RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-263142-25
Datum uitspraak: 13 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 20 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 1 augustus 2025 door de Regional Court in Łódź, IV Criminal Division, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1969,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De zitting van 18 maart 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 18 maart 2026, in aanwezigheid van mr. E. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz, beiden advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak van 1 april 2026
In de tussenuitspraak van 1 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en gelijktijdig geschorst voor onbepaalde tijd om het antwoord van de Poolse autoriteiten op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) geformuleerde vraag van 26 februari 2026 af te wachten en het IRC in de gelegenheid te stellen de onder 7.2 van de tussenuitspraak geformuleerde aanvullende vraag te stellen aan de Poolse autoriteiten.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen met 30 dagen verlengd op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de
– geschorste – overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 29 april 2026
Op deze zitting heeft de rechtbank - met instemming van partijen - de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. J. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. N.M. Delsing, als waarnemer voor mr. R. Malewicz.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. De tussenuitspraak van 1 april 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 1 april 2026 al is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB, de strafbaarheid van de feiten, de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW, de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW en de Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW). Wat de rechtbank heeft overwogen en geoordeeld moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4. Artikel 11 OLW Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen in paragraaf 7.2 van de tussenuitspraak van 1 april 2026. Die overwegingen moeten hier als herhaald en ingelast worden beschouwd.
The Prosecutor delegated to the Łódź Branch Department for Organized Crime and Corruption of the National Prosecutor's Office in Łódź heeft, voor zover hier relevant, op 1 april 2026 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“(…) [de opgeëiste persoon] (…) will be temporarily placed in pre-trial detention at the Remand Centre in Warsaw-Białołęka (…). Subsequently, he will be transferred to the Remand Centre in Lódź (…), where he will remain until the conclusion of the criminal proceedings, in accordance with territorial jurisdiction.
Upon placement in the Remand Centre in Lódz, the suspect, [de opgeëiste persoon] , will have the opportunity to participate in activities (…). In the ward common rooms, it is possible to use available sports equipment. Additionally, various activities such as competitions and tournaments are organized, (…). Activities are planned between 8:00 a.m. and 9:45 p.m. based on a weekly schedule, which is also made available to all detainees by being posted on the notice board in the residential unit.
The average duration of common room activities, calculated from the time of leaving the cell, is approximately one and a half hours. These activities take place during the day. Their frequency depends on the number of inmates in the residential unit and currently averages twice a week. Thus, [de opgeëiste persoon] will be able to spend approximately three hours per week participating in such activities.
In addition, [de opgeëiste persoon] will be entitled to at least one hour of outdoor exercise per day. If he distinguishes himself by complying with internal regulations and the rules set out in the organizational and order regulations governing pre-trial detention in a remand centre, he may be granted rewards. These may include, among others, an additional or extended walk, permission to participate more frequently in cultural and educational activities, as well as physical culture and sports activities, and permission for longer visits.
Furthermore, [de opgeëiste persoon] will be able to participate in other activities conducted outside the cell, such as visits, use of a self-service telephone, meetings with educators and psychologists, access to medical services, and participation in religious services, depending on his willingness to take part in them.
Taking into account the variety of activities available, it is not possible to determine precisely the number of hours a pre-trial detainee spends outside the cell, especially since participation in these activities is voluntary and depends solely on the detainee's will.
Assuming that the suspect, [de opgeëiste persoon] , wishes to take advantage of the opportunities for activities provided by the prison service in accordance with applicable regulations, his time spent outside the cell may exceed two hours per day.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB en dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Uit de aanvullende informatie van 1 april 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon minstens één uur per dag buiten de cel kan wandelen, maar dat het verder onmogelijk is om vast te stellen hoeveel tijd hij buiten de cel kan doorbrengen. Gedetineerden kunnen twee keer per week gedurende anderhalf uur deelnemen aan activiteiten. Uit de aanvullende informatie blijkt dat er voor deze activiteiten moet worden ingeschreven wat impliceert dat er een maximaal aantal deelnemers is en het dus niet zeker is of ook daadwerkelijk aan de activiteiten kan worden deelgenomen als daarvoor wordt ingeschreven. Zelfs al zou ervan worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon, indien gewenst, altijd aan de activiteiten kan deelnemen, dan nog kan hij slechts één uur en 25 minuten per dag gemiddeld buiten de cel verblijven. De gedetineerden kunnen privileges verdienen door goed gedrag. Hoe lang het duurt voordat een gedetineerde deze heeft verdiend, blijkt niet uit de aanvullende informatie. Gedetineerden kunnen daarnaast tijd buiten de cel doorbrengen voor bezoek, medische zorg, onderwijs en religie, maar er wordt niet aangegeven hoe vaak en hoe lang. Voor de opgeëiste persoon wordt dan ook niet uitgesloten dat hij structureel 23 uur per dag in zijn cel zal doorbrengen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. In de aanvullende informatie is aangegeven wat er mogelijk is en wordt geconcludeerd dat als de opgeëiste persoon aan alle activiteiten deelneemt, hij meer dan twee uur per dag buiten zijn cel kan verblijven. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van deze toezegging worden uitgegaan. Met de aanvullende informatie is het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon dan ook weggenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 1 april 2026 geoordeeld dat de verstrekte informatie onvoldoende was om het algemene reële gevaar op schending van de grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in the Remand Centre in Lódz, als de overlevering zou worden toegestaan, uit te sluiten.
Uit de aanvullende informatie van 1 april 2026 wordt, hoofdzakelijk, in algemene zin informatie verstrekt over de verschillende mogelijkheden van gedetineerden om buiten de cel te verblijven. Buiten het één uur wandelen per dag en de drie uur activiteiten per week, blijkt uit de aanvullende informatie niet hoe vaak en hoe lang de gedetineerden van de genoemde activiteiten buiten de cel gebruik kunnen maken. Aanvullende tijd die blijkens de aanvullende informatie ‘verdiend’ kan worden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden meegenomen, omdat hieraan voorwaarden zijn verbonden en dus pas voor de opgeëiste persoon in beeld komt wanneer hij de benodigde rewards zou hebben verdiend.
Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank de conclusie die de Poolse autoriteiten trekken in de laatste regel van de aanvullende informatie niet als een logische gevolgrekking uit de voorgaande alinea’s. Daar komt bij dat in deze conclusie staat dat als de opgeëiste persoon van alle geboden mogelijkheden om buiten zijn cel te verblijven gebruik maakt de tijd buiten zijn cel “may exceed” twee uur per dag. Dat is dus een kans, geen toezegging. Bovendien zeggen de Poolse autoriteiten in de verstrekte informatie eveneens dat het niet mogelijk is om precies vast te stellen hoeveel uur een gedetineerde in voorlopige hechtenis buiten zijn cel doorbrengt.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt de verstrekte aanvullende informatie dan ook geen onvoorwaardelijke garantie dat opgeëiste persoon niet het risico loopt om structureel 23 uur per dag op zijn cel door te brengen. De aanvullende informatie van 1 april 2026 neemt het reeds vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon dus niet weg.
De rechtbank stelt dan ook vast dat voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten wegens de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Lódz als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijziging van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
De rechtbank zal ingevolge artikel 11, vierde lid, OLW, bij de volgende zitting nagaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden binnen een redelijke termijn.
De voortzetting van de zaak zal worden ingepland in de periode van 11 juni 2026 tot en met 21 juni 2026, zodat kan worden nagegaan of deze wijziging van omstandigheden is opgetreden.
Verlenging van de beslistermijn
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 16 mei 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij de beslistermijn verlengen met 60 dagen onder gelijktijdige verlenging van de - geschorste - gevangenhouding met 60 dagen.
5. Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak op een zitting wordt ingepland in de periode van 11 juni 2026 en 21 juni 2026.
HOUDT AAN de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGT op grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 60 dagen (eindigend 15 juli 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de - geschorste - overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met 60 dagen.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Scheeper, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 13 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.