RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/166895-25, 13/052382-22 (tul) en 13/320296-21 (tul)
Datum uitspraak: 18 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2007 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
thans gedetineerd in de [naam PI] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 29 januari 2026 en 4 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. Sönmez, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat door en/of namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , bijgestaan door mr. O.F. Qane, naar voren is gebracht. Verder hebben de deskundigen mevrouw R. Liekens-Willems (reclasseringsmedewerkster) en S.A. Moonen (GZ-psycholoog), vragen van de rechtbank, de officier van justitie en de verdediging beantwoord.
2. Procesgang
De rechtbank heeft op de terechtzitting van 29 januari 2026 de zaak inhoudelijk behandeld en vervolgens het onderzoek gesloten.
Na sluiting van het onderzoek en vóór de uitspraak is de rechtbank bij de beraadslaging tot het oordeel gekomen dat het onderzoek ten aanzien van de persoon van verdachte onvolledig is geweest. De rechtbank achtte zich onvoldoende voorgelicht over de persoon van verdachte omdat in het dossier een adviesrapport van de reclassering naar aanleiding van een op 13 januari 2026 opgestelde Pro Justitia rapportage – waarin door GZ-psycholoog S.A. Moonen en psychiater M.M. Sprock oplegging van een maatregel van ter beschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met voorwaarden werd geadviseerd – ontbrak. De rechtbank heeft overwogen dat een adviesrapport van de reclassering nodig en gewenst is bij het bepalen van een eventuele op te leggen straf en/of maatregel en bij de te nemen beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke veroordelingen (met parketnummers 13/052382-22 en 13/320296-21). Ook achtte de rechtbank het nodig dat de betrokken psycholoog en/of psychiater als deskundige(n) ter terechtzitting worden gehoord om een toelichting te geven op hun bevindingen en conclusies die in de Pro Justitia rapportage zijn neergelegd.
De rechtbank heeft daarom in het tussenvonnis van 12 februari 2026 het onderzoek ter terechtzitting heropend om (alsnog) een adviesrapport door de reclassering op te laten stellen, naar aanleiding van de Pro Justitia rapportage van 13 januari 2026. Dit adviesrapport is op 16 april 2026 door reclasseringswerkster mevrouw R. Liekens-Willems van GGZ Verslavings Reclassering Fivoor opgemaakt. Daarnaast heeft de rechtbank de oproeping van de Pro Justitia rapporteur(s) en de opsteller(s) van het adviesrapport van de reclassering bevolen voor de volgende terechtzitting.
Het onderzoek ter terechtzitting is op 4 mei 2026 hervat.
3. Inleiding en beschuldiging
Op 29 mei 2025 pint een vrouw geldbedragen bij een pinautomaat in de Albert Heijn aan het Bijlmerplein in Amsterdam. Zij meldt aan een aldaar aanwezige verbalisant dat haar zoon van zestien jaar oud in een gebouw in de omgeving van [plaats] wordt gegijzeld en bedreigd met een vuurwapen. Zij meldt dat zij bang is en €5.000.- moet achterlaten op een grasveld bij [plaats] . De verbalisant biedt aan haar te helpen als zij meekomt naar het politiebureau en zegt haar 112 te bellen. De vrouw geeft aan dit te zullen overleggen met haar man die buiten staat te wachten, maar keert niet terug. Kort daarna lukt het de politie om de identiteit en het verblijfadres van de meldster te achterhalen, waarna zij zich naar haar woning begeven. Ter plaatse treffen zij aangever [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) gewond aan in het bijzijn van zijn ouders [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] . Op het politiebureau doen [benadeelde partij 1] en zijn ouders aangifte. [benadeelde partij 1] verklaart – kort samengevat – dat hij op Strandvliet onder bedreiging van een vuurwapen werd beroofd van zijn spullen. Vervolgens werd hij meegenomen naar verschillende winkels om een oplader te kopen, om de iPhone die bijna leeg was op te laden om deze te kunnen resetten. [benadeelde partij 1] werd vervolgens meegenomen naar een bergruimte in flat [naam flat] in [plaats] waar hij een aantal uren werd vastgehouden en mishandeld. Ook werden zijn ouders gebeld en werd van hen ‘losgeld’ geëist. De verklaringen van [benadeelde partij 1] , zijn ouders en nader onderzoek hebben ertoe geleid dat verdachte op 30 mei 2025 wordt aangehouden in de buurt van de woning van zijn opa in [plaats] . Verdachte draagt in zijn jaszak een geladen vuurwapen en in zijn slaapkamer in de woning van zijn opa ligt munitie.
Kort weergegeven is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich, samen met anderen, in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan:
op 29 mei 2025 ten aanzien van [benadeelde partij 1] :
Feit 1: wederrechtelijke vrijheidsberoving met het oogmerk een geldbedrag van zijn ouders te verkrijgen (gijzeling);
Feit 2: afpersing;
Feit 3: diefstal door middel van een valse sleutel;
Feit 4: poging tot zware mishandeling (primair) dan wel mishandeling (subsidiair);
in de periode van 29 mei 2025 tot en met 30 mei 2025:
Feit 5: het voorhanden hebben van een vuurwapen dat geschikt is om automatisch te vuren en (bijbehorende) munitie.
De volledige tekst van de tenlastelegging staat in bijlage I van dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
4. Waardering van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 29 januari 2026 gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat voor feit 4 geldt dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Voor feit 5 geldt dat niet kan worden bewezen dat het vuurwapen geschikt is om automatisch te vuren, zodat verdachte van dit tenlastegelegde bestanddeel moet worden vrijgesproken.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 mei 2026 gepersisteerd bij haar standpunt dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna verder bij het oordeel van de rechtbank besproken.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ter terechtzitting van 29 januari 2026 bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4 primair. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten kan de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen, met uitzondering van de tenlastegelegde gedraging(en) onder feiten 1 en 2 die verdachte heeft ontkend en het onder feit 5 tenlastegelegde onderdeel waarvoor geen bewijs voorhanden is.
De raadsman heeft ter terechtzitting van 4 mei 2026 het standpunt van de verdediging ten aanzien van de strafmaat naar voren gebracht.
Het standpunt van de verdediging wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna verder bij het oordeel van de rechtbank besproken.
Oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast.
In de namiddag van 29 mei 2025 loopt [benadeelde partij 1] met zijn iPhone in zijn hand vanaf metrostation Strandvliet in de richting van station Bijlmer ArenA in Amsterdam, als hij wordt aangesproken door de jongere (half)broer van verdachte, medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ). Door [medeverdachte 1] wordt opgemerkt dat [benadeelde partij 1] een mooie ketting heeft en gevraagd wordt welke telefoon [benadeelde partij 1] heeft. De verdachten bevelen [benadeelde partij 1] om zijn ketting af te doen, uit zijn Apple-account uit te loggen en zijn iPhone te resetten. Verdachte toont daarbij een vuurwapen. [benadeelde partij 1] geeft zijn ketting aan de verdachten, maar het lukt hem niet om uit zijn Apple-account uit te loggen. Vervolgens hebben de verdachten middels de telefoon van [benadeelde partij 1] een Tikkie van € 150,- betaald, welk bedrag om 15.54 uur vanaf de bankrekening van [benadeelde partij 1] wordt bijgeschreven op de bankrekening van verdachte.
Vervolgens lopen [benadeelde partij 1] en de verdachten in de omgeving van station Bijlmer ArenA meerdere winkels binnen, op zoek naar een oplader. Om 16.49 uur betaalt [benadeelde partij 1] in de MediaMarkt met zijn pinpas voor de aankoop van een oplader, waarna [benadeelde partij 1] en de verdachten zich vanaf Bijlmer ArenA met de metro naar [plaats] begeven. Ongeveer twintig minuten later lopen de verdachten met [benadeelde partij 1] de centrale toegangsdeur van flat [naam flat] binnen, waarna het drietal zich met de lift naar de 17e verdieping en vervolgens via de trap naar de 18e verdieping begeeft. Aldaar bevindt zich een bergruimte, waar [benadeelde partij 1] in totaal ruim twee uur wordt vastgehouden.
Bij aankomst in de bergruimte wordt de iPhone van [benadeelde partij 1] opgeladen met de aangeschafte oplaadkabel en wordt opnieuw geprobeerd om de iPhone te resetten. Dit mislukt en hierdoor wordt medeverdachte [medeverdachte 1] agressief. Hij slaat en schopt [benadeelde partij 1] in het gezicht en tegen zijn armen en benen. Vervolgens pakt [medeverdachte 1] het vuurwapen van verdachte, dat hij tijdens de looproute naar flat [naam flat] uit de tas van verdachte had gepakt. [medeverdachte 1] laadt het vuurwapen door en richt (de rode laser van) het wapen op het gezicht van [benadeelde partij 1] , terwijl de verdachten meermalen zeggen dat zij [benadeelde partij 1] zullen doodschieten. Ook wordt [benadeelde partij 1] meermalen met het vuurwapen hard tegen zijn hoofd geslagen. Vervolgens geeft [benadeelde partij 1] opvolging aan het bevel van [medeverdachte 1] om op de grond te gaan zitten en zich te ontkleden terwijl (de rode laser van) het vuurwapen op zijn gezicht blijft gericht. Verdachte maakt met zijn telefoon een foto van [benadeelde partij 1] in zijn onderbroek. Omdat [benadeelde partij 1] aanvankelijk geen gehoor geeft aan het bevel om zijn onderbroek uit te trekken, plaatst [medeverdachte 1] het vuurwapen in de mond van [benadeelde partij 1] en beweegt dit hevig heen en weer. Ook wordt [benadeelde partij 1] twintig tot dertig keer hard met zijn eigen riem tegen zijn hoofd, arm, schouder en rug geslagen. De gesp van de riem – die uiteindelijk is stukgegaan – komt meermaals terecht op zijn arm en ook zijn voorhoofd wordt met de gesp geraakt. [benadeelde partij 1] is bang en vreest voor zijn leven.
Verdachte staat tijdens de gepleegde (gewelds)handelingen door [medeverdachte 1] naast hem en heeft beelden gemaakt waarop te zien is dat [medeverdachte 1] de ontkleedde [benadeelde partij 1] meermaals met de riem slaat en hem bedreigd met het vuurwapen door het in zijn mond te steken, op zijn voorhoofd te richten en het door te laden. De beelden en foto die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen komen overeen met hetgeen [benadeelde partij 1] heeft verklaard over wat er in de bergruimte is gebeurd. Op de beelden is te zien dat [benadeelde partij 1] ook door verdachte tegen zijn hoofd is geslagen.
