ECLI:NL:RBAMS:2026:4700

ECLI:NL:RBAMS:2026:4700

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 13-268918-25
Rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verzoekschrift 530 -533 SV. Verzoeken afgewezen. De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB omdat het aannemelijk was dat de opgeëiste persoon zich niet meer in Nederland bevond. De overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon was door de rechter-commissaris geschorst met, onder meer, de voorwaarde dat hij in België zou verblijven. Deze beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie is niet gelijk te stellen met een weigering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-268918-25

RK nummers: 26-005764 en 26-005765

BESCHIKKING

Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten

van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang

artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedag] 1976,

wonende op het adres [adres],

te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsvrouw,

mr. G.A. Jansen - de Wolf, [adres],

hierna te noemen: verzoeker.

1. Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 25 februari 2026, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming in de overleveringsprocedure en van geleden materiële schade. De overleveringsprocedure is geëindigd met de beslissing van de Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam van 11 december 2025 tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de vordering tot overlevering van verzoeker.

De rechtbank heeft op 29 april 2026 de (gemachtigd) raadsvrouw van verzoeker, mr. G.A. Jansen - de Wolf, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, in openbare raadkamer gehoord. Verzoeker is niet in raadkamer verschenen.

2. Ontvankelijkheid

De verzoeken zijn tijdig ingediend en (mede daarom) ontvankelijk.

3. Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:

Bij vonnis van 21 september 2023 van de Kamer van strafrechtelijke beroepen van het Hof van Beroep van Douai, Frankrijk, met zaaknummer 22033000066, is verzoeker veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor de duur van 15 maanden;

Op 19 juli 2024 is door het Openbaar Ministerie hij het Hof van Beroep van Douai, Frankrijk, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Frankrijk, in verband met de tenuitvoerlegging van voornoemde straf;

Op 11 oktober 2025 is verzoeker voorlopig aangehouden in Nederland en gedetineerd op grond van de OLW in het kader van voormeld EAB;

Op 13 oktober 2025 is de overleveringsdetentie van verzoeker, onder voorwaarden, geschorst door de rechter-commissaris;

Op vordering van de officier van justitie van 31 oktober 2025 is het overleveringsverzoek behandeld op de zitting van 11 december 2025;

Bij uitspraak van deze rechtbank van 11 december 2025 is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering ex artikel 23, tweede lid, OLW. Daarbij is de geschorste overleveringsdetentie opgeheven.

4. Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van

€ 480,- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:

3 dagen politiebureau: 3 x € 160,- = € 480,-

€ 660,- als vergoeding van geleden materiële schade te weten:

- een bedrag van € 310,- voor wijzigingskosten van zijn vlucht naar Suriname omdat verzoeker is aangehouden tijdens zijn reis naar Suriname waardoor hij zijn vlucht (in eerste instantie) heeft moeten verzetten, - een bedrag van € 350,- voor annuleringskosten van zijn vlucht;

€ 825,- voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt.

De raadsvrouw heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Zij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat verzoeker schadevergoeding ex artikel 67 van de OLW toekomt, omdat de officier van justitie niet-ontvankelijk is verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. In dat kader heeft de raadsvrouw erop gewezen dat – ten aanzien van de Franse veroordeling – in België al eerder een overleveringsprocedure is doorlopen die heeft geleid tot de beslissing dat België de opgelegde straf van Frankrijk overneemt. Het is daarom niet onaannemelijk dat Frankrijk het EAB zou hebben ingetrokken.

5. Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen. De overleveringsprocedure is niet geëindigd met een weigering en ook niet met een aan een weigering gelijk te stellen beslissing. Beoordeeld moet worden of het EAB nooit tot een overlevering had kunnen leiden. Daarvan is in dit geval geen sprake. Het EAB zou tot overlevering hebben kunnen leiden als de rechter-commissaris niet de bijzondere beslissing had genomen om de overleveringsdetentie van klager te schorsen met als voorwaarde dat hij in België moet verblijven.

De officier van justitie heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er geen gronden van billijkheid zijn om schadevergoeding toe te kennen voor het omboeken en annuleren van de vlucht naar Suriname. Verzoeker heeft op 14 oktober 2025 zijn vlucht omgeboekt naar 28 oktober 2025. Zijn overleveringsdetentie is op 13 oktober 2025 geschorst onder de voorwaarde dat hij op een adres in België moet verblijven. Hij heeft zelf het risico genomen dat het onderzoek op 28 oktober nog niet zou zijn afgerond. Daar komt bij dat verzoeker zichzelf spoorloos heeft gemaakt voor de autoriteiten. Het is niet billijk hem dan vervolgens een schadevergoeding toe te kennen.

6. Toetsingskader

Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.

In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.

Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.

7. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank slaat bij de beoordeling van de verzoeken niet alleen acht op bovengenoemd toetsingskader, maar ook op haar beschikkingen van 26 juli 2018. In deze beschikkingen heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een weigering van de overlevering tot de vaststelling leidt dat de verzoeker achteraf bezien ten onrechte gedetineerd is geweest, en dat deze vaststelling - waarmee geen oordeel over het onrechtmatig of verwijtbaar handelen van de Nederlandse Staat is gegeven - vergoeding van schade, geleden als gevolg van vrijheidsbeneming, op grond van artikel 67 OLW in beginsel toewijsbaar maakt. Het ten onrechte gedetineerd zijn geweest leidt er immers toe dat het redelijk is dat de nadelige gevolgen van de vrijheidsbeneming niet voor rekening van verzoeker worden gelaten, maar door de Staat worden gedragen. Het Gerechtshof Amsterdam heeft deze beschikkingen bij beschikkingen van 9 juli 2019 bevestigd.

Daarnaast is van belang dat de rechtbank eerder heeft geoordeeld dat onder omstandigheden een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie gelijk kan worden gesteld met een weigering van de overlevering door de rechtbank. Dit is echter alleen het geval als de overleveringsprocedure nooit tot overlevering had kunnen leiden. Een niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie staat voor de toepassing van artikel 67 OLW dus niet zonder meer gelijk aan een weigering van de overlevering.

In onderhavige zaak heeft de rechter-commissaris de overleveringsdetentie van verzoeker op 13 oktober 2025 geschorst onder, onder meer, de voorwaarde dat klager op zijn vaste adres in België moet verblijven. Verzoeker is vervolgens niet verschenen bij de behandeling van het EAB op de zitting van 11 december 2025. Gelet op de bijzondere omstandigheden in deze zaak – waarbij verzoeker in België woonde en werkte en volgens het schorsingsbevel ook in België moest verblijven – heeft de rechtbank op 11 december 2025 geoordeeld dat er geen aanwijzingen waren dat verzoeker op dat moment in Nederland verbleef. Hierdoor was de grondslag aan de vordering van de officier van justitie komen te vervallen en is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat de overleveringsprocedure op inhoudelijke gronden nooit tot overlevering had kunnen leiden en dat dus de overleveringsdetentie ten onrechte is opgelegd. De niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de overleveringsprocedure is in dit geval dus niet gelijk te stellen met een weigering van de overlevering. De omstandigheid dat een overleveringsprocedure in België reeds zou hebben geleid tot een beslissing tot strafovername, maakt dit niet anders, omdat het EAB op het moment van de beslissing van deze rechtbank van 11 december 2025 nog van kracht was en er geen aanwijzingen waren dat Frankrijk het EAB zou intrekken.

8. Beslissing

De rechtbank WIJST AF de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand.

Deze beslissing is gegeven op 13 mei 2026 en in het openbaar uitgesproken door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Scheeper

Griffier

  • mr. D. Kloos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand