RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
parketnummer: 13-059083-26
Datum uitspraak: 19 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 18 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (WOTS), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 maart 2026 en strekt onder meer tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging in Nederland van een rechterlijke beslissing van de Superior Court of California, County of San Bernardino (Verenigde Staten van Amerika) van 11 augustus 2000. Deze rechterlijke beslissing houdt onder meer in de veroordeling tot de vrijheidsbenemende straf van 56 jaren tot levenslang (met de mogelijkheid van vervroegde invrijheidstelling) van:
[veroordeelde] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1944,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de [naam PI] ,
verder te noemen: veroordeelde.
1. Procesgang
Zitting 21 april 2026
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 april 2026. Daarbij zijn de veroordeelde, zijn raadsvrouw, mr. R.S. Imamkhan, advocaat in Amsterdam, en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, gehoord.
De rechtbank heeft voor onderbreking van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Nadere schriftelijke standpunten
De rechtbank heeft partijen na afloop van de mondelinge behandeling gewezen op de uitspraak F.B. en anderen t. Nederland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), gewezen op 21 april 2026, en partijen in de gelegenheid gesteld uiterlijk 12 mei 2026 eventuele aanvullende standpunten schriftelijk in te dienen.
De raadsvrouw heeft bij e-mail van 11 mei 2026 een aanvullend standpunt ingediend. De officier van justitie heeft geen nader schriftelijk standpunt ingediend.
Zitting 19 mei 2026
Op 19 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en direct uitspraak gedaan.
2. Identiteit veroordeelde
Veroordeelde heeft ter zitting verklaard dat bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Toelaatbaarheid
Verzoek van de VS en grondslag
De Amerikaanse autoriteiten hebben bij brief van 22 december 2025 aan de Nederlandse autoriteiten de overdracht en tenuitvoerlegging verzocht van de rechterlijke beslissing van de Superior Court of California, County of San Bernardino, Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS), van 11 augustus 2000. Deze rechterlijke beslissing, waarvan een gewaarmerkte kopie is overgelegd, is onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar.
Detentie
Uit de overgelegde stukken blijkt dat veroordeelde vanaf 10 april 1984 ononderbroken in de VS gedetineerd is geweest tot aan zijn feitelijke overbrenging naar Nederland op basis van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). Na aankomst in Nederland op 13 maart 2026 is hij door de officier van justitie in verzekering gesteld en door de rechter-commissaris voor de duur van 14 dagen in bewaring gesteld op 13 maart 2026, waarbij door de rechter-commissaris tevens een verlenging van de bewaring met 30 dagen is bevolen ingaande op 27 maart 2026.
Nationaliteit veroordeelde
Veroordeelde heeft de Nederlandse nationaliteit.
Strafbaarheid van de feiten
De rechtbank constateert dat de rechterlijke beslissing waarvan tenuitvoerlegging wordt gevraagd is gewezen ten aanzien van feiten die naar het recht van de VS strafbaar zijn. De beslissing ziet op de volgende strafbare feiten naar het recht van de VS:
murder;
murder;
solicitation to commit murder.
Deze feiten zijn naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar. De feiten worden naar Nederlands recht gekwalificeerd als:
telkens: opzettelijke uitlokking van moord, door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen.
Veroordeelde zou naar Nederlands recht eveneens strafbaar zijn geweest.
Veroordeelde diende op het moment van ontvangst van het verzoek tot zijn overbrenging nog ten minste zes maanden van de hem opgelegde vrijheidsstraf te ondergaan.
Instemming veroordeelde
Veroordeelde heeft verklaard mee te werken aan deze procedure en heeft op 19 februari 2026, door ondertekening van een Verification of Consent, ingestemd met zijn overbrenging naar Nederland.
Slotsom toelaatbaarheid
De rechtbank stelt vast dat geen van de in artikel 30, eerste lid, onder a tot en met d, WOTS genoemde situaties zich voordoet, zodat de tenuitvoerlegging van het hiervoor onder 3.1 vermelde vonnis toelaatbaar dient te worden verklaard. Het verlof tot de tenuitvoerlegging van dit vonnis zal op na te melden wijze worden verleend.
4. Motivering van de strafoplegging
Inleiding
Bij het toelaatbaar achten van de tenuitvoerlegging van een buitenlands vonnis moet de in het buitenland opgelegde straf worden omgezet in een straf of maatregel die voor dat feit naar Nederlands recht zou kunnen worden opgelegd. Voor die omzetting geldt op grond van artikel 31 WOTS het volgende beoordelingskader.
Bij het omzetten van de straf moet rekening worden gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van de dader. De buitenlandse straf vormt daarbij het uitgangspunt, maar die straf mag niet worden overschreden. Ook dient bij het omzetten van de straf rekening te worden gehouden met internationale gevoeligheden. Indien een lagere straf wordt opgelegd dan de buitenlandse straf, moeten de bijzondere redenen daartoe worden gemotiveerd. Bij de strafomzetting moet verder rekening worden gehouden met alle relevante omstandigheden die de duur en de hoogte van de op te leggen straf bepalen, waaronder ook de resocialisatie-perspectieven van de veroordeelde op het moment van de omzetting. De tijd die veroordeelde reeds in detentie heeft doorgebracht, moet op de straf in mindering worden gebracht.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat voor de veroordeling in de VS ook in Nederland een levenslange gevangenisstraf wordt opgelegd. Door de officier van justitie is daarbij allereerst gewezen op de ernst van de feiten en de motieven van de veroordeelde zoals die blijken uit de veroordeling. Ook heeft de officier van justitie erop gewezen dat de veroordeelde nooit enige openheid heeft gegeven over het hoe en waarom en nooit enige medewerking heeft gegeven aan het kunnen opsporen van de mededader(s). Verder moet bij het bepalen van de strafmaat rekening worden gehouden met de internationale gevoeligheden. Enkel door het eisen van een levenslange gevangenisstraf kan het Openbaar Ministerie namens de Staat waarmaken dat nog een strafrestant van zes maanden resteert. Door de officier van justitie is verder gewezen op twee Nederlandse zaken die volgens de officier van justitie overeenkomsten vertonen met onderhavige zaak. In die zaken is ook een levenslange gevangenisstraf in Nederland opgelegd, zodat een omzetting in een levenslange gevangenisstraf steun vindt in de jurisprudentie. Voorts kan een levenslange gevangenisstraf in Nederland worden opgelegd, zonder dat dit een risico van verzwaring van de buitenlandse straf vormt. Door de officier van justitie is in dat verband gewezen op de buitenlandse levenslange gevangenisstraf met de mogelijkheid tot ‘parole’. Het dossier bevat informatie dat veroordeelde in 2015, 2018 en 2023 parole-verzoeken heeft ingediend, welke zijn afgewezen. De mogelijkheid tot parole is vergelijkbaar met de mogelijkheid in Nederland om herbeoordeling van de straf of gratie te verzoeken, zodat geen sprake is van verzwaring van de straf. Tot slot is door de officier van justitie benadrukt dat de medische zorg voor de veroordeelde in detentie in Nederland in goede handen is.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat de opgelegde buitenlandse straf moet worden omgezet in een levenslange gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om onmiddellijke schorsing van de detentie onder voorwaarden dan wel, subsidiair, dat de Nederlandse Staat gehouden is om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren. Deze verzoeken zullen respectievelijk behandeld worden in paragrafen 5 en 6.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan rekening gehouden met het beoordelingskader zoals uiteengezet onder 4.1. De rechtbank is gebonden aan de vaststelling van de feiten en omstandigheden zoals die zijn uiteengezet in het buitenlandse vonnis. Deze feiten en omstandigheden worden hieronder onder 4.4.1 weergegeven. Vervolgens motiveert de rechtbank onder 4.4.2 - 4.4.4 waarom zij met de officier van de justitie en de raadsvrouw van oordeel is dat de buitenlandse straf naar Nederlands recht moet worden omgezet in een levenslange gevangenisstraf.
Feiten en omstandigheden
Op grond van het dossier kan worden vastgesteld dat veroordeelde is veroordeeld voor de moord op zijn vrouw [naam vrouw] en stiefdochter [naam stiefdochter] op 27 augustus 1983. De auto van [naam vrouw] is die dag aangetroffen op een afgelegen plek in Los Angeles. In de achterbak lagen de lichamen van [naam vrouw] en [naam stiefdochter] , die waren gekneveld, geslagen, gestoken en gewurgd met een elektriciteitskabel. De elektriciteitskabel bleek afkomstig te zijn uit de klok in het huis van veroordeelde. In het huis werd bloed aangetroffen op het bed waar [naam vrouw] en [naam stiefdochter] die nacht sliepen en in de hal bij de slaapkamer lag een bebloede honkbalknuppel. Door de politie zijn geen sporen gevonden van een geforceerde toegang tot de woning.
De moorden zijn niet door de veroordeelde zelf uitgevoerd, maar door één of meerdere tot nog toe onbekend gebleven personen. Ten tijde van de moorden was veroordeelde met zijn zoon en diens vriend op een ‘hunting trip’ gegaan.
De veroordeelde is veroordeeld voor het uitlokken van de moorden op [naam vrouw] en [naam stiefdochter] . Uit het dossier blijkt dat de betrokkenheid van veroordeelde bij de moorden is vastgesteld aan de hand van meerdere omstandigheden, die zich als volgt laten samenvatten.
- Veroordeelde heeft bij de ‘hunting trip’ alle vuurwapens uit het huis meegenomen, inclusief het pistool dat normaal voor [naam vrouw] werd achtergelaten.
- Veroordeelde heeft voorafgaand aan de moorden de dekking van de levensverzekeringen van hemzelf en [naam vrouw] verhoogd van 200.000 dollar tot een bedrag van één miljoen dollar. Omdat [naam vrouw] ook via haar werkgever was verzekerd, bedroeg de totale dekking van de levensverzekeringen van [naam vrouw] een bedrag van 1,2 miljoen dollar. De dag na de ontdekking van de moorden heeft veroordeelde zijn verzekeringsagent gebeld om hem van het overlijden van [naam vrouw] op de hoogte te stellen.
- Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat hij in januari 1983 door de veroordeelde is benaderd, waarbij veroordeelde hem 10.000 dollar heeft geboden om iemand te vermoorden. Veroordeelde heeft [naam getuige] vervolgens meegenomen naar zijn huis en hem uitgebreide en gedetailleerde instructies gegeven voor het vermoorden van [naam vrouw] die sterk overeenkomen met de wijze waarop [naam vrouw] en [naam stiefdochter] later om het leven zijn gebracht. De getuige heeft de moord niet uitgevoerd.
- Uit andere getuigenverklaringen blijkt dat veroordeelde in de maanden voorafgaande aan de moorden een buitenechtelijke relatie heeft gehad met [naam] . Veroordeelde heeft [naam] verteld dat hij van [naam vrouw] zou scheiden en hij met haar zou trouwen. Veroordeelde heeft zich daartoe in augustus 1983 verloofd met [naam] . Veroordeelde zou zijn thuissituatie zat zijn geweest. Veroordeelde zou hierover tegen [naam] hebben gezegd: “I have ways of shutting people up or I know someone that can do it”.
- Veroordeelde heeft gouden sieraden, waarvan hij tegen de politie had verklaard dat deze bij de overval op [naam vrouw] en [naam stiefdochter] waren buitgemaakt, in werkelijkheid bij [naam] achtergelaten.
- Tot slot volgt uit het dossier dat veroordeelde heeft getracht getuigen te beïnvloeden.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan
De rechtbank stelt voorop dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die in het algemeen tot de ernstigste misdrijven worden gerekend. Het opzettelijk (en met voorbedachten rade) benemen van iemands leven is immers de meest vergaande en een onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, namelijk de zwaarste die de Nederlandse wet kent: een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Het handelen van veroordeelde heeft ertoe geleid dat twee vrouwen (waarvan één minderjarig) op brute wijze om het leven zijn gebracht. Veroordeelde heeft dit bovendien gedaan binnen de familiesfeer. Op de achtergrond opererend heeft hij een ander of anderen ertoe bewogen om [naam vrouw] te vermoorden, ogenschijnlijk met een financieel motief en/of uit onvrede over zijn relatie met [naam vrouw] . Of veroordeelde ook specifiek de opdracht heeft gegeven om [naam stiefdochter] om te brengen of dat hij bij de opdracht om [naam vrouw] te vermoorden voor lief heeft genomen dat [naam stiefdochter] daarbij ook om het leven zou komen kan de rechtbank uit het Amerikaanse feitenrelaas niet opmaken. Dat neemt niet weg dat beiden als gevolg van het handelen van veroordeelde het leven hebben gelaten. Veroordeelde is daarbij planmatig en berekenend te werk gegaan. Zo heeft veroordeelde de dekking van levensverzekeringen verhoogd, een of meerdere personen aangezocht die de moorden hebben gepleegd, deze personen instructies gegeven en zichzelf van een alibi voorzien.
Uit de door de nabestaanden van de slachtoffers afgelegde verklaringen die zich in het dossier bevinden blijkt van een groot leed, dat ook na verloop van tijd door hen nog diep wordt gevoeld. Dat komt mede door de omstandigheid dat veroordeelde nooit openheid van zaken heeft gegeven en geen medewerking heeft verleend aan het opsporen van de mededader(s), waardoor tot op de dag van vandaag niet is opgehelderd wie de moorden heeft of hebben uitgevoerd.
Rekening houdend met de voornoemde omstandigheden rechtvaardigen de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan ook naar Nederlandse maatstaven het opleggen van een levenslange gevangenisstraf.
De persoon van de veroordeelde
Bij de strafomzetting moet de rechtbank ook rekening houden met de persoon van veroordeelde. Veroordeelde is een 81-jarige man die ernstig ziek is. Veroordeelde heeft acute myeloïde leukemie, een ernstige vorm van bloedkanker, waardoor zijn lichaam sterk is verzwakt en hij afhankelijk is van regelmatige bloed- en bloedplaatjestransfusies en chemobehandelingen. Daarnaast is hij cognitief kwetsbaar en is zijn verwachte levensduur beperkt. Veroordeelde heeft buiten zijn zus geen sociaal netwerk en is niet geworteld in de Nederlandse samenleving. Hij beschikt momenteel ook niet over een zorgverzekering. De rechtbank is zich dan ook zeer bewust van de kwetsbare positie waarin veroordeelde zich bevindt. Die persoonlijke omstandigheden van veroordeelde staan echter niet aan de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in de weg. Zoals onder 4.1 is overwogen, moet bij de strafomzetting rekening worden gehouden met resocialisatie-perspectieven van veroordeelde op het moment van de omzetting en de tijd die veroordeelde reeds in detentie heeft doorgebracht. Een tijdelijke gevangenisstraf zal, gelet op de tijd die veroordeelde reeds in detentie heeft doorgebracht, ertoe leiden dat veroordeelde onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld. Dat zou betekenen dat veroordeelde onbegeleid vrijkomt, hetgeen ook door de raadsvrouw en veroordeelde zelf niet wenselijk wordt geacht. Zo is door de raadsvrouw naar voren gebracht dat veroordeelde niet zonder enige vorm van vangnet, zorg of structuur vrij kan komen. Ook de rechtbank is van oordeel dat, nog los van de medische situatie van veroordeelde, de omstandigheid dat veroordeelde inmiddels al meer dan de helft van zijn leven gedetineerd is meebrengt dat hij niet zonder een gedegen voorbereiding en begeleiding terug kan keren in de maatschappij. De rechtbank stelt dan ook vast dat in dit bijzondere geval de noodzakelijke resocialisatie op geen enkele andere manier kan plaatsvinden dan in het kader van een levenslange gevangenisstraf.
Geen verzwaring van de buitenlandse straf (artikel 11 VOGP)
Zoals de rechtbank onder 4.1. heeft overwogen vormt de opgelegde buitenlandse straf het uitgangspunt en mag die straf op grond van artikel 11, eerste lid onder d, VOGP niet worden verzwaard.
In de VS is veroordeelde veroordeeld tot de vrijheidsbenemende straf van 56 jaren tot levenslang, met de mogelijkheid van parole. Aan veroordeelde is dus een levenslange gevangenisstraf opgelegd, waarbij in beginsel pas na 56 jaren een verzoek tot parole kon worden ingediend. Echter vanaf 10 april 2009, precies na 25 jaren detentie, kwam veroordeelde gelet op zijn leeftijd al voor het eerst in aanmerking voor zogenoemd ‘elderly parole’. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde in 2015, 2018 en 2023 verzoeken tot het verkrijgen van parole heeft ingediend, welke zijn afgewezen.
Het dossier bevat door the Board of Parole Hearings verstrekte informatie over de procedure tot het verkrijgen van parole. Uit die informatie blijkt dat een verzoek tot parole tijdens een hoorzitting wordt beoordeeld door een panel van de California Board of Parole Hearings. Om te bepalen of een gedetineerde een onredelijk gevaar vormt voor de maatschappij, indien hij in vrijheid zou worden gesteld, wordt de gedetineerde in de procedure bevraagd over zijn sociale geschiedenis, zijn psychische gesteldheid in het verleden en heden, zijn houding ten opzichte van het feit in het verleden en heden, en zijn strafblad. Ook de houding voor, tijdens en na de feiten wordt in aanmerking genomen. Daarnaast wordt bezien onder welke voorwaarden de gedetineerde veilig in vrijheid kan worden gesteld.
Nederland beschikt over een herbeoordelingsprocedure waarbij een onafhankelijk adviescollege, het zogeheten Adviescollege Levenslanggestraften, na maximaal 25 jaar detentie adviseert over de re-integratieactiviteiten waar een levenslanggestrafte gedetineerde voor in aanmerking komt. Deze activiteiten bereiden een gedetineerde voor op een mogelijke terugkeer in de samenleving. Het Adviescollege Levenslanggestraften kijkt daarbij naar het recidiverisico (het risico dat de persoon opnieuw een vergelijkbaar strafbaar feit pleegt), de delictgevaarlijkheid (het risico dat de persoon opnieuw een strafbaar feit pleegt) en het gedrag tijdens detentie. Daarnaast wordt het perspectief van de slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Op basis van het advies van het Adviescollege Levenslanggestraften besluit de minister of en voor welke re-integratieactiviteiten de gedetineerde in aanmerking komt. De minister neemt, met inachtneming van adviezen van de rechtbank en het Openbaar Ministerie, uiterlijk drie jaar na het hiervoor genoemde advies van het Adviescollege Levenslanggestraften, ambtshalve een gratiebeslissing namens de Koning. Daarnaast biedt de Gratiewet de mogelijkheid aan levenslanggestraften om zelf gratie te verzoeken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank – met de officier van justitie – van oordeel dat de mogelijkheid tot parole vergelijkbaar is met de Nederlandse herbeoordelingsprocedure, zodat geen sprake is van verzwaring van de straf.
Slotsom strafoplegging
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de slotsom dat zij, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van veroordeelde, aan veroordeelde een levenslange gevangenisstraf zal opleggen.
5. Verzoek tot onmiddellijke schorsing van de detentie
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft primair verzocht om de detentie onmiddellijk te schorsen onder de volgende voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat veroordeelde pas in vrijheid wordt gesteld zodra zijn medische traject volledig is geregeld. Dat omvat zijn ziekenhuisopname, de noodzakelijke behandelingen, passende opvang en dat zijn zorgverzekering is geregeld. Als tweede voorwaarde moeten twee gedragsdeskundigen worden benoemd, die met spoed het risico op herhaling onderzoeken, zodat veroordeelde pas in vrijheid wordt gesteld, nadat de deskundigen hebben vastgesteld dat het risico voldoende laag is. Voortzetting van de detentie van veroordeelde is volgens de raadsvrouw niet langer gerechtvaardigd gelet op het in artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde verbod op onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen en het verbod op strafverzwaring zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid onder d, VOGP. In de VS heeft veroordeelde, ondanks de omstandigheid dat er formeel driemaal een parole-procedure heeft plaatsgevonden, feitelijk nooit een eerlijke kans gehad op vrijlating. In het schriftelijke standpunt van 11 mei 2026 heeft de raadsvrouw dit nader toegelicht. Hierdoor ontbrak het veroordeelde aan enig perspectief op verkorting van zijn detentie. Dit terwijl het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Murray helder heeft gemaakt dat een levenslange straf alleen voldoet aan de vereisten van artikel 3 EVRM als niet alleen op papier, maar ook in de praktijk een echte mogelijkheid tot verkorting bestaat. Voor veroordeelde zou verdere detentie in Nederland door zijn leeftijd, gezondheid en cognitieve achteruitgang er simpelweg toe leiden dat zijn straf opnieuw feitelijk niet meer te verkorten is. De gratieprocedure duurt in de praktijk maanden tot jaren; tijd die veroordeelde niet meer heeft. In dit verband is van belang dat het EHRM in de zaak Vinter uitdrukkelijk heeft geoordeeld dat een vrijlating die uitsluitend plaatsvindt omdat iemand terminaal ziek is of fysiek niet langer detentie kan verdragen, geen werkelijk perspectief op vrijlating vormt in de zin van artikel 3 EVRM. In haar schriftelijke aanvulling heeft de raadsvrouw toegelicht dat de recente uitspraak van het EHRM in de zaak F.B. en anderen t. Nederland niet tot een ander standpunt leidt. Aangezien veroordeelde nooit enige vorm van re-integratieactiviteit of voorbereiding op terugkeer heeft ontvangen en hem daarmee geen daadwerkelijk perspectief op vrijlating is geboden, valt zijn situatie buiten de omstandigheden die het EHRM in deze uitspraak acceptabel heeft geacht. Dit terwijl hij al, uitgaande van het moment waarop volgens het EHRM een eerste herbeoordeling dient plaats te vinden, sinds 10 april 2025 daarvoor in aanmerking had moeten komen. Veroordeelde heeft in de VS sinds zijn aanhouding in 1984 meer dan 42 jaar onafgebroken in detentie doorgebracht zonder enige vorm van re-integratieactiviteiten of herbeoordeling en zonder traject dat voor hem duidelijk maakte wat hij moest doen om voor vrijlating in aanmerking te komen. Daarmee ontbrak volgens de raadsvrouw datgene wat het EHRM essentieel beschouwt: een concreet, kenbaar en bereikbaar pad richting mogelijke vrijlating.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tegen schorsing van het bevel gevangenhouding verzet.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank begrijpt het primaire verzoek van de raadsvrouw zo dat zij verzoekt het bevel gevangenhouding, dat op grond van artikel 29, derde lid, WOTS van kracht blijft totdat deze uitspraak onherroepelijk is geworden, te schorsen onder voorwaarden.
Bij de beoordeling van het schorsingsverzoek stelt de rechtbank voorop dat niet alleen op papier, maar ook in de praktijk een reële mogelijkheid bestaat tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, zodat het opleggen en tenuitvoerleggen hiervan geen schending van artikel 3 EVRM of verzwaring van de strafpositie van veroordeelde oplevert. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak F.B. en anderen t. Nederland van het EHRM van 21 april 2026, kortgezegd inhoudende dat de Nederlandse regeling voor levenslanggestraften niet in strijd is met artikel 3 EVRM. Bij de beoordeling heeft het EHRM betrokken dat Nederland inmiddels een herbeoordelingsmechanisme van de levenslange gevangenisstraf heeft. Naast de ambtshalve procedure tot gratie kan ook een verzoek door de levenslanggestrafte worden gedaan. Het is bovendien voldoende transparant hoe het herbeoordelingsmechanisme werkt, nu de objectieve beoordelingscriteria openbaar toegankelijk zijn, zodat duidelijk is aan welke voorwaarden moet worden voldaan om voor vervroegde vrijlating in aanmerking te komen en willekeur wordt voorkomen. Ook is het herbeoordelingsmechanisme met voldoende procedurele waarborgen omkleed. Zo kan na een gemotiveerde afwijzende beslissing tot gratie of plaatsing in een re-integratiefase een civiele procedure worden gestart, met de mogelijkheid van hoger beroep. Verder kan volgens het EHRM op basis van de statistieken niet worden gezegd dat levenslange straffen in Nederland in de praktijk nooit worden gereduceerd. De levenslange straffen kunnen daarom niet worden gezien als ‘irreducible’, zowel de jure als de facto. Het door de raadsvrouw gestelde risico van schending van artikel 3 EVRM is dan ook geen reden om het bevel gevangenhouding te schorsen.
In de omstandigheid dat een herbeoordelings- dan wel gratieprocedure lang kan duren, terwijl het de vraag is hoeveel tijd veroordeelde nog heeft gelet op zijn leeftijd en medische situatie, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om het bevel gevangenhouding te schorsen onder voorwaarden. Zoals volgt uit hetgeen de rechtbank onder 4.4.3 heeft overwogen – in lijn met het standpunt dat de raadsvrouw hierover heeft ingenomen – is onmiddellijke vrijlating (al dan niet onder voorwaarden) gelet op de medische en persoonlijke situatie van veroordeelde geen optie. De raadsvrouw heeft daarom verzocht dat het bevel gevangenhouding pas wordt geschorst indien is voldaan aan de voorwaarden dat het medisch traject van veroordeelde volledig is geregeld (waaronder passende opvang en een zorgverzekering) en nadat twee gedragsdeskundigen hebben onderzocht of het risico op herhaling voldoende laag is. Het gaat dus om onbepaalde, in de toekomst gelegen voorwaarden waarvan het hoogst onzeker is binnen welk tijdsbestek die gerealiseerd kunnen worden, zodat alleen al daarom toewijzing van het schorsingsverzoek op dit moment niet aan de orde kan zijn. Daar komt bij dat een schorsing van het bevel gevangenhouding, gelet op het bepaalde in artikel 29, derde lid, WOTS slechts van kracht zou zijn tot deze uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Al met al ziet de rechtbank geen mogelijkheid tot schorsing van het bevel gevangenhouding, noch onder de door de raadsvrouw voorgestelde voorwaarden noch onder andere voorwaarden, zodat het verzoek van de raadsvrouw zal worden afgewezen.
6. Subsidiair verzoek tot vaststellen versnellen procedure
Nu de rechtbank het primaire verzoek van de raadsvrouw tot schorsing van het bevel gevangenhouding afwijst, komt de rechtbank toe aan beoordeling van het subsidiaire verzoek.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank subsidiair verzocht om vast te stellen dat de Nederlandse Staat gehouden is om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren. Dat betekent volgens de raadsvrouw dat de rechtbank moet vaststellen dat veroordeelde direct moet instromen in het regime dat in Nederland geldt voor levenslanggestraften na 25 jaar detentie, inclusief beoordeling door het Adviescollege Levenslanggestraften. Gezien het feit dat veroordeelde inmiddels 42 jaar gedetineerd is, dient tevens te worden vastgesteld dat hij versneld om gratie kan verzoeken.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de wet geen ruimte biedt om de Nederlandse Staat op te dragen het herbeoordelingsmechanisme toe te passen. Ook het verzoek om vast te stellen dat veroordeelde versneld om gratie kan verzoeken vindt geen grondslag in de wet. Tegelijkertijd staat niets eraan in de weg staat dat veroordeelde direct na het onherroepelijk worden van deze uitspraak zelf een gratieverzoek indient.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat noch de WOTS, noch het VOGP een grondslag biedt waarmee tegemoet kan worden gekomen aan het verzoek van de raadsvrouw om vast te stellen dat de Nederlandse Staat gehouden is om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren. Dit geldt eveneens voor het verzoek om vast te stellen dat veroordeelde versneld om gratie kan verzoeken, los van de omstandigheid dat veroordeelde geen belang heeft bij een dergelijke vaststelling omdat niets eraan in de weg staat dat hij onmiddellijk gratie verzoekt nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden. De rechtbank zal veroordeelde daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze verzoeken.
Dat neemt echter niet weg dat de rechtbank, gelet op de zeer bijzondere feiten en omstandigheden van deze zaak, aanleiding ziet om het volgende te overwegen. Gezien het feit dat veroordeelde al 42 jaar gedetineerd heeft gezeten, op hoge leeftijd is en zich in een zeer kwetsbare medische situatie bevindt, kan de rechtbank zich voorstellen dat de procedures waar veroordeelde na deze uitspraak voor in aanmerking komt met de nodige urgentie en voortvarendheid in gang worden gezet. De rechtbank verwijst in dat verband allereerst naar voornoemde uitspraak van het EHRM in de zaak F.B. en anderen t. Nederland. In die uitspraak heeft het EHRM namelijk overwogen dat de werking van het nog relatief nieuwe Nederlandse herbeoordelingsmechanisme door middel van nationale jurisprudentie en de werking in de praktijk in de toekomst verder kan worden verduidelijkt. De rechtbank acht het denkbaar dat, in het kader van een reëel vooruitzicht op vrijlating en ter voorkoming van een eventuele onmenselijke behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM, een verduidelijking van de werking van het herbeoordelingsmechanisme eruit zou kunnen bestaan dat de omstandigheden dat een veroordeelde reeds 42 jaar in het buitenland gedetineerd heeft gezeten en nog maar een korte levensverwachting heeft, een spoedige behandeling rechtvaardigt.
De rechtbank overweegt verder dat het Besluit Adviescollege levenslanggestraften (hierna: het Besluit) ook de mogelijkheid biedt tot het voortvarend activeren van het herbeoordelingsmechanisme. Artikel 4, tweede lid, van het Besluit bepaalt namelijk dat het eerste advies van het Adviescollege vijfentwintig jaar na aanvang van de detentie wordt uitgebracht, welke termijn inmiddels ruimschoots is verstreken. Verder wijst de rechtbank erop dat de in artikel 4, derde lid, van het Besluit genoemde termijn van drie jaren waarbinnen een voorstel tot gratieverlening moet worden beoordeeld niet een vaste termijn, maar een maximale termijn betreft. De wet noch het Besluit staat dus in de weg aan een eerdere beslissing, uiteraard met inachtneming van de benodigde zorgvuldigheid en deskundige advisering die een dergelijke beslissing vereist.
7. Slotsom
De rechtbank acht de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf, opgelegd bij vonnis van de Superior Court of California, County of San Bernardino (VS) van 11 augustus 2000 toelaatbaar en verleent daartoe verlof. Gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en de persoon van veroordeelde, zal de rechtbank aan veroordeelde een levenslange gevangenisstraf opleggen. Het primaire verzoek tot schorsing van het bevel gevangenhouding onder voorwaarden wordt afgewezen. Veroordeelde zal niet-ontvankelijk worden verklaard in het subsidiaire verzoek tot vaststelling dat de Nederlandse Staat gehouden is om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren dan wel vaststelling dat veroordeelde versneld om gratie kan verzoeken.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 57, 289 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 2, 3, 20, 27, 28, 29, 30, en 31 van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen;
de artikelen 2, 3, 6 en 11 van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen.
9. Beslissing
VERKLAART TOELAATBAAR de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de Superior Court of California, County of San Bernardino, Verenigde Staten van Amerika, van 11 augustus 2000 aan [veroordeelde] opgelegde gevangenisstraf en verleent daartoe verlof.
LEGT OP een levenslange gevangenisstraf.
WIJST AF het verzoek tot schorsing van het bevel gevangenhouding.
VERKLAART NIET-ONTVANKELIJK het verzoek tot vaststelling dat de Nederlandse Staat gehouden is om zonder verdere vertraging een effectief en tijdig herbeoordelingsmechanisme voor veroordeelde te activeren dan wel vaststelling dat veroordeelde versneld om gratie kan verzoeken.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier voorzitter,
mrs. E. de Rooij en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 mei 2026.