RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-345438-24
Datum beslissing: 30 april 2026
BESLISSING
op de vordering op grond van artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 4 december 2024, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is ingediend door the Prosecutor’s Office of the Appeal Court of Thessaloniki (Griekenland) op 24 september 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon]
geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Griekenland),
thans gedetineerd in [detentieplaats],
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1. Beoordeling
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Hoorrecht
Uit het proces-verbaal van het verhoor door the Chair of the Appeal Court of Thessaloniki van 11 februari 2026 blijkt dat de overgeleverde persoon door een rechter is gehoord over het verzoek. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overgeleverde persoon voldoende de mogelijkheid gehad om zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek om aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Het verzoek betreft feiten waarvoor op grond van de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
Detentiegarantie
De rechtbank heeft in eerdere zaken geoordeeld dat in de detentie-instellingen in Komotini, Thessaloniki en Trikala een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest).
Onduidelijk is in welke instelling de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden geplaatst in het kader van de zaak waarvoor aanvullende toestemming wordt verzocht, terwijl er al in drie instellingen (hiervoor genoemd) een algemeen gevaar is vastgesteld.
Er is een nieuw, kritisch CPT-rapport van 4 maart 2026 dat daarnaast ook aanleiding zou kunnen geven voor het opvragen van aanvullende informatie over de detentieomstandigheden.
Op dit moment is er dus onvoldoende informatie over de detentieomstandigheden.
Gelet op de geldende beslistermijn – die al is overschreden – dient de beslissing op het verzoek niet langer te worden aangehouden. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
De rechtbank merkt hierbij op dat dit onverlet laat dat de Griekse autoriteiten desgewenst een nieuw verzoek tot aanvullende toestemming kunnen doen.
De rechtbank zal daarom het verzoek afwijzen.
2. Beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek om toestemming van the Prosecutor’s Office of the Appeal Court of Thessaloniki (Griekenland) voor tenuitvoerlegging van de straf van [overgeleverde persoon] voor de feiten zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 30 april 2026 door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier.