ECLI:NL:RBAMS:2026:4669

ECLI:NL:RBAMS:2026:4669

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 07-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 13/353469-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Drugszaken (gevoegd). Jeugdstrafrecht van toepassing. Vormverzuim. (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, B, C en D aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.C. Gribling, en van wat de raadsman van verdachte, mr. T.G. Hop, naar voren heeft gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

zaak A:

het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, danwel het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 172,55 gram cocaïne en ongeveer 25,17 gram MDMA op 29 december 2025 te Amsterdam;

zaak B:

het opzettelijk vervoeren, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 22,41 gram MDMA en ongeveer 12,80 gram cocaïne op 9 januari 2025 te Amsterdam;

zaak C:

het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 26,02 gram cocaïne en ongeveer 18,04 gram MDMA en ongeveer 8,34 gram 2-MMC op 27 september 2025 te Amsterdam;

zaak D:

feit 1:

het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, danwel het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 54,79 gram cocaïne en ongeveer 11,22 gram MDMA op 28 maart 2026 te Amsterdam;

feit 2:

het (mede)plegen van strafbare voorbereidingshandelingen ten aanzien van misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde of vijfde lid, van de Opiumwet op 28 maart 2026 te Amsterdam.

De volledige tenlasteleggingen zijn opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en gelden als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle in de zaken A t/m D ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat de in de tenlasteleggingen genoemde hoeveelheden drugs (naar beneden) moeten worden bijgesteld op basis de testresultaten van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI).

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit in alle zaken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. In alle zaken stelt de raadsman zich op het standpunt dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. In de zaken A, B en C is (steeds) sprake van een onrechtmatige staandehouding van verdachte en in zaak D is verdachte zonder redelijk vermoeden van schuld en dus onrechtmatig gefouilleerd. Deze vormverzuimen moeten op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) leiden tot bewijsuitsluiting, hetgeen tot gevolg heeft dat verdachte moet worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs.

Voor zover de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting, heeft de verdediging in alle zaken bepleit dat de ten laste gelegde hoeveelheden naar beneden moeten worden bijgesteld en dat verdachte in de zaken A, B en D partieel moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde vervoeren en/of verkopen.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

In het hierna volgende zal eerst het verweer van de raadsman worden besproken dat in alle voorliggende zaken sprake is van een vormverzuim. Daarna volgt een bespreking van de tenlastegelegde feiten.

Vormverzuimen

Ten aanzien van de gestelde vormverzuimen dient de rechtbank aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te toetsen of sprake is van een vormverzuim en of dat verzuim onherstelbaar is. Als dat het geval is, moet de rechtbank beoordelen welk van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moet worden verbonden. Daarbij is van belang welk belang het geschonden voorschrift dient, wat de ernst is van het verzuim en welk nadeel is veroorzaakt als gevolg van het schenden van dat vormverzuim.

Hierna volgt per zaak een bespreking van de gestelde vormverzuimen.

Zaak A

In zaak A is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat geen sprake is van een vormverzuim. De betreffende verbalisant (in burger) heeft een zogenaamd ‘flitsbezoek’ waargenomen door verdachte aan een woning, waarbij verdachte is binnengelaten in de woning en binnen een minuut weer vertrok. Een dergelijk bezoek is bij de verbalisant ambtshalve bekend als een werkwijze die dealers gebruiken bij de verkoop van drugs. Bovendien is verdachte toen hij de gearriveerde politie (in uniform) zag uitstappen hard weggefietst, heeft hij zijn rugzak tijdens het fietsen afgegooid en is hij (nadat hij ten val was gekomen) weggerend. Dit, in combinatie met het eerder waargenomen flitsbezoek, maakt naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 Sv. Verdachte is daarom rechtmatig staande gehouden en het verweer dat sprake was van een vormverzuim wordt daarom verworpen.

Zaak B

In deze zaak is sprake van een verbalisant (in burger) die waarneemt dat verdachte, rijdend op zijn fiets en kijkend op zijn telefoon, op zoek is naar een adres. De verbalisant neemt vervolgens ook waar dat verdachte een huis in gaat en dit huis na korte tijd weer verlaat, hetgeen hem ambtshalve bekend is als een modus operandi van drugsdealers. Daar komt bij dat het de politie bekend is dat in het uitgaansgebied in de Pijp met grote regelmaat in verdovende middelen wordt gehandeld. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte, zoals die door de verbalisant zijn waargenomen, dusdanig kenmerkend zijn voor de werkwijze van drugsdealers dat dit een ernstige verdenking oplevert van overtreding van de Opiumwet, op basis waarvan de verbalisant mocht overgaan tot het staande (laten) houden van verdachte. De conclusie is dan ook dat ook in dit geval geen sprake is van een vormverzuim.

Zaak C

Twee verbalisanten zien verdachte contact maken met een ander persoon en zien dat zij samen achter een plantenbak gaan staan. Als de twee personen de agenten zien, lijken zij te schrikken en lopen zij in verschillende richtingen weg, waarbij verdachte in de richting van de verbalisanten loopt. Vervolgens stellen de agenten verdachte vragen over wat zij hebben waargenomen, waarbij zij verdachte tegelijkertijd mededelen dat hij niet tot antwoorden verplicht is en dat hij vrij is om te gaan. De verbalisanten voeren vervolgens een kort gesprek met verdachte waarbij zij opmerken dat verdachte zenuwachtig overkomt. De verbalisanten besluiten daarop de identiteit van verdachte te controleren. Verdachte geeft de verbalisanten een verlopen identiteitskaart. Bij het controleren daarvan zien verbalisanten een registratie van handel in harddrugs en geven zij verdachte (nogmaals) de cautie. De verbalisanten vragen verdachte vervolgens of zij hem mogen fouilleren, waarop hij toestemming geeft en meteen daarop wegrent. Na een achtervolging wordt verdachte aangehouden.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de hiervoor beschreven situatie het redelijk vermoeden van schuld ontstaat op het moment dat verdachte wegrent nadat hij toestemming had gegeven voor een fouillering, in samenhang bezien met de eerdergenoemde omstandigheden. De situatie die hieraan vooraf ging betreft geen staandehouding nu verbalisanten expliciet tegen verdachte hebben gezegd dat hij vrij was om te gaan. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat er geen sprake is van enig vormverzuim.

Zaak D

In zaak D is verdachte staande gehouden omdat hij zijn telefoon in zijn hand had terwijl hij aan het fietsen was. Tijdens het gesprek dat daarop volgt maakt verdachte een zenuwachtige indruk. Bij het controleren van zijn identiteit zien verbalisanten recente registraties van handel in harddrugs in het politiesysteem. Daarop geven ze hem de cautie en vragen ze hem waar hij vandaan kwam. Hierover heeft verdachte volgens de verbalisanten wisselend verklaard. Na de vraag van de verbalisanten of verdachte drugs bij zich heeft begint hij te huilen en horen de verbalisanten, terwijl verdachte zijn handen in zijn jaszakken heeft, een knisperend geluid dat zij herkennen als geluid van plastic gripzakjes. Op basis hiervan fouilleren zij hem.

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat enkel het feit dat verdachte een zenuwachtige indruk maakt bij zijn staandehouding, zijn antecedenten, zijn emotionele reactie en het knisperende geluid niet dusdanig specifiek zijn dat hieruit een voldoende ernstige verdenking ontstaat van overtreding van de Opiumwet in de zin van ernstige bezwaren zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van die wet. De verbalisanten mochten dan ook niet zonder toestemming overgaan tot fouillering. Nu zij dat wel hebben gedaan, hebben zij ten onrechte gebruik gemaakt van hun bevoegdheid op grond van artikel 9 lid 2 van de Opiumwet, als gevolg waarvan sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek.

De vraag is vervolgens of er rechtsgevolgen aan dat vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient de rechtbank, zoals hiervoor reeds opgemerkt, rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. De raadsman heeft bepleit dat artikel 9 lid 2 van de Opiumwet beoogt de lichamelijke integriteit van personen te beschermen. De rechtbank is van oordeel dat de schending hiervan in dit geval leidt tot nadeel voor verdachte nu de fouillering overdag op de openbare weg heeft plaatsgevonden en namens verdachte onder meer is gesteld dat hij dit als vernederend heeft ervaren. Naar het oordeel van de rechtbank behoort deze schending vanuit het oogpunt van subsidiariteit en proportionaliteit echter niet te leiden tot bewijsuitsluiting, maar tot (enige) strafmatiging. De rechtbank neemt de schending van het vormverzuim derhalve mee in de strafmaat.

Bewezenverklaring tenlastegelegde feiten

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten in de zaken A t/m D, waarbij de rechtbank verdachte wel van een enkel onderdeel van deze beschuldigingen zal vrijspreken, zoals weergegeven in rubriek 4. De rechtbank licht dit als volgt toe.

Ten aanzien van zaak A

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich op 29 december 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren, alsmede het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid MDMA. Dit volgt uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 december 2025 waarin wordt beschreven dat verdachte een flitsbezoek brengt aan een woning, hetgeen de verbalisant herkent als onderdeel van een modus operandi rondom drugshandel. Als verdachte de politie ziet vlucht hij op de fiets en gooit hij tijdens zijn vlucht zijn rugzak af, waarvan later blijkt dat hierin verdovende middelen zitten. Nadat verdachte valt, vlucht hij rennend verder, waarbij hij zich ontdoet van zijn jas. Ook in deze jas worden later verdovende middelen en onder meer een geldbedrag aangetroffen. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen buurtonderzoek van 30 december 2025 dat de bewoners van de woning waar verdachte op dat tijdstip naar binnen is gegaan, verklaren toen drugs te hebben gekocht. Tot slot blijkt uit het drugsrapport dat een deel van het in de jas en tas van verdachte gevonden materiaal is getest als cocaïne (totaal 37,04 gram) en MDMA (15,81 gram).

Ten aanzien van zaak B

De rechtbank stelt vast dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich op 9 januari 2025 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren en opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid MDMA en een hoeveelheid cocaïne. Dit blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2025. Daarin wordt beschreven dat een verbalisant verdachte op het trottoir ziet fietsen met een telefoon in zijn hand, waarbij hij lijkt te zoeken naar een huisadres. De verbalisant ziet hem kort naar binnen en naar buiten gaan en herkent dit als een modus operandi bij drugshandel. Een andere verbalisant houdt verdachte kort daarna staande en fouilleert hem. Daarbij worden verdovende middelen bij verdachte aangetroffen en € 655 aan contant geld. Op basis van testresultaten wordt vastgesteld dat het (onder meer) gaat om cocaïne (12,80 gram) en MDMA (22,41 gram). Gelet op de constatering van de verbalisanten dat verdachte zich (per fiets) heeft verplaatst is naast het voorhanden hebben van de drugs ook sprake geweest van vervoeren. De rechtbank zal het verweer van de raadsman dat geen sprake zou is geweest van vervoeren dan ook verwerpen.

Ten aanzien van zaak C

In zaak C komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde opzettelijk aanwezig hebben van hoeveelheden cocaïne, MDMA en 2-MMC. Zoals beschreven in het proces-verbaal van bevindingen van 27 september 2025 is verdachte die dag aangehouden en zijn toen bij hem verdovende middelen aangetroffen, die later zijn getest als cocaïne (26,02 gram), MDMA (18,04 gram) en 2-MMC (8,34 gram).

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat het middel 2-MMC onder lijst I-A valt en niet als zodanig ten laste zou zijn gelegd, merkt de rechtbank op dat de tekst van de tenlastelegging bepalend is voor het verwijt dat aan verdachte wordt gemaakt. De onder de tekst van de tenlastelegging genoemde strafbepalingen zijn daarvoor niet bepalend, maar dienen slechts ter verduidelijking.

Ten aanzien van zaak D

In zaak D acht de rechtbank beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 1 is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat verdachte zich op 28 maart 2026 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne (22,80 gram) en MDMA (20,42 gram). Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte de genoemde drugs (die als zodanig zijn getest) bij zich had toen hij werd aangehouden op de fiets, waarmee zowel het vervoeren als aanwezig hebben naar het oordeel van de rechtbank is bewezen.

Ook de als feit 2 tenlastegelegde voorbereidingshandelingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen. Naar aanleiding van de aanhouding die dag, heeft een huiszoeking plaatsgevonden. Tijdens die doorzoeking zijn diverse verdovende middelen en een relatief groot geldbedrag (€ 3.100) gevonden in twee kluisjes die zich in de slaapkamer van verdachte bevonden. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet wist wat er in de kluisjes zat en dat deze kluisjes van iemand anders zouden zijn. De rechtbank acht deze verklaring onvoldoende specifiek, en daardoor niet controleerbaar en verifieerbaar. De rechtbank heeft daarom ernstige reden om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring. Gelet op hiervoor omschreven feiten en omstandigheden, waaronder de wijze en waarop de harddrugs en het geldbedrag zijn aangetroffen en de hoeveelheid, stelt de rechtbank vast dat verdachte van plan was de drugs te gaan verkopen, afleveren, verstrekken, en dat hij wist dat de harddrugs en het geldbedrag daarvoor bestemd waren.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Zaak A

hij op 29 december 2025 te Amsterdam opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.

Zaak B

hij op 9 januari 2025 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en cocaïne.

Zaak C

hij op 27 september 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne, een hoeveelheid MDMA en een hoeveelheid 2-MMC.

Zaak D

Ten aanzien van feit 1:

hij op 28 maart 2026 te Amsterdam opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid cocaïne en een hoeveelheid MDMA.

Ten aanzien van feit 2:

hij op 28 maart 2026 te Amsterdam om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:

- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of

- om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich en/of een ander middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,

- voorwerpen, stoffen en/of gelden voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, te weten:

- één of meer (contante) geldbedragen en

- één of meer pillen (mogelijk MDMA) en

- één of meer kristallen (mogelijk bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of lijst IA ) en

- één of meer wikkels (met inhoud (mogelijk bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of lijst IA)) en

- één of meer gripzakjes (met inhoud (mogelijk bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of lijst IA));

Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten (met toepassing van het volwassenstrafrecht) zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 44 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast vordert zij een taakstraf van 100 uur, met het bevel dat als hij de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij veroordeling van verdachte rekening te houden met zijn persoonlijke situatie. In het bijzonder heeft de raadsman bepleit dat jeugdstrafstrafrecht moet worden toegepast. Ten aanzien van de hoogte van de straf is de raadsman van mening dat verdachte hooguit zou mogen worden veroordeeld tot jeugddetentie met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in vier afzonderlijke zaken schuldig gemaakt aan het in het bezit hebben van harddrugs. In één zaak heeft verdachte daarnaast ook drugs verkocht en in een andere zaak heeft hij zich schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen ter zake van drugshandel. Het is algemeen bekend dat drugs bij intensief gebruik ernstige gezondheidsrisico’s opleveren voor gebruikers en dat de handel daarin gepaard gaat met diverse andere vormen van ondermijnende criminaliteit, waaronder geweldsfeiten. In totaal is bij verdachte in alle zaken een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen, waarvan slechts een (relatief) klein deel, 183,68 gram, als zodanig is getest. Door dergelijke hoeveelheden drugs aanwezig te hebben (kennelijk met het doel deze te verhandelen) heeft verdachte een bijdrage geleverd aan bovengenoemde drugscriminaliteit.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij wordt bedreigd. Het lijkt erop dat hij daarmee heeft willen verklaren dat hij onder druk van anderen heeft gehandeld in drugs. Verdachte heeft daar echter ter zitting, maar ook bij eerdere verhoren, niet veel meer over willen vertellen, zodat de rechtbank nauwelijks een beeld heeft gekregen van de omstandigheden waaronder verdachte de strafbare feiten heeft gepleegd en zijn beweegredenen daartoe. De rechtbank kan deze omstandigheden dan ook niet meewegen bij het bepalen van de strafmaat.

De rechtbank heeft ook het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 16 april 2026 gezien. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht?

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten meerderjarig, maar had en heeft de leeftijd van 23 jaar nog niet bereikt. De rechtbank dient dan ook de vraag te beantwoorden of het jeugdstrafrecht dan wel het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast.

Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) bepaalt dat het jeugdstrafrecht kan worden toegepast ten aanzien van de jongvolwassene die de leeftijd van achttien jaar, maar nog niet die van drieëntwintig jaar heeft bereikt, indien de rechter daartoe aanleiding vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De reclassering heeft meerdere rapporten over verdachte geschreven. In het meest recente rapport heeft de reclassering geadviseerd jeugdstrafrecht toe te passen. Zij komen tot dit advies mede op basis van hun bevindingen dat verdachte de indruk wekt van zorg en kwetsbaarheid. Hij vertoont enigszins kinderlijker gedrag dan verwacht mag worden op basis van zijn leeftijd, met de kanttekening dat dit mogelijk ook kan voortkomen uit het introverte karakter van verdachte. De reclassering ziet ook mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding. Verdachte lijkt ontvankelijk voor ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen en richt zich op het hervatten van de schoolgang. De rechtbank kan zich in het hiervoor beschreven advies van de reclassering vinden en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht in het onderhavige geval het meest passend is.

Reclasseringsbegeleiding en bijzondere voorwaarden

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte baat heeft bij extra begeleiding om zijn leven weer op de rails te krijgen. Verdachte werd voorafgaand aan zijn detentie in deze zaak begeleid door de volwassenreclassering en de rechtbank oordeelt dat verdachte, ondanks het toepassen van jeugdstrafrecht, baat heeft bij continuering van de begeleiding door de volwassenreclassering. Ook zal de rechtbank het advies van de reclassering volgen om een (deels) voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder ambulante begeleiding, diagnostiek en een locatiegebod met elektronische monitoring.

Eendaadse samenloop en onherstelbaar vormverzuim

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 in zaak D sprake is van eendaadse samenloop. Verdachte had namelijk bij zijn fouillering en in zijn woning harddrugs aanwezig met de bedoeling deze te verkopen. Het opzettelijk aanwezig hebben en vervoeren van verdovende middelen en het treffen van de voorbereidingshandelingen hebben daarmee betrekking op dezelfde verdovende middelen, zijn op dezelfde plaats en tijd geschied en de strafbaarstellingen in artikel 2 onder C van de Opiumwet en artikel 10a van de Opiumwet hebben een vergelijkbare strekking (Hoge Raad 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:358). De rechtbank zal hiermee rekening houden bij de strafmaat. Ook het onherstelbare vormverzuim in het voorbereidende onderzoek in zaak D neemt de rechtbank mee in strafmatigende zin.

De op te leggen straf

Met inachtneming van het voorgaande acht de rechtbank de volgende straf passend en geboden. De rechtbank veroordeelt verdachte tot 90 dagen jeugddetentie, waarvan 44 dagen voorwaardelijk met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft gezeten, met een proeftijd van twee jaar. Daarbij verbindt de rechtbank aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de (volwassen)reclassering in haar advies van 21 april 2026, met inbegrip van het locatiegebod met een enkelband, met dien verstande dat deze laatste voorwaarde geldt zolang de reclassering dat nodig vindt met een maximum van zes maanden.

Anders dan officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat naast deze straf een aanvullende taakstraf niet passend is.

8. Beslag

Onder verdachte zijn in de zaken A tot en met D voorwerpen in beslag genomen, zoals genoemd op de als bijlage III aan dit vonnis gehechte beslaglijsten per zaak.

Deze voorwerpen zijn per beslaglijst (per zaak) genummerd.

Verbeurdverklaring

De op de beslaglijsten van zaak A en zaak D onder de nummers 1 genoemde inbeslaggenomen en niet teruggegeven geldbedragen behoren aan verdachte toe. Nu met betrekking tot deze geldbedragen het onder rubriek 4 bewezen geachte is begaan, worden deze geldbedragen verbeurdverklaard.

Ten aanzien van het totale geldbedrag van 363,40 euro dat op de beslaglijst van zaak C als nummers 3 en 4 staat opgenomen, geldt dat dit moet worden teruggegeven aan verdachte nu verdachte in zaak C uitsluitend is veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van drugs. De inbeslaggenomen geldbedragen hebben derhalve geen relatie met dit strafbare feit en moeten dus worden teruggegeven.

Onttrekking aan het verkeer

Onder de nummers 2 t/m 11 (zaak A), 1 t/m 9 (zaak B), 1, 2, 4 t/m 9 (zaak C) en 4 t/m 12 (zaak D) van de beslaglijsten staan diverse verdovende middelen opgenomen. Aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, dan wel bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven zijn aangetroffen, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven, en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10a en 13a van de Opiumwet.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het in de zaken A tot en met D ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van de zaken A en B:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak C:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van zaak D:

eendaadse samenloop van

Feit 1

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

en

Feit 2

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot jeugddetentie van 90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering (en in voorlopige hechtenis) is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Bepaalt dat een gedeelte, groot 44 (vierenveertig) dagen, van deze jeugddetentie niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.

Locatiegebod (met elektronisch toezicht)

Veroordeelde is gedurende het reclasseringstoezicht op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt met een maximum van zes maanden. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden: bij de start dient veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 20 uur.

De reclassering kan tijdens deze periode de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Het huidige verblijfadres is [adres 1] . Een ander adres voor het

locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.

Veroordeelde werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, voor de maximale periode van zes maanden of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt. Tevens is het zo dat veroordeelde voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht Nederland niet verlaat zonder toestemming van de reclassering.

Dagbesteding

Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van opleiding, betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.

Ambulante begeleiding

Veroordeelde zal meewerken aan ambulante begeleiding van Stichting IMD of een soortgelijke begeleidingsinstantie. De begeleiding richt zich op de keuzes die veroordeelde maakt in relatie tot het delictgedrag, maar ook op dagbesteding om een zinvolle en veilige dagstructuur te creëren.

Diagnostiek en eventuele ambulante behandeling

Veroordeelde zal meewerken aan diagnostiek vanuit ForLight GGZ of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering dit nodig vindt, om meer zicht te krijgen op zijn functioneren en om handvatten te krijgen voor de begeleiding. Indien tijdens het reclasseringstoezicht behandeling, bijvoorbeeld gericht op weerbaarheid, nodig wordt geacht, dan dient veroordeelde hieraan mee te werken.

Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

Verklaart verbeurd:

De in de beslaglijst van zaak A en zaak D in bijlage III onder de nummers 1 genoemde geldbedragen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

De in de beslaglijsten in bijlage III onder de nummers 2 t/m 11 (zaak A), 1 t/m 9 (zaak B), 1, 2, 4 t/m 9 (zaak C) en 4 t/m 12 (zaak D) genoemde goederen.

Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:

De in de beslaglijst in bijlage III onder zaak C als nummers 3 en 4 genoemde goederen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis vanaf het moment dat de duur van het voorarrest gelijk is aan (het onvoorwaardelijk deel van) de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.V.L. van Well, voorzitter,

mr. A.M. Grüschke en mr. A.M. Timorason, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2026.

[(...)]

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.V.L. van Well
  • mr. A.M. Timorason

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand