RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-325854-25
Datum uitspraak: 29 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juni 2021 door the Regional Court in Tarnów, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1991 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
Zitting 10 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 10 februari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak 24 februari 2026
In de tussenuitspraak van 24 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de door de rechtbank geformuleerde vragen, die zien op de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon, aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 12 maart 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en is wederom vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. S.M. Hof.
Tussenuitspraak 26 maart 2026
Bij tussenuitspraak van 26 maart 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie onvoldoende is om het reeds vastgestelde algemeen gevaar op schending van grondrechten voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De rechtbank heeft vastgesteld dat er voor de opgeëiste persoon een
individueel gevaar bestaat op schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Tarnów. De rechtbank heeft op grond van artikel 11, tweede lid, OLW de beslissing over de overlevering aangehouden en een redelijke termijn van dertig dagen gesteld omdat er een mogelijkheid bestaat dat bij wijziging van de omstandigheden het vastgestelde reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling alsnog - en binnen afzienbare tijd - kan worden weggenomen.
De rechtbank heeft de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW met zestig dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 29 april 2025
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen en is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsvrouw, mr. S.M. Hof.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3. Tussenuitspraak van 24 februari 2026
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank al geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de genoegzaamheid van het EAB, de strafbaarheid van het feit en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW. Die overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden in het Poolse remand regime
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7 van de tussenuitspraak van 24 februari 2026 over de omstandigheden in het remand regime van de gevangenis van Tarnów en naar haar overwegingen onder punt 4 van de tussenuitspraak van
26 maart 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
Naar aanleiding van de tussenuitspraak van 26 maart 2026 is door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) op 26 maart 2026 een aanvullende vraag gesteld aan de Poolse autoriteiten, te weten:
“Since the letter dated 06-03-2026, only contained a general overview of the rights of detainees in the remand prisons in Poland, the Court of Amsterdam has asked you to provide us the specific information (…) in order to make its judgement regarding the risk of ill treatment in the remand prison in Tarnov. Specifically, the Court stressed that a lack of an adequate guarantee regarding the detention, may lead to
the court not granting the surrender of mr. [de opgeëiste persoon] .”
De Asystent prokuratora te Tarnów, heeft bij bericht van 27 maart 2026 aanvullende informatie verstrekt waarin onder meer het volgende staat vermeld:
“While in custody at the Tarnów Correctional Facility, he will have the opportunity to participate in activities organized by the facility’s administration. These cultural and educational activities are designed to foster civic and patriotic attitudes. They are conducted according to a weekly schedule and a roster prepared by the correctional officers. The schedule is made available to detainees in the residential units of the pretrial detention center. Participation in the classes is voluntary.
(…)
The activities described above take place at various times throughout the day. The average duration of dayroom activities, from the time of leaving the cell, is approximately one and a half hours. This time does not include the inmate’s right to at least one hour of walking. This activity is carried out independently of the activities described above. Given the variety of activities offered, it is not possible to definitively determine the number of hours a detainee spends outside their cell, especially since, as already noted, participation in these activities is voluntary and depends solely on the detainee’s choice.".
Op 9 april 2026 is door het IRC een aanvullende vraag gesteld, te weten:
“(…) Can we however, conclude that if mr. [de opgeëiste persoon] chooses to participate in all activities offered (so without exceptions and under normal circumstances) he can spend 2 hours or more outside of his cell (1,5 hours for the activities + 1 hour of walking = more than 2 hours)?”
De Asystent prokuratora te Tarnów, heeft hierop bij bericht van 13 april 2026 de volgende informatie verstrekt:
“In response to your inquiry, I would like to inform you that I fully stand by the position stated in my message dated March 27, 2026. Prisons and detention centers in Poland operate in accordance with the Code of Criminal Procedure and their organizational and disciplinary regulations. It should be emphasized that in Poland, the prosecutor’s office has no influence over the organization of a person’s stay in a prison while in pretrial detention. In light of the above, we cannot provide a definitive answer to the question posed, as the variety of activities offered makes it impossible to specify the number of hours an inmate spends outside their cell, especially since participation in these activities is voluntary and depends solely on the inmate’s choice.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de aanvullende informatie van 27 maart 2026 en 13 april 2026 nog altijd te algemeen van aard is en het de door de rechtbank vastgestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon niet wegneemt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vraag of met de verstrekte aanvullende informatie het door de rechtbank vastgestelde individuele gevaar is weggenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of zich binnen de in de tussenuitspraak van 26 maart 2026 gestelde redelijke termijn een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte aanvullende informatie van 27 maart 2026 en 13 april 2026 daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank is van oordeel dat de aanvullende informatie van 27 maart 2026 en 13 april 2026 nog steeds van algemene aard is. De rechtbank kan nog altijd niet vaststellen hoeveel uur per dag is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven in de detentie-instelling van Tarnów, waar hij na overlevering zal worden geplaatst, indien hij gebruik zou maken van alle voorzieningen die in de detentie-instelling worden geboden. Op basis van de verstrekte informatie kan dan ook niet worden uitgesloten dat de opgeëiste persoon structureel drieëntwintig uur per dag op zijn cel zal verblijven. De verstrekte informatie levert daarom naar het oordeel van de rechtbank geen wijziging van de omstandigheden op, waarmee het reeds vastgestelde reële individuele gevaar, zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW, voor de opgeëiste persoon alsnog is weggenomen.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid OLW, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.
4. Toepasselijke wetsartikelen
Artikel 11 OLW.
5. Beslissing
GEEFT geen gevolg aan het EAB.
VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.