ECLI:NL:RBAMS:2026:4703

ECLI:NL:RBAMS:2026:4703

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 13-05-2026
Datum publicatie 13-05-2026
Zaaknummer 13-064082-26
Rechtsgebied Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure Eerste en enige aanleg
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Executie-EAB uit Frankrijk. Tussenuitspraak Artikel 12 OLW, de verstrekte verzetsgarantie is voldoende onvoorwaardelijke en de situatie als bedoeld in artikel 12 OLW is dan ook van toepassing. Art 6 OLW: de opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaltiteit en doet een beroep op de verstrekte terugkeergarantie. Nu er een verzetmogelijkheid is, is de kans aanzienlijk dat de opgeiste persoon geplaatst wordt in een remand regime. Voor het remand regime in de Franse Huizen van Bewaring is door de rechtbank een algemeen gevaar vastgesteld. De rechtbank houdt de behandeling van de zaak aan om de de reeds door het Openbaar Ministerie verzochte detentiegarantie af te wachten. De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman om de Franse autoriteiten een garantie voor het beschikbaarzijn van de voor de opgeeiste persoon benodigde medische zorg af, nu het vastgestelde algemene gevaar niet ziet op het niet beschikbaar zijn van medische zorg voor gedetineerden in Franse Huizen van Bewaring. Voor zover de raadsman heeft willen verzoeken dat de rechtbank een onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon initieert, wijst de rechtbank dit verzoek af, omdat zij daar geen aanleiding toe ziet.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-064082-26

Datum uitspraak: 13 mei 2026

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering van 13 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2019 door de Madame le Procureur de la République près le Tribunal de Grande Instance de Bordeaux, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1960 te [geboorteplaats] (Kaapverdië),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1. Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 29 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.P.M. Balemans, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een verstekvonnis van 30 april 2007 van de Correctionele Rechtbank van Bordeaux, 5de Kamer, met handhaving van de uitwerking van het aanhoudingsbevel. Referentie: 0493402.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 10 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het EAB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman en de officier van justitie

De raadsman en de officier van justitie hebben ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW geen standpunt ingenomen. De opgeëiste persoon heeft ter zitting medegedeeld van de in het EAB geboden verzetsmogelijkheid gebruik te willen maken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering niet weigeren, als de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat:

(i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en

(ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.

Het EAB vermeldt in onderdeel d):

“3.4. de beslissing is niet persoonlijk aan de betrokkene betekend, maar - de beslissing zal hem na de overlevering onverwijld persoonlijk worden betekend, en - de betrokkene zal na de betekening van de beslissing uitdrukkelijk worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing, en - de betrokkene zal geïnformeerd worden over de termijn waarover hij beschikt om verzet of hoger beroep aan te tekenen, namelijk 10 dagen vanaf de kennisgeving van het vonnis van 30 april 2007. De betrokkene wordt ervan in kennis gesteld dat hij VERZET zal kunnen aantekenen. In dat geval zal het oorspronkelijk vonnis worden vernietigd en zal hij opnieuw worden gevonnist voor de feiten. Hij zal bovendien voor een rechter worden geleid (le Juge des Libertés et de la Détention - de Rechter van de vrijheden en van de Delentie) die zal beslissen of de betrokkene al dan niet gedetineerd zal blijven tot aan de nieuwe terechtzitting op basis van het aanhoudingsbevel.”

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze verklaring aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en doet daarom de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voor.

Dit betekent dat de veroordeling niet onherroepelijk is, zodat ook de weigeringsgrond van artikel 6a, eerste lid, OLW zich niet voordoet. Voor de toepassing van artikel 6, eerste lid, OLW moet het EAB worden verstaan als strekkende tot (verdere) vervolging (zie hierna onder 6).

5. Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Uit het EAB volgt dat op dit feit het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon daarnaast zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van sociale re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.

De First Deputy Public Prosecutor JIRS Bordeaux heeft op 22 april 2026 de volgende garantie gegeven:

“Following on from our discussions regarding the situation of [de opgeëiste persoon] would like to inform you that France undertakes to hand him over to the Dutch authorities once his trial has concluded, which is expected to take place within two to six months at the latest.”

Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7. Artikel 11 OLW: Franse detentieomstandigheden

Inleiding

Gelet op door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte verzetsgarantie, zoals hiervoor onder 4 besproken, is het aannemelijk dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in een Huis van Bewaring zal worden geplaatst.

In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd.

Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op

20 maart 2026 de volgende vragen gesteld:

“1.In which detention facility will [de opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender? 2.Based on the size of the cell (excluding sanitary facilities) and the occupancy of that cell, how much “personal space” will [de opgeëiste persoon] have in his cell? 3.Depending on the answer at question 2: a) If the personal space will amount to at least 4 sq. m., no further answers are necessary; b) If the personal space will amount between 3 sq. m and 4 sq. m excluding sanitary facilities, I would like to request you to answer the following questions regarding that prison as well: How are the “other aspects of physical conditions of detention” as meant in ECHR 24 July 2012, no. 35972/05 (Iacov Stanciu v. Romania, § 169) in that detention facility? Could you provide information on the material detention conditions, such as: sanitary facilities, heating system, access to food, water and health care. In this connection, the Court finds it important that the issuing judicial authority will also comment on the possibilities of “purposeful activities” and “outdoor exercise”, as meant in the Annex to the CPT report “Living space per prisoner in prison establishments CPT standards (15 December 2015, CPT/Inf (2015)44)”, in its answer to this question. 4.Can it be guaranteed that [de opgeëiste persoon] will be provided with a minimum of 3 sq. m. of personal space (excluding sanitary facilities) in a multi occupancy cell, in light of the judgment in Dorobantu (ECLI:EU:C:2019:857, § 75-76)? If 3 sq. m. cannot be guaranteed, please also answer the following questions (ECHR 20 October 2016, no. 7334/13 (Muršić v. Croatia, § 138)): 5. Can it be guaranteed for [de opgeëiste persoon] that the reductions in the required minimum personal space of 3 sq. m. shall be short, occasional and minor? 6. Are such reductions accompanied by sufficient freedom of movement outside the cell and adequate out-of-cell activities? 7. Does this penitentiary unit generally have decent detention conditions and is the wanted person not subjected to other elements that are considered aggravating circumstances for poor detention conditions?”

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de vragen nog niet beantwoord.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden om van de Franse autoriteiten de garantie te krijgen dat het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar op een schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. De raadsman heeft de rechtbank daarnaast verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de Franse autoriteiten te vragen naar de beschikbaarheid van zorg die nodig is gelet op de specifieke medische situatie van de opgeëiste persoon. De opgeëiste persoon heeft een ernstige progressieve neurologische aandoening waarvan de artsen niet precies weten wat het is. Hierdoor heeft hij 24 uur per dag zorg en bijstand nodig. Tenslotte heeft de raadsman de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de verdediging in de gelegenheid te stellen meer medische stukken te overleggen ter onderbouwing van een onderzoek naar de detentiegeschiktheid van de opgeëiste persoon. De rechtbank kan een dergelijk onderzoek ook zelf initiëren, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de reeds door het Openbaar Ministerie verzochte detentiegarantie af te wachten. Het Openbaar Ministerie heeft op 20 maart 2026 het verzoek aan de Franse autoriteiten gedaan en meermalen gerappelleerd. Op 21 april 2026 is van de uitvaardigende justitiële autoriteit het bericht ontvangen dat er meer tijd nodig is om op de gestelde vragen te reageren.

Oordeel van de rechtbank

Omdat de door het IRC gestelde vragen nog niet zijn beantwoord beschikt de rechtbank niet over informatie met betrekking tot de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na zijn overlevering. Hierdoor kan de rechtbank niet beoordelen of het aangenomen algemene gevaar op schending van grondrechten in Franse Huizen van Bewaring voor mannen voor de opgeëiste persoon is weggenomen. De rechtbank zal de behandeling van de zaak daarom aanhouden om de reeds door het Openbaar Ministerie verzochte garantie af te wachten.

Zoals hierboven is overwogen ziet het vastgestelde algemene gevaar in de Huizen van Bewaring in Frankrijk op het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Het vastgestelde algemene gevaar ziet niet op een gebrek aan de beschikbaarheid van afdoende medische zorg. De raadsman heeft niet gesteld noch onderbouwd dat van een dergelijk algemeen gevaar sprake is. Ook ambtshalve is de rechtbank niet bekend met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens waaruit volgt dat er een algemeen reëel gevaar bestaat dat de Franse autoriteiten de medische zorg voor gedetineerden niet kunnen garanderen. De rechtbank heeft gezien dat de opgeëiste persoon specifieke en intensieve zorg nodig heeft voor zijn ernstige progressieve neurologische aandoening. Maar omdat van een algemeen gevaar van gebrek aan afdoende medische zorg voor Franse gedetineerden geen sprake is, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of sprake is van een concreet gevaar voor de opgeëiste persoon. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan de Franse autoriteiten geen vragen hoeven te worden gesteld over de medische zorg en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af. Voor zover de raadsman zich wenst te beroepen op uitzonderlijke omstandigheden van het individuele geval van deze opgeëiste persoon wijst de rechtbank op de mogelijkheid om – indien de rechtbank de overlevering toestaat – op grond van artikel 35 OLW in het kader van de feitelijke overlevering een beroep te doen in raadkamer op humanitaire redenen. De rechtbank kan daar in deze fase van de procedure geen oordeel over geven.

8. Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om de reeds door het Openbaar Ministerie verzochte detentiegarantie af te wachten;

VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de – geschorste – gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW;

BEPAALT dat de zaak uiterlijk 16 juni 2026 weer op zitting wordt gepland;

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. Scheeper, voorzitter,

mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M. Scheeper

Griffier

  • mr. D. Kloos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand