een aantal vragen stel ik en daar krijg ik geen antwoord op. Dat staat er [….]
De heer [naam 3] : Nee maar dat staat allemaal in de aandeelhoudersovereenkomst. Nogmaals, er staat geen Chinees. Nadat de jaarrekening 2024 is, (correctie) 2023, is vastgesteld. Die niet later [….] Staat ergens in april, kan die Put Optie worden uitgeoefend. Dat staat er die riedel in van eerst een aandeelhouders, en dan Convent en als die allemaal niet willen dan uiteindelijk moet de vennootschap dat inkopen. Daar staat toch niet iets heel gek?
De heer [naam 1] : Nee en dan vraag ik aan jou, ik heb daar geen verstand van, en dan vraag ik aan jou: ‘van joh, dan moet er een lening daarvoor gaan aanvragen en stel dat ze die niet krijgen van de bank, wat gebeurt er dan?’
(…)
De heer [naam 1] : Voor jou is het gesneden koek, voor mij is dit één keer in mijn leven. En ik begrijp het gewoon niet. En jij zegt jij hebt dat allemaal gelezen, joh ik heb zoveel gelezen dan, ik wist niet of we van voor of van achter leefde. En je leest dan, als je dat snel leest, want je leest zoveel. Dan staat er gewoon dan neemt Convent het over en dat heb ik gewoon begrepen, en nu eigenlijk staat er dan als Convent het niet wil overnemen moet de vennootschap het kopen. En dan denk ik nu, eigenlijk lees ik dat voor het eerst, dat klopt.
De heer [naam 3] : Nogmaals, daar kan ik niks aan doen, want daar ben ik niet bij en je advocaat heeft overal bij gezeten.(…)
In de daarop volgende maanden heeft Ducate Group onderzocht of het mogelijk was om door middel van een zogenoemde buy-and-build strategie, waarbij de financiering door Ducate Group van de aankoop van een andere onderneming en de als gevolg daarvan te verwachten winst gecombineerd zou kunnen worden met de betaling van de Uitoefenprijs aan [eisende partij] . Door [naam 1] zijn daarbij aan [naam 3] diverse keren suggesties gedaan voor door Ducate Group over te nemen bedrijven.
Op 7 april 2024 is de jaarrekening van Ducate Group vastgesteld. Bij e-mail van 23 april 2024 heeft [naam 1] vervolgens aan onder meer [naam 3] en [naam 2] gevraagd aan hem te bevestigen dat aan de voorwaarden voor uitoefening van de Put Optie is voldaan en heeft hij gevraagd om dit conform de SHA af te wikkelen.
In een e-mail van 24 april 2024 heeft [naam 3] aan [naam 1] bevestigd dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van de Put Optie is voldaan en dat conform de SHA zal worden geacteerd, maar dat daar afdoende tijd voor nodig is.
[eisende partij] heeft een e-mail van 8 mei 2024 overgelegd waarin [naam 3] is gesommeerd om de Put Optie na te komen en te betalen en waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat:
Daarbij leg ik nogmaals vast dat wij duidelijk hebben afgesproken, ondank jouw verzoek aan mij om potentiële bedrijven door te geven voor buy&build mogelijkheden aan te kopen, waardoor jij mijn uitkoopsom makkelijk zoals jij zelf hebt gezegd “weg kan moffelen” in een grote financiering; dat de 15% rente vergoeding doorloopt tot het moment van daadwerkelijke betaling / afrekening van mijn put optie aandelen.
Op 24 september 2024 is in een aandeelhoudersvergadering van Ducate Group geconcludeerd dat de buy-and-build strategie niet langer haalbaar was. Naar aanleiding van de notulen van deze vergadering heeft [naam 1] aan onder meer [naam 3] een e-mail gestuurd. Daarin staat onder meer het volgende:
Nog even ter bevestiging wat vanmiddag besproken is, omdat dit niet in Notulen (…) stond:.
Ik heb wederom gevraagd om de PUT-optie welke ik reeds op 22 november 2023 december had aangegeven om gebruik van te gaan maken. Ook op 7 december en ook op een later moment heb jij aangegeven, hier de SHA te volgen.
In de SHA staat dat binnen 10 kalenderdagen na de uitoefening van de optie zouden de aandelen geleverd moeten worden, dus 8 april en max. 10 dagen; is uiterlijk 18 april.
Inmiddels is het 24 september, en ja de rente loopt natuurlijk gewoon door, maar ik wil dat dit ook nu eindelijk wordt afgewikkeld zoals ook door Dirk bevestigd.
In reactie op voormelde e-mail heeft [naam 3] diezelfde dag per e-mail aan [naam 1] meegedeeld dat hij de inhoud van de e-mail van [naam 1] niet kan plaatsen en dat de Put Optie richting Ducate Group is en niet richting CC I.
Op 3 oktober 2024 heeft Ducate Group de notaris verzocht om een concept leveringsakte op te stellen met daarin de titel koop/verkoop. [naam 1] heeft diezelfde dag een e-mail gestuurd met als bijlage zijn berekening van de koopsom van de aandelen. In die berekening liep de rente van 15% door tot en met 7 oktober 2024 en was ook de waarde van de cumprefs meegenomen en kwam [naam 1] op een totale koopsom van circa € 10,4 miljoen.
Op 6 november 2024 heeft Ducate Group aan [naam 1] een door de notaris opgestelde concept leveringsakte voor de inkoop van de optieaandelen gezonden. In dit concept waren de cumprefs niet meegenomen. Ducate Group heeft in deze e-mail voorgesteld om ook de cumprefs van [eisende partij] in te kopen tegen de kostprijs van € 667.307 en de totale koopprijs op € 9.064.241 te bepalen. De rente van 15% was daarbij berekend tot en met 23 april 2024. In reactie daarop heeft [naam 1] op 6 november 2024 aan Ducate Group een e-mail gestuurd waarin hij meedeelde dat als er niet akkoord zou worden gegaan met de waarde die hij aangaf, dan hij dan contact zou zoeken met een advocaat om de zaak juridisch af te handelen waarbij er naast rente ook alle kosten zouden worden verhaald.
Op 7 november 2024 heeft [naam 1] aan Convent Capital een aantal berekeningen van de waarde van de Put Optie in de periode van 15 november 2024 tot en met 6 december 2024 gezonden. De totaalbedragen liepen daarbij op van € 10.477.027,15 (15 november 2024) tot € 10.502.332,36 (6 november 2024). Ook in die berekeningen waren de cumprefs meegenomen en werd uitgegaan van een doorlopende rente van 15%.
In een e-mail aan [naam 1] van 14 november 2024 heeft Ducate Group onder meer betwist dat de wettelijke handelsrente van toepassing is en dat de cumprefs onder de Put Optie vallen. Om de discussie omtrent de cumprefs en de rentevergoeding te beëindigen is daarbij aan [naam 1] een totale koopsom van € 9.300.000,- voorgesteld. Partijen hebben vervolgens in de daarop volgende periode onderhandeld over de te betalen koopsom, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen.
Bij brief van 3 maart 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] CC I en Ducate Group gesommeerd om binnen 14 dagen de gewone door [eisende partij] in Ducate Group gehouden aandelen af te nemen tegen een koopsom van € 8.400.198,56, vermeerderd met een wettelijke handelsrente van 15%, zijnde per 27 februari 2025 een bedrag van € 1.036.801,06.
Op 19 maart 2025 heeft [eisende partij] conservatoir beslag gelegd op de door CC I in Ducate Group gehouden aandelen en op de aandelen die door Ducate Group in Ducate Holding B.V. worden gehouden. Op 28 maart 2025 heeft de voorzieningenrechter de termijn waarbinnen door [eisende partij] in verband met de conservatoire beslagen een hoofdzaak dient te worden gestart, verlengd met 14 dagen.
Bij brief van 24 maart 2025 hebben Ducate Group en CC I, [eisende partij] gesommeerd om de beslagen op de aandelen op te heffen en [eisende partij] aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de gelegde beslagen. Verder is in de brief onder meer betwist dat CC I gehouden is de gewone door [eisende partij] gehouden aandelen over te nemen, is aangevoerd dat de SHA alleen voor Ducate Group verplichtingen in het leven roept, maar dat Ducate Group niet de liquide middelen heeft om de Put Optie aandelen over te nemen.
In een brief van 11 april 2025 heeft [eisende partij] CCM 2 en Convent Capital, als direct en indirect bestuurders van Ducate Group, aansprakelijk gesteld voor de schade voor [eisende partij] die voortvloeit uit het door Ducate Group niet afnemen van de optieaandelen.
Op 15 april 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] gebeld met de advocaat van Ducate Group en daarbij meegedeeld dat [eisende partij] bereid is de optieaandelen te leveren voor het bedrag van € 8.4 miljoen en dan te procederen over de vraag of er ook nog rente betaald moet worden. Ducate Group heeft daarop gereageerd dat zij daartoe alleen bereid was als [eisende partij] afstand deed van haar vordering op de rente. [eisende partij] was daartoe niet bereid.
3. Het geschil
in conventie
[eisende partij] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. Primair:
(i) CC I beveelt om binnen twintig dagen alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen tegen betaling van een koopprijs van € 8.400.198,56, vermeerderd met de contractuele rente vanaf 23 april 2024, dan wel de wettelijke handelsrente van 15% per jaar vanaf 4 mei 2024, dan wel een andere handelsrente te rekenen vanaf 4 mei 2024, en mee te werken aan het passeren van een akte van levering,
(ii) Ducate Group beveelt om binnen twintig dagen alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen tegen betaling van een koopprijs van € 8.400.198,56, vermeerderd met een contractuele rente vanaf 23 april 2024, dan wel de wettelijke handelsrente van 15% per jaar vanaf 4 mei 2024, dan wel een andere handelsrente vanaf 4 mei 2024, en mee te werken aan het passeren van een akte van levering,
(iii) aan de bevelen onder (i) en (ii) een dwangsom verbindt van € 10.000,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat CC I, respectievelijk Ducate Group, de hiervoor onder (i) respectievelijk (ii) genoemde verplichting niet naleeft, met een maximum van €1.000.000,-,
(iv) met dien verstande dat CC I niet gehouden is tot de verplichting onder (i) indien Ducate Group de betreffende aandelen heeft gekocht, afgenomen en betaald aan [eisende partij] en dat Ducate niet gehouden is tot de onder (ii) genoemde verplichting indien CC I de betreffende aandelen heeft gekocht, afgenomen en betaald aan [eisende partij] ,
II. Subsidiair, indien en voor zover zou vaststaan dat artikel 2:207 BW de koop van alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group door Ducate Group niet mogelijk zou maken en tevens CC I geen verplichting zou hebben die aandelen te kopen krachtens de Put Optie:
(i) Ducate Group beveelt alles te doen wat nodig is om zo spoedig mogelijk te voldoen aan de eisen van artikel 2:207 BW, zodat Ducate Group alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group kan afnemen nemen tegen betaling aan [eisende partij] van een koopprijs van € 8.400.198,56, vermeerderd met een contractuele rente over dat bedrag vanaf 23 april 2024, dan wel de wettelijke handelsrente van 15% per jaar te rekenen vanaf 4 mei 2024, dan wel een andere handelsrente te rekenen vanaf 4 mei 2024, en dat tot de verplichting onder meer behoort het zo snel mogelijk verkrijgen van financiering voor de hiervoor genoemde koopprijs, en,
(ii) Ducate Group te bevelen om, zodra aan de eisen van artikel 2:207 BW is voldaan, binnen twintig dagen na het voldoen aan de eisen van artikel 2:207 BW alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen tegen betaling aan [eisende partij] van een koopprijs van € 8.400.198,56, vermeerderd met een contractuele rente vanaf 23 april 2024, dan wel de wettelijke handelsrente van 15% per jaar te rekenen vanaf 4 mei 2024, dan wel een andere handelsrente te rekenen vanaf 4 mei 2024, en mee te werken aan het passeren van een akte van levering onder gelijke voorwaarden als de Concept Leveringsakte,
(iii) aan de bevelen onder (i) en (ii) een dwangsom verbindt van € 10.000,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat Ducate Group de hiervoor subsidiair onder (i) respectievelijk (ii) genoemde verplichting niet naleeft, met een maximum van € 1.000.000,-,
III. voor recht verklaart dat CCM 2 als bestuurder van Ducate Group onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en CCM 2 en Convent Capital hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van de door [eisende partij] geleden schade, nader op te maken bij staat;
IV. CC I en Ducate Group veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 6.775,- aan buitengerechtelijke incassokosten,
V. CC I, Ducate Group en CCM 2 veroordeelt in de proceskosten, met inbegrip van de beslagkosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
Convent Capital c.s. voert verweer. Convent Capital c.s. concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
Convent Capital c.s. vordert - samengevat - dat de rechtbank, zover mogelijk bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. onder de voorwaarde van het verkrijgen van financiering uit het ophanden zijnde verkoopproces, [eisende partij] veroordeelt tot levering van de aandelen tegen de overeengekomen prijs van € 8.400.198,56 en met inbegrip van de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente,
2. [eisende partij] veroordeelt om met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden het onrechtmatig handelen jegens ieder van de gedaagden en bij haar betrokkenen, waaronder (i) het doen van onrechtmatige uitlatingen of uitlatingen van gelijke strekking over en/of betreffende gedaagden, richting aandeelhouders, marktpartijen en andere derden en (ii) het maken van geluidsopnames en camerabeelden zonder instemming van (betrokkenen bij) gedaagden en de dochtervennootschappen van Ducate Group, waaronder hun werknemers, functionarissen, bestuursleden en afdelingen;
3. [eisende partij] met onmiddellijke ingang gebiedt om (i) te verwijderen en verwijderd te houden de door haar zonder toestemming gemaakte geluidsopnames en camerabeelden van aangelegenheden binnen of aangaande (dochtervennootschappen van) Ducate Group alsmede (ii) een overzicht te verstrekken van al dit (beeld)materiaal en vervolgens een bewijs dat dit materiaal overeenkomstig het gebod onder (i) verwijderd is,
4. opheft de door [eisende partij] gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van CC I in Ducate Group en/of Ducate Group in Ducate Holding,
5. voor recht verklaart dat het leggen van het conservatoir beslag op de aandelen van CC I in Ducate Group en/of Ducate Group in Ducate Holding onrechtmatig is en voor recht verklaart dat [eisende partij] met ieder (afzonderlijk) beslag onrechtmatig heeft gehandeld, en
6. [eisende partij] veroordeelt tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 5.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere gehele of gedeeltelijke overtreding door [eisende partij] van een of meer van de hiervoor genoemde vorderingen onder 1, 2, en/of 3.
7. [eisende partij] veroordeelt in de proceskosten.
[eisende partij] voert verweer. [eisende partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Convent Capital c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Convent Capital c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Convent Capital c.s. in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Het geschil in deze zaak draait om de uitoefening van de in artikel 8.2 van de SHA vermelde Put Optie. [eisende partij] heeft die Put Optie ingeroepen en vordert nakoming van de verplichting tot afname van de optieaandelen en stelt dat dit betekent dat CC I respectievelijk Ducate Group gehouden is mee te werken aan de overdracht van de optieaandelen door het passeren van de leveringsakte en betaling van de koopprijs. Niet in geschil is dat [eisende partij] de Put Optie correct heeft ingeroepen. Evenmin is in geschil dat de cumprefs geen onderdeel zijn van de Put Optie. Wel is in geschil wie op grond van de SHA de optieaandelen dient af te nemen, CC I of Ducate Group. Tevens is in geschil of CC I dan wel Ducate Group vanaf de datum van de uitoefening van de Put Optie ook nog rente aan [eisende partij] is verschuldigd. De rechtbank beantwoordt deze vragen als volgt.
Wie dient de Put Optie af te nemen?
Vast staat dat geen van de aandeelhouders van Ducate Group het aanbod van [eisende partij] hebben aanvaard tot koop van de door [eisende partij] in Ducate Group gehouden gewone aandelen. [eisende partij] stelt dat uit artikel 8.2 van de SHA volgt dat CC I in dat geval de gewone aandelen van [eisende partij] dient te kopen. Convent Capital c.s. betwist dit en stelt dat uit de tekst van artikel 8.2 volgt dat in het geval alle aandeelhouders van Ducate Group, en dus ook CC I, het aanbod van [eisende partij] niet aanvaarden, Ducate Group de partij is die de aandelen van [eisende partij] dient af te nemen.
Bij de uitleg van wat partijen hebben afgesproken geldt de zogenoemde Haviltex-norm, waarbij wordt gekeken naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
In artikel 8.2 van de SHA staat over de situatie dat alle aandeelhouders het aanbod tot koop van de door [eisende partij] gehouden aandelen niet aanvaarden, het volgende, waarbij op grond van de definities in de SHA “Convent Capital” moet worden gelezen als CC I en “Vennootschap” als Ducate Group:
“Indien een Aandeelhouder het aanbod om een pro rata deel van de Optieaandelen op grond van dit Artikel 8.2 te verkrijgen niet aanvaardt, zal Convent Capital de betreffende Aandelen overnemen. Indien een Aandeelhouder of Convent Capital de Optieaandelen op grond van dit Artikel 8.2 niet geheel aanvaardt, zal de Vennootschap op eerste verzoek van [eisende partij] de Optieaandelen inkopen tegen betaling van de koopprijs zoals uiteengezet in dit Artikel 8.2 .”
Uit het hiervoor geciteerde tekstgedeelte blijkt dat in eerste instantie CC I gehouden is de optieaandelen van [eisende partij] over te nemen indien de aandeelhouders van Ducate Group niet ingaan op het aanbod tot koop daarvan. Uit de daarop volgende slotzin “Indien (…) Convent Capital de Optieaandelen op grond van dit Artikel 8.2 niet geheel aanvaardt zal de Vennootschap op eerste verzoek van [eisende partij] de Optieaandelen inkopen tegen betaling van de koopprijs zoals uiteengezet in dit Artikel 8.2.” blijkt echter, zoals door Convent Capital c.s. aangevoerd, dat ook CC I dan nog de mogelijkheid heeft het aanbod tot koop van de optieaandelen niet te aanvaarden en dat in dat geval de optieaandelen door Ducate Group dienen te worden ingekocht. Uit de transcriptie van het telefoongesprek dat [naam 3] en [naam 1] op 12 december 2023 hebben gevoerd, blijkt dat ook [naam 1] de slotzin van artikel 8.2 van de SHA toen zo las (zie 2.11).
[eisende partij] stelt dat in concepten van de aandeelhoudersovereenkomst die op 23 april 2019 is gesloten voormelde slotzin in artikel 8.2 nog ontbrak, maar uit hetgeen [eisende partij] in dat kader heeft aangevoerd blijkt echter ook dat de slotzin in artikel 8.2. uiteindelijk is toegevoegd op verzoek van [eisende partij] zelf en als resultaat van de onderhandelingen die partijen over die aandeelhoudersovereenkomst hebben gevoerd. Niet in geschil is dat [eisende partij] in die onderhandelingen is bijgestaan door een advocaat. Evenmin is betwist dat [eisende partij] ook bij de onderhandelingen over de SHA die partijen daarna op 3 juli 2020 hebben gesloten, en waarin voormelde slotzin van artikel 8.2 is blijven staan, is bijgestaan door een advocaat. De wederpartijen van [eisende partij] bij de SHA hebben dan ook redelijkerwijs op grond daarvan mogen verwachten dat [eisende partij] begreep wat in de slotzin van artikel 8.2 werd overeengekomen en daarmee instemde. Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechtbank de letterlijke tekst van artikel 8.2 van de SHA bij de uitleg daarvan zwaar te wegen. Op grond daarvan wordt Convent Capital c.s. gevolgd in haar uitleg dat uit de slotzin van artikel 8.2 SHA volgt dat ook CC I het aanbod tot koop van de optieaandelen mag weigeren en dat nu CC I dat aanbod niet heeft aanvaard, Ducate Group de partij is die de optieaandelen van [eisende partij] dient te kopen.
Welke rente moet worden betaald?
Niet in geschil is dat op grond van artikel 8.2 van de SHA over de periode van 23 mei 2019 tot aan de datum van de uitoefening van de Put Optie op 23 april 2024 een rentepercentage van 15% is verschuldigd over het bedrag dat [eisende partij] op 23 mei 2019 voor de optieaandelen heeft betaald en dat dit leidt tot een Uitoefenprijs van € 8.400.198,56. Wel is in geschil of er over dat bedrag nog rente is verschuldigd en zo ja welk rentepercentage dan moet worden betaald.
Mondeling overeengekomen rente?
[eisende partij] stelt, onder verwijzing naar e-mails van [naam 1] van 8 mei 2024 en 24 september 2024, de reactie van [naam 3] in diens e-mail van 24 september 2024 en een WhatsApp bericht van de echtgenote van [naam 1] , dat Ducate Group en CC I mondeling met [eisende partij] zijn overeengekomen dat de rentevergoeding van 15% doorloopt tot het moment van de betaling van de koopprijs van de optieaandelen. Convent Capital c.s. heeft een dergelijke mondelinge overeenkomst betwist en daarnaast aangevoerd dat een dergelijke mondelinge overeenkomst een wijziging van de SHA zou inhouden en dat artikel 16.6 van de SHA bepaalt dat de SHA uitsluitend gewijzigd kan worden door middel van een schriftelijke, door alle partijen ondertekende daartoe strekkende verklaring.
Voorop wordt gesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat in de SHA niets staat over het doorlopen van de rentevergoeding na de datum van het uitoefen van de Put Optie. Nu [eisende partij] stelt dat partijen mondeling aanvullende afspraken hebben gemaakt en zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept, rust op [eisende partij] de stelplicht en bewijslast van die mondelinge afspraken.
De door [eisende partij] genoemde e-mails van [naam 1] van 8 mei 2024 en 24 september 2024 bevatten slechts eenzijdige stellingen van [naam 1] over wat mondeling zou zijn afgesproken. Convent Capital c.s. heeft betwist dat de inhoud daarvan juist is en [eisende partij] heeft tegenover die betwisting geen stukken overgelegd waarin van de zijde van CC I, dan wel Ducate Group, wordt bevestigd dat mondeling is overeengekomen dat de rente van 15% zou doorlopen tot het moment van betaling. Ook de door [eisende partij] genoemde e-mail van [naam 3] van 24 september 2024 bevat een dergelijke bevestiging niet. Evenmin wordt dat rentepercentage genoemd in de door [eisende partij] overgelegde WhatsApp van de echtgenote van [naam 1] . Geoordeeld wordt daarom dat [eisende partij] tegenover de gemotiveerde betwisting door Convent Capital c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat [eisende partij] en CC I en Ducate Group in afwijking van de SHA mondeling zijn overeengekomen dat de rente van 15% na het uitoefenen van de Put Optie zou doorlopen tot het moment van de daadwerkelijke betaling van de prijs van de optieaandelen.
Daar komt bij dat Convent Capital c.s. wordt gevolgd in haar stelling dat de gestelde mondelinge afspraak een afwijking van de SHA inhoudt en dat een dergelijke afwijking op grond van artikel 16.6 van de SHA schriftelijk met alle partijen bij de SHA dient te worden overeengekomen. Allereerst is niet gesteld of gebleken dat een dergelijke schriftelijke overeenkomst bestaat. Daarnaast blijkt uit de stelling van [eisende partij] bovendien niet dat [eisende partij] met alle bij de SHA betrokken partijen afspraken over doorbetaling van de rente zou hebben gemaakt. [eisende partij] noemt immers slechts CC I en Ducate Group als partijen waarmee een mondelinge afspraak zou zijn gemaakt, maar stelt niet dat ook de andere bij de SHA betrokken partijen daarmee zouden hebben ingestemd. Ook om deze reden kan de vordering van [eisende partij] tot betaling van een doorlopende rente van 15% niet slagen.
Wettelijke handelsrente?
[eisende partij] voert voorts aan dat als de afspraak over het doorlopen van de rente niet geldt, dat dan wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 4 mei 2024. Primair een wettelijke handelsrente van 15% en subsidiair de gewone wettelijke handelsrente. [eisende partij] stelt daarbij dat in artikel 8.4 van de SHA is overeengekomen dat de levering van de optieaandelen uiterlijk binnen 10 dagen na de uitoefening van de Put Optie zal plaatsvinden. De Put Optie is uitgeoefend op 23 april 2024. Dat betekent dat de levering uiterlijk op 3 mei 2024 had moeten plaatsvinden en dat vanaf 4 mei 2024 de wettelijke handelsrente is verschuldigd. In artikel 8.2 van de SHA is een rentevergoeding van 15% overeengekomen. Daarmee is ook beoogd een ander percentage van de wettelijke handelsrente overeen te komen, aldus steeds [eisende partij] .
Convent Capital c.s. betwist dat er wettelijke handelsrente is verschuldigd omdat de uitoefening van een Put Optie niet ziet op een geldelijke tegenprestatie voor het leveren of verrichten van diensten of goederen. Pas als Ducate Group niet de Uitoefenprijs zou hebben voldaan nadat de optieaandelen zouden zijn geleverd, dan zou er mogelijk wettelijke handelsrente verschuldigd zijn. De Put Optie zelf is echter geen primaire betalingsverplichting en Ducate Group is niet in verzuim. Er is namelijk geen fatale betalingstermijn overeengekomen en Ducate Group is ook niet in gebreke gesteld. Bovendien is [eisende partij] door mee te werken aan de buy-and-build strategie akkoord gegaan met uitstel van de betaling. Tot slot stelt Convent Capital c.s. dat [eisende partij] vanaf het begin in schuldeisersverzuim verkeert omdat [eisende partij] consequent heeft geweigerd mee te werken aan levering tegen de overeengekomen Uitoefenprijs van € 8,4 miljoen.
Vastgesteld wordt dat in artikel 8.4 van de SHA is overeengekomen dat de levering van de optieaandelen zou plaatsvinden uiterlijk binnen 10 dagen na uitoefening van de Put Optie en dat de betaling van de koopprijs van de optieaandelen plaatsvindt bij de levering van de optieaandelen. Gelet op het woord uiterlijk in artikel 8.4 wordt [eisende partij] gevolgd in haar stelling dat partijen in dat artikel een uiterste betalingstermijn als bedoeld in artikel 6:83, sub a, BW zijn overeengekomen. Vast staat dat Ducate Group niet binnen 10 dagen na de uitoefening van de Put Optie door [eisende partij] de optieaandelen heeft afgenomen en de Uitoefenprijs aan [eisende partij] heeft voldaan.
Dat [eisende partij] akkoord is gegaan met uitstel van de levering en betaling van de optieaandelen heeft Convent Capital c.s. tegenover de gemotiveerde betwisting door [eisende partij] onvoldoende onderbouwd. Een document waarin [eisende partij] verklaart akkoord te gaan met die uitstel heeft Convent Capital c.s. niet overgelegd en de enkele omstandigheid dat [eisende partij] in het kader van de door CC I en Ducate Group beoogde buy-and-build strategie mogelijke overname-kandidaten aan CC I en Ducate Group heeft genoemd, onderbouwt onvoldoende dat Ducate Group en of CCI redelijkerwijs hebben mogen begrijpen dat [eisende partij] daarmee instemde. Gelet op de betwisting door [eisende partij] kan uit het noemen van die namen slechts worden afgeleid dat [eisende partij] heeft meegedacht aan manieren voor Ducate Group om geld te verwerven om de levering en betaling van de optieaandelen op korte termijn rond te krijgen, maar nog niet dat [eisende partij] akkoord was met de uitstel van de levering en betaling of afstand deed van het recht op vertragingsschade. Ook de door [eisende partij] genoemde e-mails van [naam 1] van 8 mei 2024 en 24 september 2024 duiden daar niet op. Convent Capital c.s. betwist weliswaar de e-mail van 8 mei 2024 ontvangen te hebben, maar ook uit de e-mail van 24 september 2024 blijkt een al langer bij [naam 1] bestaand ongenoegen met het voortduren van uitstel van de levering en betaling
De conclusie is dat Ducate Group vanaf 4 mei 2024 zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt. Anders dan door Convent Capital c.s. aangevoerd is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige verplichting tot betaling van de optieaandelen wel als een primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst moet worden aangemerkt. De Put Optie en de verplichting tot levering en betaling van de optieaandelen binnen 10 dagen na het uitoefenen van de Put Optie zijn immers als verplichting in de SHA zelf opgenomen. Ducate Group is dus vanaf 4 mei 2024 de wettelijke handelsrente verschuldigd. Dat partijen hebben bedoeld om de 15% rente tot aan de uitoefening van de Put Optie ook van toepassing te laten zijn op de eventuele handelsrente, heeft [eisende partij] tegenover de betwisting door Convent Capital c.s. onvoldoende onderbouwd. Ducate Group is daarmee vanaf 4 mei 2024 de normale wettelijke handelsrente verschuldigd.
Wel wordt Convent Capital c.s. gevolgd in haar stelling dat [eisende partij] op enig moment in schuldeisersverzuim is geraakt, namelijk op 6 november 2024. Op die datum is aan [naam 1] de notariële conceptkoopakte gezonden en is [naam 1] een discussie gestart over de juiste Uitoefenprijs van de optieaandelen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [naam 1] zich daarbij op het standpunt heeft gesteld dat ook de cumprefs onderdeel waren van de Uitoefenprijs en dat de 15% rente doorliep tot aan de feitelijke betaling. Thans is niet meer in geschil dat de cumprefs geen onderdeel zijn van de Uitoefenprijs en hiervoor is reeds geoordeeld dat een doorlopende rente van 15% niet toewijsbaar is. Convent Capital c.s. heeft daarmee voldoende onderbouwd dat [eisende partij] met de vanaf 6 november 2024 ingenomen stelling over de Uitoefenprijs zelf heeft verhinderd dat Ducate Group de SHA kon nakomen en daarmee in schuldeisersverzuim is komen te verkeren.
Op 15 april 2025 is dat schuldeisersverzuim evenwel geëindigd. Toen heeft [eisende partij] , inmiddels bijgestaan door een andere advocaat, zich immers bereid verklaard om de optieaandelen te leveren voor het door Ducate Group genoemde bedrag en meegedeeld apart over de rente te willen procederen. Op dat moment verhinderde zij dus niet langer de levering van de optieaandelen voor de Uitoefenprijs. Door dit eindigen van het schuldeisersverzuim is de wettelijke handelsrente weer gaan lopen vanaf 15 april 2025 tot aan heden. Ducate Group is dus de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 4 mei 2024 tot 6 november 2024 en vanaf 15 april 2025 tot de uiteindelijke betaling.
Tussenconclusie
De tussenconclusie is dat de vordering onder I, sub (i), jegens CC I niet toewijsbaar is en dat de vordering onder I, sub (iii), jegens Ducate Group wel toewijsbaar is. Met dien verstande dat Ducate Group de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 8.400.198,56 verschuldigd is vanaf 4 mei 2024 tot 6 november 2024 en vanaf 15 april 2025 tot de uiteindelijke betaling van de Uitoefenprijs.
Dwangsom
[eisende partij] vordert aan de nakoming door Ducate Group een dwangsom te verbinden. Die vordering zal worden afgewezen. Het verbinden van een dwangsom aan het hier door [eisende partij] gevorderde bevel zou er namelijk op neerkomen dat er een dwangsom wordt verbonden aan een (indirecte) veroordeling tot betaling van een geldsom. Het te geven bevel is er immers op gericht dat Ducate Group overgaat tot afname van de optieaandelen en tot betaling van het bedrag van € 8.400.198,56, vermeerderd met wettelijke handelsrente. De tweede zin van artikel 611a, eerste lid, Rv verhindert dat daar een dwangsom aan wordt verbonden.
Daar komt bij dat de vordering om “alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen” zo ruim geformuleerd is dat dit het risico van executiegeschillen met zich brengt. Ook om die reden is de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar.
Artikel 2:207 BW
Convent Capital c.s. heeft verklaard dat niet aan de orde is of door Ducate Group bij de inkoop van de optieaandelen aan de balans- of uitkeringstest van artikel 2:207, tweede lid, BW wordt voldaan. De subsidiaire vorderingen van [eisende partij] zullen daarom onbesproken worden gelaten.
Bestuurdersaansprakelijkheid
[eisende partij] vordert een verklaring voor recht dat CCM 2 als bestuurder van Ducate Group onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en CCM 2 en Convent Capital, als bestuurder van CCM 2, hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eisende partij] van de door [eisende partij] geleden schade. Ter onderbouwing van deze vordering voert [eisende partij] aan dat CCM 2 als bestuurder van Ducate Group gehouden was om financiering aan te trekken in de vorm van een aandeelhouderslening van CCI of Convent Capital en dat zij door dit niet te doen heeft bewerkstelligd dat Ducate Group haar verplichtingen jegens [eisende partij] niet is nagekomen en dat CCM 2 aansprakelijk is voor de schade die voortvloeit uit het niet afnemen van de aandelen. [eisende partij] stelt dat ook Convent Capital, als bestuurder van CCM 2, op grond van artikel 2:11 BW aansprakelijk is voor die schade.
Bij de beoordeling daarvan wordt voorop gesteld dat indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, het uitgangspunt is dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is.
Het betoog van [eisende partij] komt er in de kern op neer dat er hier sprake is van betalingsonwil door CCM 2 en door Convent Capital als bestuurder daarvan. Daarin wordt [eisende partij] niet gevolgd. Van belang daarvoor is dat door [eisende partij] niet is betwist dat Ducate Group, mede als gevolg van de tegenvallende omzetten tijdens de Covid-19 periode, over onvoldoende liquide middelen beschikt om de optieaandelen te betalen. De overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting onderbouwen voldoende dat Ducate Group na het uitoefenen van de Put Optie pogingen heeft ondernomen om externe bancaire financiering te krijgen. Allereerst door de buy-and-build strategie en thans door verkoop van de deelnemingen van Ducate Group, waarvan Convent Capital c.s. stelt dat die verkoop inmiddels in een vergevorderd stadium is. In het licht daarvan wordt onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat CCM 2 als bestuurder van Ducate Group onvoldoende inspanningen heeft verricht om een financiering te krijgen voor de aankoop van de optieaandelen en om haar in dat kader een ernstig persoonlijk verwijt te kunnen maken. Hetzelfde geldt voor Convent Capital als bestuurder van CCM 2. Deze vordering is daarmee niet toewijsbaar.
Buitengerechtelijke kosten
[eisende partij] vordert van CC I en Ducate Group vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Nu uit hetgeen hiervoor is geoordeeld volgt dat de vorderingen jegens CC I niet slagen en jegens Ducate Group gedeeltelijk, zal deze vordering alleen jegens Ducate Group worden beoordeeld. Geoordeeld wordt dat de vordering van [eisende partij] voldoet aan de in artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gestelde eisen. Daarom zal een bedrag van € 6.775,00 jegens Ducate Group worden toegewezen.
Beslagkosten
[eisende partij] vordert tevens CC I en Ducate Group te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar, maar slechts voor zover het ziet op het conservatoir beslag dat [eisende partij] op de door Ducate Group in Ducate Holding gehouden aandelen heeft gelegd. Nu hiervoor is geoordeeld dat de vordering jegens CC I niet toewijsbaar, is ten onrechte ten laste van CC I beslag gelegd en dient [eisende partij] de beslagkosten die uitsluitend zien op CC I zelf te dragen. Tevens dient [eisende partij] zelf te dragen de kosten die zijn gemaakt voor de verlenging van de termijn waarbinnen de hoofdzaak aanhangig diende te worden gemaakt. Die kosten worden als onnodig aangemerkt, nu gesteld noch gebleken is dat Ducate Group het noodzakelijk heeft gemaakt dat die termijn verlengd diende te worden. De beslagkosten worden aldus vastgesteld op € 513,64 voor kosten deurwaardersexploten, € 714,00 voor griffierecht en € 4.631,00 voor salaris advocaat (1 punt × € 4.631,00), totaal € 5.858,64.
Proceskosten
Nu de vordering jegens Ducate Group slaagt, dient Ducate Group als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) van [eisende partij] te betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
158,75
- griffierecht
€
8.760,00
- salaris advocaat
€
9.262,00
(2 punten × € 4.631,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
18.369,75
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Nu de vorderingen van [eisende partij] jegens CC I, CCM 2 en Convent Capital worden afgewezen, is [eisende partij] jegens deze partijen als de in het ongelijk gestelde partij te beschouwen. Nu CC I, CCM 2 en Convent Capital evenwel de advocaat delen met de in het ongelijk gestelde partij Ducate Group en hun verweer nagenoeg gelijk is aan dat van Ducate Group, worden de afzonderlijke proceskosten van CC I, CCM 2 en Convent Capital op nihil begroot.
in reconventie
Levering aandelen
Convent Capital c.s. vordert dat [eisende partij] wordt veroordeeld tot levering van de optieaandelen tegen de overeengekomen Uitoefenprijs van € 8.400.198,56, onder de voorwaarde dat uit het ophanden zijnde verkoopproces door Ducate Group voldoende liquide middelen zijn verkregen om de Uitoefenprijs te voldoen. Deze vordering zal worden afgewezen. Van belang daarvoor is allereerst dat uit artikel 8.2. van de SHA niet blijkt dat aan de betaling van de Uitoefenprijs de voorwaarde is verbonden van het eerst verkrijgen van voldoende liquide middelen door Ducate Group. Daarnaast blijkt uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen dat vanwege het in verzuim zijn van Ducate Group met de tijdige afname en betaling van de optieaandelen, er door Ducate Group over de Uitoefenprijs ook nog wettelijke handelsrente is verschuldigd. Convent Capital c.s. noemt die wettelijke handelsrente niet en gaat er kennelijk ten onrechte vanuit dat die wettelijke handelsrente niet verschuldigd is, zodat ook om die reden deze vordering niet toewijsbaar is.
Staken en gestaakt houden onrechtmatige handelingen
Convent Capital c.s. vordert voorts dat [eisende partij] stopt met het verspreiden van onbetamelijke, onjuiste en buitensporige beschuldigingen over Convent Capital c.s. naar derden, alsmede met het zonder toestemming maken van geluidsopnamen en camerabeelden. Convent Capital c.s. stelt in dat kader dat [eisende partij] Ducate Group en of de andere gedaagden beschuldigt van onbetrouwbaarheid en/of onzakelijk handelen en dit dreigt te verkondigen aan derden en dat Convent Capital c.s. niet uitsluit dat de negatieve uitlatingen van [eisende partij] daadwerkelijk derden hebben bereikt. Daarnaast stelt Convent Capital c.s. dat [eisende partij] zonder voorafgaande toestemming of instemming van de betrokken personen geluidsopnames en camerabeelden van vergaderingen, telefoongesprekken en allerhande dagelijkse werkzaamheden heeft gemaakt.
Ten aanzien van deze vordering wordt allereerst overwogen dat [eisende partij] heeft betwist dat zij zich jegens derden negatief over Convent Capital c.s. heeft uitgelaten. Daarnaast heeft Convent Capital c.s. niets gesteld over de exact daarbij door [eisende partij] gebruikte bewoordingen. De enkele stelling dat [eisende partij] zich negatief over Ducate Group of de andere gedaagden heeft uitgelaten, is onvoldoende om te kunnen beoordelen of [eisende partij] daarmee bij de weging van de betrokken belangen buiten de grenzen van de haar toekomende vrijheid van meningsuiting is getreden. Voor het oordeel dat [eisende partij] zich onrechtmatig over Convent Capital c.s. heeft uitgelaten wordt daarom onvoldoende grond gezien.
[eisende partij] heeft voorts betwist dat zij camerabeelden heeft gemaakt of camera’s heeft geplaatst en heeft aangevoerd dat voor zover het camera’s betreft die in de bedrijfspanden van [naam B.V.] hangen, zij daar geen toegang meer toe heeft. Gelet op deze betwisting, die Convent Capital c.s. niet heeft weerlegd, wordt ook op dit punt geen grond voor het oordeel gezien dat [eisende partij] onrechtmatig heeft gehandeld.
Ten aanzien van de door Convent Capital c.s. genoemde geluidsopnames heeft [eisende partij] aangevoerd dat het slechts om de twee geluidsopnames gaat die in deze procedure als producties zijn overgelegd en dat het daarbij bovendien gaat om gesprekken met een zakelijk karakter die over uitoefening van de Put Optie gaan. [eisende partij] betwist daarom dat zij met het maken van die opnames onrechtmatig heeft gehandeld. [eisende partij] wordt daarin gevolgd. Van belang daarvoor is dat Convent Capital c.s. tegenover de betwisting door [eisende partij] niet heeft aangetoond dat [eisende partij] nog andere opnames heeft gemaakt of die met derden heeft gedeeld en dat de overgelegde transcripties van de opgenomen gesprekken bevestigen dat het om gesprekken met een zakelijk karakter gaat, waarbij geen inbreuk wordt gemaakt op het privéleven van de opgenomen personen.
De conclusie is dat ook deze vordering niet toewijsbaar is.
Verwijderen en verwijderd houden geluidsopnames en camerabeelden
In het verlengde van de hiervoor besproken vordering, vordert Convent Capital c.s. dat [eisende partij] wordt veroordeeld de zonder toestemming gemaakte geluidsopnames en camerabeelden te verwijderen en verwijderd te houden en een overzicht te verstrekken van het gemaakte materiaal. Nu hiervoor is geoordeeld dat Convent Capital c.s. onvoldoende heeft onderbouwd dat er camerabeelden zijn gemaakt en de gemaakte geluidsopnames niet als onrechtmatig zijn beoordeeld, is ook deze vordering niet toewijsbaar.
Opheffing beslagen
Convent Capital c.s. vordert voorts dat worden opgeheven de door [eisende partij] gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van CC I in Ducate Group en op de aandelen van Ducate Group in Ducate Holding. Die vordering zal wat het conservatoire beslag op de aandelen van CC I in Ducate Group betreft worden toegewezen. [eisende partij] heeft dat conservatoire beslag immers gelegd ter zekerheid van haar vordering op CC I uit hoofde van de betaling van de optieaandelen. Uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen volgt dat die vordering van [eisende partij] op CC I niet slaagt. Dat conservatoire beslag dient daarom te worden opgeheven.
Omdat de vordering van [eisende partij] op Ducate Group in conventie wel slaagt en het door [eisende partij] gelegde conservatoire beslag op de aandelen van Ducate Goup in Ducate Holding dient ter zekerheid van verhaal van haar vordering op Ducate Group, dient dat beslag te blijven liggen. De vordering tot opheffing van het conservatoire beslag op de door Ducate Group in Ducate Holding gehouden aandelen zal daarom worden afgewezen.
Verklaring voor recht
Convent Capital c.s. vordert een verklaring voor recht dat [eisende partij] met voormelde conservatoire beslagen onrechtmatig heeft gehandeld. Ook die vordering is alleen toewijsbaar voor zover die ziet op het conservatoire beslag op de door CC I in Ducate Group gehouden aandelen. Nu de vordering in conventie tegen CC I is afgewezen, heeft [eisende partij] met dat ten laste van CC I gelegde beslag onrechtmatig gehandeld. Dat geldt evenwel niet voor het beslag van [eisende partij] op de door Ducate Group in Ducate Holding gehouden aandelen. In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.
Dwangsommen
Tot slot vordert Convent Capital c.s. dat aan de overtreding door [eisende partij] van de vorderingen onder 1 tot en met 3 een dwangsom wordt verbonden. Nu hiervoor evenwel is geoordeeld dat die vorderingen niet toewijsbaar zijn, is ook de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar.
Proceskosten
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
beveelt Ducate Group om binnen twintig dagen na de betekening van dit vonnis alles te doen wat nodig is om alle door [eisende partij] gehouden gewone aandelen in het kapitaal van Ducate Group af te nemen tegen betaling aan [eisende partij] van een bedrag van € 8.400.198,56, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf 4 mei 2024 tot 6 november 2024 en vanaf 15 april 2025 tot de dag van volledige betaling, en daartoe mee te werken aan het passeren van een akte van levering onder gelijke voorwaarden als de concept leveringsakte die op 6 november 2024 aan [eisende partij] is gezonden en als productie 31 is overgelegd,
veroordeelt Ducate Group om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt Ducate Group om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 5.858,64 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Ducate Group in de proceskosten van € 18.369,75, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ducate Group niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Ducate Group tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van CC I, CCM 2 en Convent Capital, tot op heden begroot op nihil,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
heft op het door [eisende partij] gelegde conservatoire beslag op de door CC I in Ducate Group gehouden aandelen,
verklaart voor recht dat [eisende partij] met het conservatoire beslag op de door CC I in Ducate Group gehouden aandelen onrechtmatig heeft gehandeld,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.9 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. P.J. van Vliet, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.