Na het door [medeverdachte 1] gepleegde geweld klopt een derde medeverdachte op de deur van het berghok waarop [benadeelde partij 1] onmiddellijk zijn onderbroek aantrekt. Deze medeverdachte maant [medeverdachte 1] te stoppen en pakt het vuurwapen af van [medeverdachte 1] en [benadeelde partij 1] mag zich aankleden terwijl alle drie de verdachten zich naar het balkon begeven. Op het balkon vatten de verdachten het plan op om losgeld te vragen van de ouders van [benadeelde partij 1] . Nadat zij vijf minuten later zijn teruggekeerd bij [benadeelde partij 1] geven zij uitvoering aan dit plan. [benadeelde partij 1] belt (om 17.50 uur) in opdracht van medeverdachte [medeverdachte 1] via een WhatsApp-videoverbinding met zijn vader om te vragen of hij € 1.000,- naar hem wil overmaken, terwijl [medeverdachte 1] (de rode laser van) het vuurwapen op het voorhoofd van [benadeelde partij 1] gericht houdt. Hieraan geven de ouders van [benadeelde partij 1] gehoor. De verdachten bellen meerdere keren (om 18.07 uur, om 18.14 uur en om 18.20 uur) via een WhatsApp-geluidverbinding vanaf de iPhone van [benadeelde partij 1] met zijn ouders. Tijdens het eerste gesprek sommeren zij hen om € 5.000,- te brengen in ruil voor de vrijheid van [benadeelde partij 1] , waarna de ouders van [benadeelde partij 1] in de auto stappen om op zoek te gaan naar een pinautomaat. Om 18.24 uur ontvangen zij een foto van een locatie en de instructie om het verzochte geldbedrag op deze locatie op het gras te leggen en weer weg te gaan. Verdachten schrijven onder andere: “We zijn geen kleine kinderen he dit is grote mannen werk” en “willen t geld alleen dan jullie zoon”. De moeder van [benadeelde partij 1] pint (om 18.43 uur) driemaal een bedrag van € 750,- bij een pinautomaat in de Albert Heijn aan het Bijlmerplein. Op de mededeling van de ouders dat zij hen niet meer dan € 2.250,- kunnen betalen omdat het daglimiet om te pinnen is bereikt, reageren de verdachten met dreigende woorden: “kanker je moet dat geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug”, “we weten waar jullie wonen en we gaan jullie alle drie door jullie hoofd schieten”, “laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat”. Uiteindelijk komen de ouders een bedrag van € 3.000,- met de verdachten overeen. Zij lenen het resterende bedrag van € 750,- van een buurman en leggen vervolgens om 19.31 uur het totaalbedrag van € 3.000,- op de afgesproken locatie. [medeverdachte 1] en de derde medeverdachte halen om 19.37 uur het geld op en rennen weg. Verdachte voegt zich vervolgens bij hen.
Verdachte heeft eerder (tussen 17.56 uur en 17.59 uur en tussen 18.08 uur en 18.13 uur) meerdere pogingen gedaan om met de pinpas van [benadeelde partij 1] geld te pinnen bij een pinautomaat in de Albert Heijn aan de Karspeldreef. Het is hem uiteindelijk (om 18.10 uur) gelukt om € 200,- te pinnen. De verdachten hebben dit bedrag en het bedrag van € 3.000,- onderling verdeeld.
Om 19.37 uur verlaat [benadeelde partij 1] flat [naam flat] via een zijdeur. Hij loopt op zijn sokken, omdat hij zijn schoenen aan de verdachten heeft moeten afgeven. Hij voegt zich bij zijn ouders die verderop in hun auto wachten. Als politieagenten die nacht bij de woning van [benadeelde partij 1] komen treffen zij [benadeelde partij 1] aan met meerdere bloeduitstortingen in zijn gezicht, op zijn bovenlichaam en armen. Op 30 mei 2025 constateert de huisarts van [benadeelde partij 1] blauwe plekken en forse striemen op zijn rug en rechterschouder. Op zijn voorhoofd zit een bult en hij heeft schaafwonden op zijn gezicht. Op zijn knieën zit een schaafwond en lichte zwelling. Op 4 juni 2025 is [benadeelde partij 1] onderzocht door een forensisch arts die verder nog bloeduitstortingen op zijn wangen, boven het rechteroog, op zijn schouders, zijn rechterflank, zijn rechterarm en beide benen heeft waargenomen en her en der schaafwonden en huidbeschadigingen (met korstvorming). De door [benadeelde partij 1] gemelde toedracht – vuist- en/of riemslagen – past volgens de arts bij het geconstateerde letsel in het gezicht.
Op 30 mei 2025 wordt verdachte aangehouden in de nabijheid van de woning van zijn opa in de [plaats] . Verdachte heeft het vuurwapen (van het merk Blow, type TR14 D. kaliber 7,65mm) bij zich dat een dag eerder bij het geweldincident tegen [benadeelde partij 1] werd gebruikt. Het vuurwapen blijkt geladen, maar niet doorgeladen. Ook wordt munitie aangetroffen in zijn slaapkamer in de woning van zijn opa, waar verdachte die nacht heeft geslapen. Het vuurwapen betreft een getransformeerd semiautomatisch gaspistool in de zin van artikel 1 onder III van de Wet Wapens en Munitie (WWM). De aangetroffen patronen in het vuurwapen en in de slaapkamer betreffen munitie van categorie III.
Bewijsoverwegingen
Bewezenverklaring feiten 1, 2, 3, en 4 primair:
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich, samen met (een) ander(en), ten aanzien van [benadeelde partij 1] heeft schuldig gemaakt aan gijzeling, afpersing, diefstal door middel van een valse sleutel en poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is voor wat betreft de bewezen geachte (gewelds)handelingen ten aanzien van [benadeelde partij 1] uitgegaan van wat [benadeelde partij 1] heeft verklaard omdat zijn verklaring op bijna alle punten steun vindt in de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, dan wel in de verklaringen van zijn ouders of in objectieve gegevens, zoals camerabeelden en transactiegegevens. Voor zover dat niet het geval is en de verdediging heeft bepleit om verdachte van een tenlastegelegd onderdeel vrij te spreken, overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 ontkend dat hij het vuurwapen dat hij in zijn jaszak bij zich droeg aan [benadeelde partij 1] heeft getoond bij de eerste ‘ontmoeting’ met [benadeelde partij 1] bij metrostation Strandvliet. Verdachte stelt dat hij het vuurwapen bij metrostation Strandvliet bij zich had in zijn jaszak, maar niet heeft getoond aan [benadeelde partij 1] . Volgens verdachte heeft [medeverdachte 1] het vuurwapen van hem afgepakt tijdens de route van metrostation [plaats] naar flat [naam flat] . Deze verklaring is niet aannemelijk geworden. De rechtbank overweegt in dat verband dat de verdachten [benadeelde partij 1] tegen het lijf liepen op klaarlichte dag en op een drukbezochte plek in Amsterdam waar [benadeelde partij 1] alle kansen had om zich aan de situatie en aan de verdachten te onttrekken. Uit het feit dat [benadeelde partij 1] desondanks bij de verdachten bleef leidt de rechtbank af dat de verdachten een situatie moeten hebben gecreëerd waaraan [benadeelde partij 1] niet kon ontsnappen. Gelet hierop, de verklaring van [benadeelde partij 1] en het feit dat verdachte heeft bekend dat hij zijn vuurwapen die dag bij zich had, acht de rechtbank bewezen dat verdachte een vuurwapen heeft gebruikt om zijn woorden kracht bij te zetten waardoor [benadeelde partij 1] zich zodanig bedreigd heeft gevoeld dat hij zich gedwongen voelde om zijn ketting en iPhone af te geven, mee te gaan naar meerdere winkels, een oplader aan te schaffen en hen uiteindelijk te volgen naar flat [naam flat] . De rechtbank zal de verklaring van verdachte als onaannemelijk terzijde schuiven.
Ten aanzien van feit 4 primair overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank kan niet vaststellen dat de verdachten vol opzet hadden op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1] toen zij hem mishandelden. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. De rechtbank oordeelt dat dat zo is. [medeverdachte 1] heeft [benadeelde partij 1] meermaals hard met (de gesp van) zijn riem, tegen het hoofd geslagen. Dat dit met forse kracht moet zijn gebeurd, leidt de rechtbank af uit het feit dat tijdens het slaan de gesp van de riem is afgebroken; zo is door [benadeelde partij 1] verklaard en wordt bevestigd door het feit dat de gesp los in de bergruimte is aangetroffen door de politie. Verdachte heeft ter terechtzitting op 29 januari 2026 bovendien verklaard dat [medeverdachte 1] [benadeelde partij 1] ook meerdere malen met zijn vuurwapen heeft geslagen. [medeverdachte 1] zou hevig tekeer zijn gegaan met de riem en het vuurwapen. Uit de camerabeelden blijkt verder dat [medeverdachte 1] met het vuurwapen in zijn hand een zwaaiende beweging richting het hoofd, waaronder richting de slaap van [benadeelde partij 1] , heeft gemaakt waardoor [benadeelde partij 1] werd geraakt. Nu op het hoofd van [benadeelde partij 1] meerdere bloeduitstortingen, schaafwonden en een zwelling zichtbaar waren, stelt de rechtbank vast dat dit met meer dan geringe kracht moet zijn gebeurd. Bovendien was [benadeelde partij 1] even daarvoor al meermaals op het hoofd geslagen, éénmaal door verdachte terwijl [medeverdachte 1] het vuurwapen in de mond van [benadeelde partij 1] hield, met alle risico’s van dien. Door de kracht van de klap is het vuurwapen uit de mond gekomen doordat het hoofd van [benadeelde partij 1] opzij bewoog. Door gedurende een tijdsbestek van ruim twee uur meermaals met de hand, met een riem met gesp en met een hard, metalen voorwerp (het vuurwapen) met kracht op en tegen het hoofd van [benadeelde partij 1] te slaan hebben de verdachten – naar de uiterlijke verschijningsvorm – de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 1] zwaar lichamelijk letsel aan het hoofd zou oplopen. Dat er een derde medeverdachte tussenbeide moest komen om de toenemende agressie van [medeverdachte 1] een halt toe te roepen, bevestigt naar het oordeel van de rechtbank de mate en ernst van het gepleegde geweld. Vanwege het ingrijpen van deze medeverdachte is ernstiger letsel voorkomen. Bij [benadeelde partij 1] hadden blijvende ontsierende littekens in het gelaat kunnen ontstaan, een oog had onherstelbaar kunnen beschadigen en als de slaap van [benadeelde partij 1] daadwerkelijk was geraakt had dit ernstig hersenletsel kunnen veroorzaken. Als gevolg van het handelen van [medeverdachte 1] en verdachte had [benadeelde partij 1] dus zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De tenlastegelegde poging tot zware mishandeling is dan ook bewezen.
Medeplegen
De verdachten hebben bij het plegen van de bewezenverklaarde feiten ten aanzien van [benadeelde partij 1] nauw en bewust samengewerkt. Zij hebben binnen een tijdsbestek van ruim drie-en-een-half uur, ruim twee uur meerdere geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 1] gepleegd, terwijl zij naast of bij elkaar stonden. Zij hebben [benadeelde partij 1] gezamenlijk aangesproken, gezamenlijk meegenomen naar de MediaMarkt en hem gezamenlijk het berghok ingelokt met het aanvankelijke doel zijn telefoon op te laden om deze te resetten en van hem af te nemen. Aldaar heeft het geweld door [medeverdachte 1] plaatsgevonden met - onder andere - gebruik van het vuurwapen van verdachte, terwijl verdachte toekeek en hij met zijn telefoon het geweld – naar eigen zeggen ‘uit stoerheid’ - heeft gefilmd. Verdachte heeft [benadeelde partij 1] ook geslagen. Ook bij het plegen van de andere bewezenverklaarde handelingen jegens [benadeelde partij 1] en/of zijn ouders hebben de verdachten nauw en bewust samengewerkt. Zo hebben zij zich op enig moment gezamenlijk teruggetrokken op het balkon waarbij zij het plan opvatten om de ouders van [benadeelde partij 1] af te persen. Hierna hebben zij de ouders van [benadeelde partij 1] beiden gesproken en bedreigd. De rollen van verdachten waren inwisselbaar dan wel elkaar versterkend, ook op de momenten dat de verdachten niet bij elkaar waren. Bijvoorbeeld op de momenten dat verdachte met de pinpas van [benadeelde partij 1] geld heeft gepind of dit probeerde en het moment dat het geld van de ouders van [benadeelde partij 1] van de afgesproken plaats werd opgehaald. De manier waarop de feiten werden gepleegd kan daarom niet anders worden gezien dan een bewust gezamenlijk handelen waarvoor ten minste verdachte en [medeverdachte 1] verantwoordelijk te houden zijn. Zij waren er op uit om persoonlijke spullen en geld van [benadeelde partij 1] en losgeld van de ouders van [benadeelde partij 1] te verkrijgen, deelden samen in de buit en schroomden niet om grof geweld te plegen tegen [benadeelde partij 1] . De bewezenverklaarde feiten zijn verdachte en zijn medeverdachte(n) voor het geheel toe te rekenen.
Gedeeltelijke vrijspraak feit 5
Niet is bewezen dat het vuurwapen dat verdachte in de periode van 29 tot en met 30 mei 2025 voorhanden had geschikt is om automatisch te vuren. Verdachte zal dan ook van dit tenlastegelegde onderdeel worden vrijgesproken.
Evenmin is bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd op 30 mei 2025, nu het vuurwapen die dag bij verdachte is aangetroffen tijdens zijn aanhouding op straat en de munitie is aangetroffen in de kamer van verdachte bij een doorzoeking. Gelet op het hiervoor gaande was van medeplegen ten aanzien van dit feit wel sprake op 29 mei 2025.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht, op grond van de bewijsmiddelen in bijlage II, bewezen dat verdachte:
feit 1:
op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door
- [benadeelde partij 1] een vuurwapen te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: "je moet gewoon meewerken" en
- [benadeelde partij 1] te gebieden mee te gaan en mee te nemen naar meerdere winkels en
- [benadeelde partij 1] te gebieden mee te gaan en mee te nemen naar een flatgebouw en dat flatgebouw in te gaan en
- met [benadeelde partij 1] een opbergruimte te betreden en [benadeelde partij 1] in die opbergruimte te houden en
- [benadeelde partij 1] meermalen te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en
- meermalen een vuurwapen op het gezicht van [benadeelde partij 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je doodschieten" en "je gaat zometeen je vader bellen. Je vader gaat nu duizend euro overmaken" en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en
- [benadeelde partij 1] te gebieden op de grond te gaan zitten en diens kleren uit te trekken en
- een foto van die ontklede [benadeelde partij 1] te maken en
- een vuurwapen in de mond van [benadeelde partij 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en
- [benadeelde partij 1] te gebieden diens onderbroek uit te trekken en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd en de arm en schouder en rug en
- [benadeelde partij 1] te gebieden tegen de muur te staan, ten gevolge waarvan [benadeelde partij 1] met de rug naar verdachte en zijn mededader stond gericht en
- met de telefoon van [benadeelde partij 1] de ouders van [benadeelde partij 1] , te weten [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] , te videobellen en te gebieden contant geld te komen brengen en
- de ouders van [benadeelde partij 1] hun zoon te tonen met een laser op zijn hoofd en
- tegen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] te zeggen: "kanker je moet dat geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug" en "we weten waar jullie wonen en we gaan jullie alle drie door jullie hoofd schieten" en "laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat" en
- de ouders van [benadeelde partij 1] een foto te sturen met een locatie met het bericht: "leg het daar op het gras en loop weer weg"
met het oogmerk een ander, te weten de ouders van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] , te dwingen iets te doen, te weten het betalen van een geldbedrag;
feit 2
op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een ketting en
- een telefoon en
- een oplaadkabel en
- een of meer sleutels en
- schoenen,
die geheel aan die [benadeelde partij 1] toebehoorden door
- [benadeelde partij 1] een vuurwapen te tonen en daarbij de woorden toe te voegen: “wat een mooie ketting heb jij en wat voor telefoon heb je?” en “oké, maakt niet uit, geef maar” en "nee, beter geef je hem nu” en “je moet gewoon meewerken” en “reset je telefoon en log uit bij je Apple-account” en
- [benadeelde partij 1] meermalen te slaan en schoppen in het gezicht en tegen de benen en armen en
- meermalen een vuurwapen op het gezicht van [benadeelde partij 1] te richten en daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je doodschieten" en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd te slaan en
- een vuurwapen in de mond van [benadeelde partij 1] te plaatsen en heen en weer te bewegen en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een riem te slaan op het hoofd, de arm, schouder en rug en
- [benadeelde partij 1] te gebieden zijn schoenen uit te trekken;
feit 3
op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen meerdere geldbedragen met een totale waarde van 350 euro die geheel aan [benadeelde partij 1] en een ander toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door:
- onbevoegdelijk middels de telefoon en betaalrekening van [benadeelde partij 1] een zogenaamd Tikkie, ter waarde van 150 euro, te betalen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag is overgemaakt van de betaalrekening van [benadeelde partij 1] naar de betaalrekening van verdachte en
- onbevoegdelijk met een bankpas van [benadeelde partij 1] 200 euro te pinnen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag van de rekening van [benadeelde partij 1] is afgeschreven;
feit 4 primair
op 29 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [benadeelde partij 1] meermalen heeft geslagen en geschopt in het gezicht en tegen de benen en armen en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een vuurwapen op het hoofd heeft geslagen en
- [benadeelde partij 1] meermalen met een riem heeft geslagen op het hoofd en de arm en schouder en rug,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 5
in de periode van 29 mei 2025 tot en met 30 mei 2025 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, zijnde een vuurwapen geschikt om te vuren
en
munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitievoorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is daarvoor strafbaar.
7. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 29 januari 2026 gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft zij gevorderd aan verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 4 mei 2026 gepersisteerd bij haar vordering. Zij heeft – onder verwijzing naar het in 2017 uitgebrachte WODC-rapport ‘Geen vermindering recidive na tbs-wetswijzigingen’ (hierna: het WODC-rapport) – benadrukt dat oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging noodzakelijk is om de kans op recidive te verminderen. Bij verdachte is sprake van ernstige en complexe psychopathologie met een beperkt ziekte-inzicht en verslavingsproblematiek. Uit het WODC-rapport volgt dat bij jongvolwassen tbs-gestelden, veroordeelden met een justitiële voorgeschiedenis en veroordeelden met een persoonlijkheidsstoornis en/of stoornis in gebruik van middelen, geldt dat een opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden, bij niet naleving van de voorwaarden, vaker wordt omgezet naar een tbs-maatregel met dwangverpleging. De officier van justitie acht de slagingskans van een tbs-maatregel met voorwaarden gering, omdat verdachte onder deze groepen personen valt. Ook twijfelt de officier van justitie aan de intrinsieke motivatie van verdachte om in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden een behandeling te ondergaan. Gebleken is dat (ambulante) jeugdhulpverleningstrajecten in het verleden niet hebben geleid tot vermindering van recidive.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft – bij een bewezenverklaring van een of meer feiten – verzocht om een kortdurende gevangenisstraf en een tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. De vordering van de officier van justitie om aan cliënt een tbs-maatregel met dwangverpleging op te leggen is, gelet op de adviezen van de deskundigen, onbegrijpelijk. De strafeis om daarnaast een gevangenisstraf van 24 maanden op te leggen is om diezelfde reden disproportioneel. De raadsman heeft benadrukt dat de Pro Justitia rapporteurs en de reclassering adviseren om een behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden vorm te geven. Vanwege zijn jeugdige leeftijd verzoekt de raadsman om verdachte nog een kans te geven om zijn leven te beteren.
Verdachte stelt dat hij doordrongen is geraakt van de gevolgen van zijn handelen en gemotiveerd is voor behandeling en begeleiding in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals op de terechtzittingen is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft samen met zijn jongere broer [medeverdachte 1] volstrekt willekeurig het minderjarige slachtoffer [benadeelde partij 1] aangesproken bij metrostation Strandvliet. Zij hebben een situatie gecreëerd waarbij zij [benadeelde partij 1] geen andere keuze lieten dan gehoor te geven aan wat hem werd opgedragen. Zij hebben [benadeelde partij 1] – onder bedreiging van een vuurwapen – meegenomen naar de MediaMarkt om een oplader aan te schaffen. Vervolgens hebben zij hem een bergingsruimte in een flat in [plaats] ingelokt, met het aanvankelijke doel zijn telefoon op te laden om deze te resetten en van hem af te nemen. Aldaar is [benadeelde partij 1] in totaal ruim twee uur vastgehouden, bedreigd, mishandeld en vernederd. Verdachte heeft hiervan beeldmateriaal gemaakt. Een aantal beelden is via sociale mediakanalen met anderen gedeeld. [benadeelde partij 1] heeft zich moeten uitkleden en is geslagen met zijn eigen riem en het eerder getoonde vuurwapen. Ook heeft hij zijn ouders moeten videobellen met het verzoek om geld over te maken, terwijl zijn ouders op beeld zagen dat [benadeelde partij 1] gewond was en onder schot werd gehouden. De verdachten hebben € 5.000,- ‘losgeld’ geëist van zijn ouders, in ruil voor zijn vrijlating.
Verdachte is op geen enkel moment tot bezinning gekomen en heeft zich niet om het lot van [benadeelde partij 1] bekommerd. Sterker nog, verdachte heeft ter zitting erkend er mee te hebben gepronkt; in het dossier bevindt zich een afbeelding waarop verdachte op straat staat met de tekst “mannen worden gegijzeld”. De verdachten mogen van geluk spreken dat [benadeelde partij 1] geen ernstiger, blijvend, letsel heeft opgelopen.
Uit de vorderingen van de benadeelde partijen en de door [benadeelde partij 1] ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring komt naar voren dat het handelen van de verdachten een grote impact heeft gemaakt op zijn leven en dat van zijn ouders. [benadeelde partij 1] noemt het voor hem en zijn ouders een gitzwarte dag die het gezin gebroken heeft. Hij voelde zich vernederd en stond doodsangsten uit, net als zijn ouders die dachten dat zij hun zoon niet meer levend terug zouden zien. Dat de slachtoffers bang waren blijkt ook uit het feit dat geen van allen aangifte wilde doen, uit angst voor represailles door verdachte en zijn broer. [benadeelde partij 1] heeft last van herbelevingen en heeft therapie moeten volgen om de bewezenverklaarde feiten te kunnen verwerken. Ook de ouders van [benadeelde partij 1] hebben behandelingen ondergaan om de traumatische gebeurtenissen te verwerken.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhadden hebben van een vuurwapen en munitie. Het is een feit van algemene bekendheid dat vuurwapens levensgevaarlijk zijn. Er moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke gevaarlijke voorwerpen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 13 januari 2026, opgesteld door GZ-psycholoog S.A. Moonen en psychiater M.M. Sprock. Zij hebben, kort weergegeven, geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale trekken, een traumastoornis en stoornissen in het gebruik van diverse middelen. Verdachte heeft geen grip op zijn emotionele binnenwereld en is beperkt in staat om zijn impulsen, emoties en gedrag te reguleren. Deze beperkingen komen voort uit de stoornissen van verdachte en het is volgens de deskundigen voorstelbaar dat de gedragskeuzes van verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten ten aanzien van [benadeelde partij 1] hierdoor zijn beïnvloed. Geadviseerd wordt de tenlastegelegde feiten 1 tot en met 4, bij een bewezenverklaring, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. De deskundigen zien ten aanzien van feit 5 geen doorwerking met de vastgestelde stoornissen.
Tijdens de terechtzitting van 4 mei 2026 is de hierboven genoemde psycholoog als deskundige gehoord. Zij heeft de inhoud van het rapport bevestigd.
De rechtbank volgt de conclusies van de deskundigen voor wat betreft de stoornissen en is van oordeel dat het bewezenverklaarde onder feit 1 tot en met feit 4 in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.
De rechtbank overweegt net als de deskundigen dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte (in verminderde mate) uitsluit voor het voorhanden hebben van het vuurwapen en munitie (feit 5). Verdachte is voor dit feit daarom volledig toerekeningsvatbaar.
Uit dit Pro Justitia rapport komt naar voren dat verdachte een belast verleden heeft gehad. Sinds zijn jeugd zijn er traumatische gebeurtenissen voorgevallen en hebben verschillende jeugdhulpverleningsinstanties zich over verdachte ontfermd. Verdachte is innerlijk zwak gestructureerd en kan zich door zijn beperkingen, voortkomend uit zijn stoornissen, slechts staande houden door extern aangebrachte structuur. Verdachte heeft geen grip op zijn emotionele binnenwereld en is beperkt in staat om zijn impulsen, emoties en gedrag te reguleren, waardoor problemen en emoties hem al snel overspoelen. Verdachte heeft om met zijn emoties om te gaan destructieve coping vaardigheden ontwikkeld, die bestaan uit vermijden, zichzelf beschadigen en zichzelf verdoven met diverse middelen die voorhanden zijn. Ook heeft hij somberheids- en angstklachten. De eerder ingezette behandelingen in een jeugdkader hebben tot op heden niet het gewenste effect gehad omdat deze hulpverleningstrajecten binnen drangkaders te vrijblijvend waren of omdat verdachte weerstand liet zien.
Verdachte toont sinds hij in deze strafzaak in voorlopige hechtenis zit in toenemende mate inzicht in zijn problematiek en is gemotiveerd voor een klinische behandeling en begeleiding door de reclassering.
Vanwege de complexe psychopathologie bij verdachte wordt het risico op recidive ten aanzien van het plegen van geweldsfeiten door de psycholoog en psychiater (de Pro Justitia rapporteurs) ingeschat als hoog. Blijkens zijn justitiële voorgeschiedenis is verdachte in aanwezigheid van zijn jongere broer [medeverdachte 1] (medeverdachte in deze zaak) in staat om tot (ernstig) gewelddadig delictgedrag te komen. De Pro Justitia rapporteurs vinden een behandeling van zijn stoornissen, die in aanvang plaatsvindt in een klinische setting met beveiligingsniveau 3, noodzakelijk om het risico op recidive in te perken. Zo kan verdachte zich eerst richten op zichzelf en kan hij zich niet onttrekken aan de behandeling, dan wel verdovende middelen gebruiken. Volgens de deskundigen dient de behandeling zich te richten op de persoonlijkheidspathologie (impuls- en emotieregulatie, zelfbeeld/identiteit en coping), verslavingsproblematiek (abstinentie met controle) en traumagerelateerde problematiek.
Met behandeling en begeleiding door de reclassering in het kader van een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden kan volgens de deskundigen niet worden volstaan, aangezien dit eerder niet tot de gewenste gedragsverandering heeft geleid. Gelet op het voorgaande en gezien de relatief jonge leeftijd van verdachte adviseren de deskundigen (met het oog op perspectief) – bij een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten – om de genoemde behandeling in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden plaats te laten vinden. Vanuit een klinische setting zal op geleide van voortgang worden toegewerkt naar een gedegen resocialisatietraject waarbij moet worden gezocht naar een gestructureerde vervolgpek. De overgang naar meer vrijheden dient niet te snel te gaan. Een contactverbod tussen verdachte en [medeverdachte 1] wordt vanwege de onderlinge destructieve dynamiek van belang geacht.
Reclasseringsmedewerkster R. Liekens-Willems heeft in het door haar opgestelde adviesrapport van 16 april 2026 gematigd positief geadviseerd over een tbs-maatregel met (onder meer) de volgende voorwaarden: meewerken aan reclasseringstoezicht, opname in een forensisch klinische zorginstelling aansluitend aan de huidige detentie van verdachte, ambulante behandeling en begeleid wonen of maatschappelijke opvang na afloop van de klinische opname, zo nodig meewerken aan een time-out in een forensische instelling voor een maximale duur van zeven weken (met de mogelijkheid tot verlenging van maximaal veertien weken per jaar), een middelenverbod en meewerken aan middelencontroles, dagbesteding, meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind, een reisverbod naar het buitenland en een contactverbod met de medeverdachten en slachtoffers. Geadviseerd wordt om deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.
Door de reclasseringsmedewerkster is benadrukt dat het een zeer fors pakket aan voorwaarden is en dat het wat haar betreft op zijn minst onzeker is of het verdachte zal lukken zich aan deze voorwaarden te houden. Verdachte heeft zich op de terechtzitting van 4 mei 2026 nogmaals en uitdrukkelijk bereid getoond om zich aan bovengenoemde voorwaarden te houden in het kader van een tbs-maatregel met voorwaarden. Hij heeft ook aangegeven dat hij zich realiseert dat het niet makkelijk zal worden. De reclassering kan het toezicht over deze voorwaarden uitoefenen. Verder heeft verdachte op de terechtzittingen van 29 januari 2026 en 4 mei 2026 verklaard dat de dreiging dat een tbs-maatregel met voorwaarden kan worden omgezet in een tbs-maatregel met dwangverpleging voor hem een stok achter de deur vormt. Hij heeft aangegeven geen sociale media meer te willen gebruiken en het gesprek aan te willen gaan over harddrugs. Hij heeft (desgevraagd) verklaard – weliswaar met tegenzin maar desalniettemin – te willen stoppen met het gebruik van verdovende middelen.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 6 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte in de vijf jaren terug te rekenen vanaf de datum waarop de bewezenverklaarde feiten in deze strafzaak zijn gepleegd, vaker is veroordeeld voor gewelds- en vermogensdelicten. Het is ook niet de eerste keer dat verdachte in strijd handelt met de Wet wapens en munitie. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten waren de proeftijden van twee eerdere veroordelingen, waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd, nog niet voorbij.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers. De rechtbank houdt daarbij rekening met eendaadse samenloop van de bewezenverklaarde feiten. Ook neemt de rechtbank de persoon van verdachte in aanmerking, waaronder het gegeven dat feit 1 tot en met feit 4 hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend. Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie van 24 maanden passend en geboden. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, opleggen.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de wettelijke vereisten om een tbs-maatregel op te leggen (artikel 37a Sr en verder). Verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan misdrijven waar naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer op is gesteld, te weten gijzeling, afpersing, diefstal door middel van een valse sleutel en het voorhanden hebben van een vuurwapen uit categorie III. Daarnaast is gebleken dat bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen van de geestvermogens en dat deze stoornissen de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed. Tot slot maakt de algemene veiligheid van personen het nodig dat aan verdachte een tbs-maatregel wordt opgelegd. Verdachte heeft zware geweldsdelicten begaan en de inschatting van de deskundigen is dat het risico op herhaling – zonder behandeling en begeleiding – hoog is.
De rechtbank heeft geworsteld met de vraag of een tbs-maatregel met voorwaarden of dwangverpleging het meest passende behandelkader biedt voor verdachte. Enerzijds zijn de zorgen van de reclassering over de haalbaarheid van een tbs-maatregel met voorwaarden gehoord. Vanwege de complexe psychopathologie van verdachte en het feit dat eerder verleende hulpverleningstrajecten binnen drangkaders niet effectief zijn geweest zou het, ondanks zijn bereidheid om zich aan voorwaarden te houden, te veel van hem kunnen vragen. Anderzijds stelt de rechtbank vast dat de Pro Justitia rapporteurs (met het oog op toekomstperspectief) een tbs-maatregel met voorwaarden passend vinden omdat verdachte relatief jong is en zijn problematiek zich leent voor behandeling binnen een tbs-kader met voorwaarden. Uit de rapportages blijkt dat verdachte gemotiveerd is om aan zichzelf te werken en ter terechtzitting heeft verdachte bij het voorhouden van de voorwaarden herhaaldelijk aangegeven dat hij zich aan deze voorwaarden wil committeren. Verdachte is zich daarnaast bewust van het risico omzetting van een tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging, bij niet naleving van de voorwaarden.
De rechtbank heeft bovenstaande argumenten tegen elkaar afgewogen en is tot het oordeel gekomen dat zij verdachte een kans wil bieden om in het kader van een tbs-maatregel zijn leven te beteren gelet op zijn jonge leeftijd en de ter terechtzitting gestelde motivatie. De rechtbank heeft het vertrouwen dat het recidivegevaar dat van verdachte uitgaat voldoende ingeperkt kan worden binnen een tbs-maatregel met voorwaarden, zoals ook wordt gesteld in de deskundigenrapportages. Hoewel niet is in te schatten in welke mate de dreiging van omzetting naar een tbs-maatregel met dwangverpleging voldoende motivatie voor verdachte vormt om goed mee te werken aan de voorwaarden, is naar het oordeel van de rechtbank waarneembaar dat dit wel een stevige drijfveer voor verdachte vormt om zich niet aan de voorwaarden te onttrekken. Daarom zal de rechtbank anders dan de officier van justitie heeft gevorderd een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen, zoals door de reclassering zijn geadviseerd.
In het kader van de voorwaarden overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende ten aanzien van de time-out.
De reclassering heeft ter terechtzitting uitgelegd dat zij deze voorwaarde zo begrijpt dat als verdachte bij acute destabilisatie tijdens het ambulante behandeltraject niet instemt met een kortdurende klinische opname in het kader van een time-out, hij daarmee deze voorwaarde overtreedt. De reclassering heeft aangegeven dat zij in dat geval het reclasseringstoezicht negatief retour zal melden wegens overtreding van één van de voorwaarden.
Het weigeren in te stemmen met een time-out kan niet leiden tot de conclusie dat verdachte deze door de reclassering voorgestelde time-out voorwaarde heeft overtreden. Wel biedt artikel 6:6:10a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een vergelijkbare maar strafrechtelijke route om een kortdurende klinische opname te bewerkstelligen, mocht verdachte niet instemmen conform die door de reclassering voorgestelde voorwaarde. Deze voorwaarde van een time-out heeft niet tot doel de tbs-gestelde tot medewerking te verplichten, maar om een grondslag te bieden voor forensische zorg bij acute destabilisatie. Om die reden wordt de door de reclassering voorgestelde time out voorwaarde gehandhaafd. De alternatieve strafrechtelijke route bestaat onverminderd, ongeacht de instemming van verdachte.
De rechtbank bepaalt dat deze klinische opname in het kader van een time-out maximaal zeven weken mag duren, met een maximum van veertien weken per jaar.
Nu de bewezenverklaarde geweldsfeiten een inbreuk hebben gemaakt op de lichamelijke integriteit van een persoon, kan de totale duur van de tbs-maatregel bij omzetting naar een tbs-maatregel met dwangverpleging, ongemaximeerd zijn.
Dadelijke uitvoerbaarheid
Door het Indicatiestelling Forensische Zorg (IFZ) is een indicatiestelling afgegeven voor een klinische plaatsing. Verdachte is door de Dienst Individuele Zaken (DIZ) voorgedragen aan de [naam kliniek] in Zutphen en daar geaccepteerd. Verdachte moet in het kader van de veroordeling in deze strafzaak echter eerst een gevangenisstraf ondergaan en wordt pas aansluitend aan zijn detentie opgenomen in een forensische psychiatrische kliniek. De vraag is of voornoemde plaatsing beschikbaar blijft tot na zijn detentie. Gelet op het gevaar voor recidive, is het onwenselijk dat er na zijn detentie een periode zonder toezicht bestaat. De rechtbank zal daarom bepalen dat de voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar worden verklaard in de zin van artikel 38 lid 6 Sr, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen en de algemene veiligheid van personen of goederen.
GVM
De rechtbank is met de reclassering van oordeel dat, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, oplegging van een GVM nodig is. Op basis van het Pro Justitia rapport, het reclasseringsrapport en de justitiële documentatie van verdachte is er naar het oordeel van de rechtbank een gegronde vrees voor herhaling. De deskundigen rapporteren immers dat de kans op herhaling hoog is. Daarnaast blijkt uit de rapportages dat verdachte een langdurige monitoring, behandeling, begeleiding en sturing nodig heeft. De rechtbank acht het daarom van belang dat er een mogelijkheid bestaat om na de tbs-maatregel langdurig toezicht op verdachte te kunnen houden en hem eventueel te kunnen behandelen en te begeleiden, ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank zal daarom, naast de tbs-maatregel met voorwaarden, ook de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen.
Voorlopige hechtenis
Voor de periode dat dit vonnis nog niet onherroepelijk is geworden, zal de rechtbank bevelen dat de voorlopige hechtenis van verdachte wordt geschorst met ingang van het tijdstip waarop de verdachte aansluitend aan zijn detentie wordt opgenomen in de beoogde forensische psychiatrische kliniek. Als een plaatsing aansluitend aan detentie in de [naam kliniek] in Zutphen of een soortgelijke instelling niet mogelijk is, dient Dienst individuele Zaken (DIZ) zorg te dragen voor een overbruggingsplek.
Deze schorsing van de voorlopige hechtenis acht de rechtbank noodzakelijk, omdat omzetting van de tbs-maatregel met voorwaarden in een tbs-maatregel met dwangverpleging (bij overtreding van de voorwaarden van de tbs-maatregel) niet mogelijk is zolang dit vonnis niet onherroepelijk is. Als de verdachte dan de in het kader van de tbs-maatregel te stellen voorwaarden (en daarmee de schorsingsvoorwaarden) niet naleeft terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, kan de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden bevolen. Op die manier kunnen ook in die situaties de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen worden gewaarborgd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1729. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven met ingang van het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is geworden.
9. Beslag
Onder verdachte zijn voorwerpen op grond van artikel 117 Sv, kledingstukken, een iPhone en € 1.033,- inbeslaggenomen.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.033,- heeft de officier van justitie gevorderd de teruggave te gelasten aan de rechthebbenden, te weten [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] .
Ten aanzien van de voorwerpen die op grond van artikel 117 Sv zijn vernietigd, heeft zij de onttrekking aan het verkeer gevorderd. De onder verdachte inbeslaggenomen kledingstukken en iPhone zijn reeds aan verdachte teruggegeven.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de in beslag genomen goederen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
De onder verdachte inbeslaggenomen iPhone wordt verbeurdverklaard, omdat met betrekking tot deze iPhone de bewezenverklaarde geweldsfeiten ten aanzien van [benadeelde partij 1] zijn begaan. Verdachte heeft immers beelden opgenomen van de gepleegde geweldshandelingen.
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank oordeelt dat de goederen die op grond van artikel 117 Sv zijn vernietigd zullen worden onttrokken aan het verkeer, met uitzondering van de iPhone, omdat deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
Geëindigd beslag
De rechtbank constateert dat op de beslaglijst kledingstukken en een geluidsapparaat van Apple zijn opgenomen, terwijl deze goederen reeds aan de verdachte zijn teruggegeven. De rechtbank zal daarom geen beslissing nemen ten aanzien voorwerpen, omdat het beslag daarmee is geëindigd.
Ter terechtzitting van 4 mei 2026 is door mr. Van Egmond namens de benadeelde partij [benadeelde partij 2] naar voren gebracht dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 1.033,- aan hem is teruggegeven. Daarmee is het beslag geëindigd, zodat de rechtbank ook hierop niet behoeft te beslissen.
10. Vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen
Vorderingen
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] ( [benadeelde partij 1] ), heeft € 13.159,92 gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 1.659,92 aan vergoeding van materiële schade en € 11.500,- aan vergoeding van immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] (vader), heeft € 13.200,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 7.200,- aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 3] (moeder), heeft € 11.300,- gevorderd aan schadevergoeding, bestaande uit € 6.300,- aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Alle drie de benadeelde partijen hebben verzocht om verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de geleden schade. Daarnaast hebben zij gevorderd de schadevergoedingen te vermeerderen met de wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen in haar geheel hoofdelijk kunnen worden toegewezen met vermeerdering van de wettelijke rente. Zij heeft daarbij gevorderd dat ten aanzien van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zij verzocht het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag (€ 1.033,-) te verrekenen met het gevorderde bedrag aan de materiële schadevergoeding.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] .
De raadsman heeft verzocht de benadeelde partijen van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen tot vergoeding van immateriële schade vanwege het ontbreken van een rechtstreeks verband tussen de gevorderde immateriële schade en de tenlastegelegde feiten. Volgens de raadsman is onduidelijk wat de grondslag van de immateriële schadevergoedingen is. De gevorderde schade zou eventueel als shockschade aangemerkt kunnen worden, maar de Hoge Raad stelt hoge eisen aan toewijzing daarvan. Behandeling van de gevorderde immateriële schade zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Een benadeelde partij kan op grond van artikel 6:106 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aanspraak maken op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Dat kan als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Van een aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete en objectieve gegevens moeten aanvoeren waaruit blijkt dat van geestelijk letsel sprake is. Op grond van vaste jurisprudentie kunnen in sommige gevallen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon evident is. Een nadere concrete onderbouwing hoeft dan niet te worden overgelegd.
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Vast staat dat aan de benadeelde partij als gevolg van de jegens hem gepleegde geweldshandelingen rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Daarnaast brengen de aard en de ernst van normschending, gezien de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden zoals genoemd onder 8.3, mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo evident zijn, dat een aantasting in de persoon ook zonder verdere onderbouwing kan worden aangenomen. Dit betekent dat de benadeelde partij voor vergoeding van zijn immateriële schade in aanmerking komt.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en naar de Rotterdamse Schaal. In deze schaal staat vermeld dat bij middelzware posttraumatische stressstoornis klachten (gevallen waarbij de benadeelde grotendeels hersteld en de resterende klachten niet tot leiden tot ernstige beperkingen) een schadevergoeding van € 5.500,- tot € 16.000,- wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, komt de gevorderde schadevergoeding van € 11.500,- de rechtbank niet onbillijk voor. Daarom zal de rechtbank € 11.500,- aan immateriële schade toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Allereerst overweegt de rechtbank dat de benadeelde partijen rechtstreeks geraakt zijn door het bewezenverklaarde onder feit 1 en daarmee slachtoffer zijn in de zin van artikel 51a Sv. De ouders van [benadeelde partij 1] zijn – anders dan de verdediging heeft bepleit – ook als slachtoffer opgenomen in de tenlastelegging onder feit 1.
De rechtbank is – met de officier van justitie en anders dan de raadsman – van oordeel dat ook de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (de ouders) rechtstreeks immateriële schade hebben geleden. Het dossier biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten voor toewijzing van immateriële schadevergoeding aan de ouders. Zij werden door middel van videobellen geconfronteerd met de dreiging dat hun zoon zou worden doodgeschoten. [benadeelde partij 1] was gewond en er was een vuurwapen op hem gericht. Op grond van deze omstandigheden overweegt de rechtbank dat gelet op de bewezenverklaarde handelingen van verdachte, de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen zo evident zijn dat, ook zonder verdere onderbouwing een aantasting in de persoon op andere wijze kan worden aangenomen.
Ook overigens hebben de benadeelde partijen voldoende concrete objectieve gegevens aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is van geestelijk letsel. Uit beide vorderingen blijkt dat een psycholoog heeft vastgesteld dat een traumabehandeling geïndiceerd is om de traumaklachten die zij door de gijzeling van hun zoon hebben opgelopen te verwerken.
Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank gekeken naar bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend en naar de Rotterdamse Schaal. In deze schaal staat vermeld dat voor de meest ernstige gevallen van (confrontatie met) wederrechtelijke vrijheidsberoving een schadevergoeding van € 3.000,- tot € 8.000,- wordt opgelegd. Gelet op het voorgaande, komt de gevorderde schadevergoeding van € 5.000,- de rechtbank niet onbillijk voor. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van beide ouders elk € 5.000,- aan immateriële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Materiële schade
Ten aanzien van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Vast staat dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van de bewezenverklaarde feiten 1 tot en met 4 rechtstreeks materiële schade is toegebracht door verdachte en medeverdachten. Naar het oordeel van de rechtbank komt de gevorderde materiële schade voor vergoeding van een bedrag van in totaal € 1.600,54 in aanmerking, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit schadebedrag is op de hierna te noemen wijze opgebouwd.
De gevorderde schade die ziet op de kosten voor de oplader, het gepinde geld, schade aan de Apple iPhone, Airpods, reiskosten en de gederfde inkomsten, zal geheel worden toegewezen. De geleden schade is voldoende onderbouwd en deze schadeposten zijn niet door de verdediging betwist. Het totaal van deze schade komt neer op een bedrag van € 1.381,67 (€ 27,99 + € 200,- + € 400,- + €160,- + € 88,44 + € 44,35 + € 460,89).
De gevorderde schade die ziet op de kosten voor het beveiligen van de woning zal gedeeltelijk worden toegewezen omdat ter onderbouwing van de hoogte van die schade een kassabon van de Gamma is overlegd waar ook twee trays Redbull op staan ter waarde van € 58,98. De gevorderde schade voor deze trays komt niet voor vergoeding in aanmerking omdat deze kosten niet voortvloeien uit de bewezenverklaarde feiten. Voor het overige overweegt de rechtbank dat de gevorderde schade in rechtstreeks verband staat met de bewezenverklaarde feiten omdat verdachte en medeverdachten de contactgegevens van de benadeelde partij hebben genoteerd. Zo is in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] het adres van [benadeelde partij 1] en zijn ouders teruggevonden. Ten aanzien van deze kostenpost zal daarom € 58,98 in mindering worden gebracht op het gevorderde schadebedrag (€ 277,85). Voor de beveiliging van de woning zal dus € 218,87 (€ 277,85 - € 58,98) worden toegewezen. De rechtbank wijst de gevorderde vergoeding aan materiële schade voor het overige af.
Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Zoals ook is beschreven onder 10.4.1 hebben de ouders van [benadeelde partij 1] doordat zij geconfronteerd werden met de gijzeling van hun zoon, geestelijk letsel opgelopen. Om dit geestelijk letsel te behandelen is, blijkens de bijgestuurde brief bij de offerte, traumatherapie geïndiceerd en mevrouw [benadeelde partij 3] had ten tijde van de offerte al een groot deel van de behandelingen, namelijk 23 sessies (ter waarde van € 4.025,-), gehad. De psycholoog heeft een uitbreiding van het traject met dertien sessies geadviseerd om de geboekte voortgang bij mevrouw [benadeelde partij 3] te bestendigen. De kosten daarvan zijn begroot op € 2.275,- en worden gevorderd als toekomstige schade. Gelet op het feit dat mevrouw [benadeelde partij 3] het overgrote deel van de sessies al achter de rug heeft, dat zij daar baat bij heeft gehad maar er blijkens de toelichting van de psycholoog nog niet is, acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat mevrouw [benadeelde partij 3] als rechtstreeks gevolg van de bewezen verklaarde gijzeling ook in de toekomst schade zal leiden. De gevorderde toekomstige schade is bovendien concreet gemaakt zodat naar het oordeel van de rechtbank de gehele gevorderde materiële schade van € 6.300,- voor de traumatherapie van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] voor toewijzing in aanmerking komt, vermeerderd met de wettelijke rente.
De gevorderde materiële schade van [benadeelde partij 2] komt voor een vergoeding van € 1.967,- in aanmerking. Dit kan als volgt worden toegelicht.
Ter terechtzitting heeft de advocaat van de benadeelde partijen toegelicht dat de heer [benadeelde partij 2] inmiddels het geld dat in beslag genomen werd onder verdachte, retour heeft gekregen. Dit betrof een deel van het gepinde losgeld. De vordering voor wat betreft het gepinde losgeld zal daarom voor een bedrag van (€ 3.000,- minus €1.033,- =) € 1.967,- worden toegewezen. Voor het meerdere wijst de rechtbank de gevorderde vergoeding van deze materiële schade af. De kosten voor de psycholoog (volgens de offerte € 4.200,-) komen niet voor toewijzing in aanmerking. Anders dan bij mevrouw [benadeelde partij 3] blijkt uit de overgelegde stukken niet dat de heer [benadeelde partij 2] al met de behandeling is begonnen van de psychische gevolgen vanwege de onderhavige feiten. In de begeleidende brief staat immers dat de heer [benadeelde partij 1] nog geen traumabegeleiding heeft ontvangen. Bij deze stand van zaken is nog onvoldoende aannemelijk dat de heer [benadeelde partij 1] deze kosten daadwerkelijk zal maken en blijft sprake van eventuele toekomstige schade. De rechtbank zal de heer [benadeelde partij 2] daarom niet ontvankelijk verklaren met betrekking tot de kosten van de psycholoog. In totaal zal daarom € 1.967,- worden toegewezen voor de materiële kosten van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , vermeerderd met de wettelijke rente.
Conclusie
Gelet op het voorgaande moet verdachte de benadeelde partij [benadeelde partij 1] een schadevergoeding betalen van in totaal € 13.100,54, bestaande uit € 1.600,54 aan vergoeding van materiële schade en uit € 11.500,- aan vergoeding van immateriële schade.
Verdachte moet de benadeelde partij [benadeelde partij 2] een schadevergoeding betalen van € 6.967,- bestaande uit € 1.967,- aan vergoeding van materiële schade en uit € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Tot slot moet verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij 3] een schadevergoeding betalen van in totaal € 11.300,- bestaande uit € 6.300,- aan vergoeding van materiële schade en uit €5.000,- aan vergoeding van immateriële schade.
Alle schadevergoedingen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, te weten 29 mei 2025.
Voor het overige wijst de rechtbank de gevorderde schadevergoedingen van K. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] af.
Hoofdelijk
Verdachte heeft het strafbare feit waarvoor de schadevergoedingen worden toegekend samen met anderen gepleegd. Hij heeft net als de medeverdachten door zijn bijdrage meegewerkt aan het scheppen van de kans op schade en deze kans had hem van deelname aan het geweld behoren te weerhouden. De verplichting tot vergoeding van de schade zal daarom hoofdelijk worden opgelegd. Dat betekent dat de benadeelde partijen het gehele bedrag op verdachte kunnen verhalen. Verdachte en medeverdachten zijn ieder afzonderlijk verplicht om het totale bedrag aan de benadeelde partijen te betalen, tenzij een van de anderen het hele bedrag al heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal ten aanzien van alle benadeelde partijen, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel in de zin van artikel 36f Sr opleggen.
De rechtbank bepaalt dat de te vergoeden schadebedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk op 29 mei 2025. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 1] kan gijzeling worden toegepast van maximaal 90 dagen. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 2] kan gijzeling worden toegepast van maximaal 60 dagen en ten aanzien van [benadeelde partij 3] maximaal 81 dagen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 38z, 45, 47, 55, 57, 282a, 302, 311, 317 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
12. Tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordelingen
Bij de stukken zitten de op 27 januari 2026 bij de griffie van deze rechtbank ontvangen vorderingen tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam. De officier van justitie vordert daarin de bij vonnissen van 22 maart 2022 en 26 september 2022 van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam in de zaken met parketnummers 13/320296-21 en 13/052382-22 de opgelegde voorwaardelijke 25 uren taakstraf en 51 dagen jeugddetentie alsnog ten uitvoer te leggen omdat verdachte zich binnen de proeftijd aan strafbare feiten schuldig heeft schuldig gemaakt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie vordert de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straffen onder parketnummers 13/052382-22 en 13/320296-21. Ten aanzien van parketnummer 13/052382-22 vordert zij de omzetting van jeugddetentie in detentie voor volwassenen.
Standpunt van de raadsman
De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de gevorderde voorwaardelijke veroordelingen en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde aan de voornoemde parketnummers gekoppelde proeftijden schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal daarom de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf toewijzen. De rechtbank bepaalt dat de jeugddetentie wordt omgezet in detentie voor volwassenen, nu tenuitvoerlegging als jeugddetentie niet langer gepast is.
13. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde onder 1, 2, 3, 4 en 5 heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders tenlastegelegd is dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van feiten 1, 2, 3 en 4:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van gijzeling
en
medeplegen van afpersing
en
medeplegen van poging tot zware mishandeling
en
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
ten aanzien van feit 5:
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tbs-maatregel:
Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld.
Stelt daarbij de volgende algemene voorwaarden:
1. Geen strafbaar feit plegen
Veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
Stelt daarbij de volgende aanvullende voorwaarden:
3. Opname in een zorginstelling
Veroordeelde laat zich opnemen en zal verblijven in de [naam kliniek] of een soortgelijke forensisch klinische instelling, ook als dat in het kader van overbruggingszorg is, zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing
4. Meewerken aan een time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een forensische instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
5. Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Aansluitend aan zijn klinische opname zal veroordeelde verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden.
- Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
6. Ambulante behandeling
Aansluitend aan zijn klinische behandeling laat veroordeelde zich behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt.
- Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.
7. Middelenverbod en meewerken aan middelencontrole
Veroordeelde gebruikt geen drugs en alcohol en werkt mee aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek.
8. Dagbesteding
Veroordeelde zet zich in voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en houdt zich aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden.
9. Meewerken aan schuldhulpverlening/beschermingsbewind
Veroordeelde geeft inzage in zijn financiën en werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind.
10. Contactverbod
Veroordeelde zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken met
1. Medeverdachte [medeverdachte 1]
2. Medeverdachte [medeverdachte 2]
3. Aangever [benadeelde partij 1] en zijn ouders [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
11. Niet naar het buitenland (reisverbod)
Veroordeelde zal zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland begeven.
Geeft opdracht aan GGZ Verslavings Reclassering Fivoor de terbeschikkinggestelde bij de naleving van die voorwaarden hulp en steun te verlenen.
Beveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
GVM-maatregel
Legt op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.
Beslag:
Verbeurd verklaring:
1 STK telefoontoestel Apple (goednummer: 6663498);
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
Vorderingen benadeelde partijen:
[benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.100,54 (dertienduizend honderd euro en vierenvijftig eurocent), bestaande uit € 1.600,54 (duizendzeshonderd euro en vierenvijftig eurocent) aan vergoeding van materiële schade en uit € 11.500,- (elfduizend vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat een bedrag van € 13.100,54 (dertienduizend honderd euro en vierenvijftig eurocent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 90 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij 2]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.967,- (zesduizend negenhonderdzevenenzestig euro), bestaande uit € 1.967,- (duizend negenhonderdzevenenzestig euro) aan vergoeding van materiële schade en uit € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Voor zover de vordering ziet op de gevorderde materiële schade ten aanzien van de kosten voor behandeling door een psycholoog, verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat een bedrag van € 6.967,- (zesduizend negenhonderdzevenenzestig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
[benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van € 11.300,- (elfduizend driehonderd euro), bestaande uit € 6.300,- (zesduizend driehonderd euro) aan vergoeding van materiële schade en uit € 5.000,- (vijfduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] , behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat een bedrag van € 11.300,- (elfduizend driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover zoals hiervoor benoemd tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 81 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Voorwaardelijke veroordelingen:
Gelast de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 13-052382-22 te weten 51 (eenenvijftig) dagen jeugddetentie en bepaalt dat de jeugddetentie wordt omgezet naar detentie voor volwassenen.
Gelast de tenuitvoerlegging van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf onder parketnummer 13-320296-21, te weten 25 uren taakstraf.
Voorlopige hechtenis:
Schorst de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het moment dat verdachte na verstrijken van de duur van de detentie (met aftrek) in het kader van de klinische behandeling zoals omschreven in voorwaarde 3 zal worden opgenomen in de [naam kliniek] of een soortgelijke instelling, dan wel een overbruggingsplek in afwachting van plaatsing in de kliniek. De schorsing van de voorlopige hechtenis duurt tot het moment waarop dit vonnis onherroepelijk is. Aan de schorsing van de voorlopige hechtenis worden de hiervoor onder 1 tot en met 11 genoemde voorwaarden verbonden en de voorwaarden dat:
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H.G. Brinkman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2026.
Bijlage I – Tenlastelegging
Aan verdachte, [verdachte] is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [benadeelde partij 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- die [benadeelde partij 1] een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of daarbij de woorden toe te voegen: "je moet gewoon meewerken" en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden mee te gaan en/of mee te nemen naar een of meerdere winkels en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden mee te gaan en/of mee te nemen naar een flatgebouw en/of dat flatgebouw in te gaan en/of
- met die [benadeelde partij 1] een op bergruimte te betreden en/of die [benadeelde partij 1] in die opbergruimte te houden en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of schoppen in het gezicht en/of tegen de benen en/of armen en/of
- meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht van die [benadeelde partij 1] te richten en/of daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en/of "je gaat zometeen je vader bellen. Je vader gaat nu duizend euro overmaken" en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd te slaan en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden op de grond te gaan zitten en/of diens kleren uit te trekken en/of
- een foto van die (ontklede) [benadeelde partij 1] te maken en/of
- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [benadeelde partij 1] te plaatsen en/of heen en weer te bewegen en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden diens onderbroek uit te trekken en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een riem te slaan op het hoofd en/of de arm en/of schouder en/of rug en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden tegen de muur te staan, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij 1] met de rug naar verdachte en/of zijn mededader(s) stond gericht en/of
- met de telefoon van die [benadeelde partij 1] de ouders van die [benadeelde partij 1] , te weten [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2] , te videobellen en/of te gebieden contact geld te komen brengen en/of
- de ouders van die [benadeelde partij 1] hun zoon te tonen met een laser op zijn hoofd en/of
- tegen [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2] te zeggen: "kanker je moet dat geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug" en/of "we weten waar jullie wonen en we gaan jullie alle drie door jullie hoofd schieten" en/of "laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat" en/of
- de ouders van die [benadeelde partij 1] een foto te sturen met een locatie met het bericht: "leg het daar op het gras en loop weer weg"
met het oogmerk een ander, te weten de ouders van die [benadeelde partij 1] , te weten [benadeelde partij 3] en/of [benadeelde partij 2] , te dwingen iets te doen of niet te doen, te weten het betalen/overhandigen van een geldbedrag;
feit 2
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van:
- een ketting en/of
- een telefoon en/of
- een oplaadkabel en/of
- een of meer sleutels en/of
- een of meer schoenen,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde partij 1] en/of een derde toebehoorde(n) door
- die [benadeelde partij 1] een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en/of daarbij de woorden toe te voegen: “wat een mooie ketting heb jij en wat voor telefoon heb je?” en/of “oké, maakt niet uit, geef maar” en/of "nee, beter geef je hem nu” en/of “je moet gewoon meewerken” en/of “reset je telefoon en log uit bij je Apple-account” en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, te slaan en/of schoppen in het gezicht en/of tegen de benen en/of armen en/of
- meermalen, althans eenmaal, een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het gezicht van die [benadeelde partij 1] te richten en/of daarbij de woorden toe te voegen: "ik ga je dood schieten" en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd te slaan en/of
- een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [benadeelde partij 1] te plaatsen en/of heen en weer te bewegen en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een riem te slaan op het hoofd en/of de arm en/of schouder en/of rug en/of
- die [benadeelde partij 1] te gebieden zijn schoenen uit te trekken;
feit 3
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een of meerdere geldbedragen (met een totale waarde van 350 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1] , in elk geval aan een ander, toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl hij, verdachte, zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel door:
- onbevoegdelijk middels de telefoon en/of betaalrekening van die [benadeelde partij 1] een zogenaamd Tikkie, ter waarde van 150 euro, te betalen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag is overgemaakt van de betaalrekening van die [benadeelde partij 1] naar de betaalrekening van verdachte en/of een van zijn mededaders en/of
- onbevoegdelijk met een bankpas van die [benadeelde partij 1] 200 euro te pinnen, ten gevolge waarvan genoemd geldbedrag van de rekening van die [benadeelde partij 1] is afgeschreven;
feit 4
hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of geschopt in het gezicht en/of tegen de benen en/of armen en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd heeft geslagen en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een riem heeft geslagen op het hoofd en/of de arm en/of schouder en/of rug,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of 29 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [benadeelde partij 1] heeft mishandeld door:
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal te slaan en/of schoppen in het gezicht en/of tegen de benen en/of armen en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal met een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op het hoofd te slaan en/of
- die [benadeelde partij 1] meermalen, althans eenmaal, met een riem te slaan op het hoofd en/of de arm en/of schouder en/of rug;
feit 5
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 mei 2025 tot en met 30 mei 2025 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 3 van de Wet wapens en munitie, te weten een (getransformeerd) pistool, van het merk Blow, type TR14 D, kaliber 7,65mm Browning, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren
en/of
munitie van categorie III, van de Wet wapens en munitite, te weten een of meer patro(o)n(en), van het merk CBC, 7.65mm Browning, voorhanden heeft gehad.
Bijlage II – bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen worden ten aanzien van de verschillende feiten gebruikt zoals hierna wordt weergegeven. Telkens wordt verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak met nummer 2025131858 (onderzoek ‘Nitrate’) ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
De inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen wordt steeds zakelijk weergegeven.
Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 primair en 5:
1. De bekennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026 heeft afgelegd.
Op 29 mei 2025 was ik samen met mijn jongere broer [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bij metrostation Strandvliet in Amsterdam. Wij zagen aangever [benadeelde partij 1] (hierna: [benadeelde partij 1] ) en hebben hem beroofd van zijn iPhone en ketting. Wij gaven hem de opdracht om zijn Apple-account uit te loggen en zijn iPhone te resetten. Dit lukte niet en zijn iPhone raakte leeg. Hij gaf zijn iPhone aan ons. Opeens was er sprake van een straatroof. Daarom zijn wij met [benadeelde partij 1] naar de Albert Heijn en de MediaMarkt bij Bijlmer ArenA gegaan, zodat hij met zijn pinpas een oplader voor ons kon kopen. Vervolgens zijn wij met z’n drieën met de metro naar flat [naam flat] in [plaats] gegaan om de iPhone van [benadeelde partij 1] op te laden. Vervolgens lukte het nog steeds niet om de iPhone van [benadeelde partij 1] te resetten. Toen is het is het zwaar uit de hand gelopen.
Wij hebben [benadeelde partij 1] daar vastgehouden in een bergruimte op de 18e verdieping. [medeverdachte 1] heeft hem meerdere keren geschopt en geslagen. Ook heeft hij meerdere keren geslagen met een riem en met mijn vuurwapen. Ik stond naast hem. Ik heb met mijn telefoon beelden van deze geweldshandelingen opgenomen. [medeverdachte 1] ging hevig tekeer met de riem en het vuurwapen. [medeverdachte 2] is er later bijgekomen.
Wij hebben [benadeelde partij 1] met zijn eigen iPhone naar zijn ouders laten bellen en hem de opdracht gegeven dat zijn ouders geld naar hem moesten overmaken. Ik kan mij herinneren dat ik iets heb gezegd in de trant van: “geef mij dat kanker geld”. Ik kan me ook herinneren dat er iets is gezegd over belanden in een kofferbak. De ouders van [benadeelde partij 1] hebben geld naar zijn rekening overgemaakt. Ik heb een paar keer geprobeerd om dit geldbedrag met de pinpas van [benadeelde partij 1] te pinnen. Het is mij uiteindelijk gelukt om €200,- te pinnen. Ook hebben wij tegen de ouders van [benadeelde partij 1] gezegd dat zij contant geld moesten pinnen en dat naar ons moesten brengen. Zij hebben het geldbedrag op de afgesproken plek neergelegd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben het geld vervolgens gepakt en dit hebben wij onderling verdeeld. Ieder kreeg ongeveer €1.100 à €1.200,-. Wij hebben met z’n allen verkeerd gehandeld.
Tijdens mijn aanhouding op 30 mei 2025 had ik een vuurwapen bij mij. Dit vuurwapen had ik ook op 29 mei 2025 bij mij en droeg ik in mijn jaszak. Dit is hetzelfde vuurwapen dat op de beelden is te zien en door [medeverdachte 1] is gebruikt bij de gepleegde geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 1] . [medeverdachte 1] heeft dit vuurwapen van mij afgepakt tijdens het lopen naar flatgebouw [naam flat] . In het vuurwapen zat munitie. Het klopt dat er ook munitie is aangetroffen in mijn slaapkamer tijdens de doorzoeking van de woning van mijn opa (op het adres: [adres]), waar ik in de nacht van 29 op 30 mei 2025 heb geslapen.
Ten aanzien van feiten 1, 2, 3, 4 primair:
2. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever (inhoudende: een verhoor van aangever [benadeelde partij 1] ) van 29 mei 2025, met documentcode 21008754, opgesteld door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] (incl. bijlagen), p. B001 – B014.
Ik was op 29 mei 2025 bij metrostation Strandvliet. Ik keek op mijn telefoon en liep richting de ArenA. Ik zag twee jongens lopen (NN1 en NN2). NN2 sprak me aan en zei: “Wat een mooie ketting heb jij en wat voor telefoon heb je?”, waarna hij zei: “Oké, maakt niet uit, geef maar.” Toen zei hij: “Nee, beter geef je hem nu.” NN1 liet mij toen een vuurwapen zien die hij op zijn heup droeg en zei dat ik gewoon moest meewerken.
Ik moest mijn ketting aan hen geven. Ik moest van hem mijn telefoon resetten en mijn Apple-account uitloggen. Terwijl ik daarmee bezig was zei hij ook dat ik mijn locatie uit moest zetten. Het lukte niet, dus toen zeiden ze dat ik een Tikkie moest betalen. Ik had mijn code gegeven en toen hebben zij via mijn telefoon een Tikkie aan henzelf betaald. Dit was een Tikkie van 150 euro naar rekeningnummer [nummer]. Deze screenshot deel ik met jullie.
Mijn batterij was bijna leeg, dus zei NN2 dat ik mee moest naar de Albert Heijn voor een telefoonlader. We gingen eerst naar de Albert Heijn To Go op het station Bijlmer ArenA. Vervolgens gingen wij naar de Albert Heijn op de Johan Cruijff Boulevard 177 te Amsterdam. Vanaf de Albert Heijn gingen we naar de MediaMarkt op de Johan Cruijff Boulevard 123 te Amsterdam. We gingen hier de winkel in en zij hebben een oplaadkabel gepakt. Ik rekende volgens mijn afschrift om 16.49 uur het blok af van de oplader bij de kassa.
We pakten vanaf Bijlmer ArenA de metro richting [plaats] . Hierna liepen we een gebouw binnen bij [plaats] . We hebben toen de lift gepakt naar de 17e verdieping, stapten de lift uit en daarna liepen we nog een trap omhoog. Toen we helemaal boven kwamen was daar een soort opbergruimte. Wij probeerden opnieuw met mijn Apple-account mijn iPhone te resetten. Dit lukte niet. NN2 werd toen boos en begon agressief te worden. Hij sloeg en schopte mij in mijn gezicht, tegen mijn benen en armen. Ik voelde veel pijn over mijn hele lichaam. Ik was op dat moment erg bang.
NN2 pakte toen een vuurwapen uit zijn tasje. NN2 laadde eerst het vuurwapen en ik zag dat er echte kogels in zaten. Hij deed de laser van het vuurwapen aan en richtte deze op mijn gezicht en op mijn voorhoofd. NN2 sloeg mij twee à drie keer hard op de bovenkant van mijn hoofd met het vuurwapen. Dit deed heel veel pijn. Ze zeiden meerdere keren dat ze mij dood zouden schieten.
NN2 zei dat ik op de grond moest gaan zitten, terwijl hij het vuurwapen op mij richtte. Ik moest van hem mijn kleren uitdoen, behalve mijn onderbroek. Het vuurwapen was nog steeds tegen mijn voorhoofd aan. Ik wilde mij niet uitkleden, dus toen deed hij het vuurwapen naar mijn mond. Hij zei dat ik mijn mond open moest doen. Hij deed het vuurwapen in mijn mond en begon het heen-en-weer te duwen diep mijn mond in en eruit. Dit deed pijn en ik was heel bang dat ik doodgemaakt zou worden.
NN2 maakte een foto van mij in mijn onderbroek. Daarna moest ik ook mijn onderbroek uitdoen en toen ging hij mij hard slaan met mijn eigen riem. Hij sloeg mij met de riem op mijn hoofd, rechterarm, schouder en mijn hele boven rug. Ik denk dat dit tussen de 20 à 30 keer was. Dit deed veel pijn. Ik voelde veel angst. Mijn riem ging stuk. De gesp van mijn riem lag op de grond. Dit ligt dus nog in dat hok. Ook moest ik mij naakt omdraaien tegen de muur aan. Er kwam een nieuwe jongen binnen (NN3).
NN2 vroeg aan mij om mijn vader te videobellen en om €1.000,- te vragen. Ik videobelde mijn vader via Whatsapp en terwijl ik belde, richtte NN2 het vuurwapen op mijn hoofd. Hierdoor zag mijn vader een rode laserstip op mijn voorhoofd. Ik appte om 17.52 uur naar mijn vader dat hij moest opschieten. Hierna heeft mijn vader €1.000,- overgemaakt naar mijn rekening.
Ik moest mijn pincode geven. NN1 nam mijn pinpas mee om te pinnen. Volgens mijn banktransactie heeft hij hierna om 18.10 uur €200,- gepind bij de Karspeld Geldmaat.
Ze gingen met mijn ouders via een videogesprek via WhatsApp bellen. Ze vroegen om €5.000,- en toen zei mijn vader dat dat niet mogelijk was, omdat hij nog maar €2.250,- kon pinnen. Zij konden drie keer €750,- euro pinnen. NN2 zei toen: “Helaas pannenkoek, nu gaat hij mee in de kofferbak in tot jullie het geld hebben.” Ze zeiden tegen mijn ouders dat ze mij anders dood zouden schieten. Mijn ouders hebben toen geld van de buurman geleend, zodat ze totaal €3.000,- hadden.
De jongens zeiden via WhatsApp dat mijn ouders het geld in contanten moesten neerleggen op de parkeerplaats bij [plaats] op het gras. Mijn moeder heeft de screenshots van deze gesprekken en deze delen wij. Mijn moeder bleef herhalen dat ze niet meer geld konden pinnen. Ze zeiden toen tegen mijn ouders dat het al te laat was en ik al in de koffer bak lag. Ze zeiden ook tegen mijn ouders dat ze hen zouden doodschieten als ze het geld niet zouden neerleggen. Mijn moeder had het geld op de afgesproken plek gelegd.
Ze vroegen waar mijn schoenen van waren. Ik droeg neppe rode Jordan One Chicago sneakers. Zij wilden deze schoenen hebben, dus ik moest deze uitdoen. Buiten gooiden ze iets in de sloot, ik denk dat dat mijn sleutels en telefoon (iPhone 13) waren.
Bijlagen:
3. Proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [naam flat] flat van 4 juni 2025, met documentcode 21021643, opgesteld door verbalisant [naam verbalisant 3], p. B132-160.
Ik, verbalisant [naam verbalisant 3], heb onderzoek verricht naar de camerabeelden van de [naam flat] flat
op 29 mei 2025 tussen 17:00 en 20 00 uur en heb hierbij het volgende in chronologische relevante
gebeurtenissen bevonden.
Om 19:31:14 uur loopt een vrouw linksboven in beeld om de hoek bij de [naam flat] flat richting een
verhoging op de straat naast de hekken. De vrouw legt op een verhoging, lijkend op een pallet, iets
onder een rood met wit voorwerp De vrouw draagt een zwarte broek en een grijze trui.
Om 19:37:08 uur rennen NN2 en NN3 naar een verhoging lijkend op een pallet NN2 pakt iets van
de verhoging af en gooit een rood voorwerp van de verhoging af naar links Daarna rennen NN2 en
NN3 weg. NN2 heeft tijdens het rennen iets in zijn hand.
Om 19:37:16 uur loopt NN1 via de hoofdingang naar buiten richting de parkeerplaatsen.
Om 19:37:18 uur komt het SO via de zijdeur van de [naam flat] zonder schoenen naar buiten, hij
loopt naar rechts de hoek om.
Ten aanzien van feiten 1, 2, en 4 primair:
4. Een geschrift (inhoudende: een letselrapportage opgemaakt over [benadeelde partij 1] van de Forensische Geneeskunde Noordwest Nederland GGD Amsterdam, opgesteld door forensisch arts C. Kruiver d.d. 4 juni 2025), inclusief bijlage (een huisartsverslag opgesteld door M. Berenschot werkzaam bij Gezondheidscentrum Haveneiland d.d. 30 mei 2025), p. B107 – B125.
Onderzoekgegevens:
Naam: [benadeelde partij 1]
Datum onderzoek: 4 juni 2025
Gemelde toedracht:
Datum: 29 mei 2025 omstreeks 15:30 uur
Gemelde toedracht: betrokkene vertelt dat hij met een riem (gesp en andere zijde) en de vuist is geslagen op de rechterarm, rug en in het gelaat. Achter op het hoofd vertelt betrokkene een klap met een vuurwapen te hebben gehad. Ook zou hij enkele keren geschopt zijn.
Samenvatting medische informatie:
Op 30 mei 2025 bezocht betrokkene de huisarts. Bij lichamelijk onderzoek werden bloeduitstortingen gezien op de rug en rechterschouder (met ‘forse striemen’). Op het voorhoofd werd ‘een grote bult’ gezien met ‘enkele schaafwonden in het gezicht’. Op beide knieën werd ‘een schaafwond en lichte zwelling’ gezien. Betrokkene vertelt pijn te hebben op zijn achterhoofd.
Letsels:
Het hoofd:
Verder zijn bij betrokkene op de linkerschouder, de linkerelleboog, de binnenzijde van de rechterbovenarm, de rechterschouder, de rechterflank, de onderzijde van de rug, de linkerknie, onder de linkerknie, op het linkerbovenbeen en op het rechterbovenbeen bloeduitstortingen, schaafverwondingen en huidbeschadigingen (met korstvorming) zichtbaar.
5. Een proces-verbaal van bevindingen (inhoudende: eerste bevindingen 6663498, gsm van [verdachte]) van 1 juni 2025, met documentcode 21012369, opgesteld door verbalisant [naam verbalisant 4] p. B093 – B100.
Op 30 mei 2025 werd de telefoon met goednummer 6663498 van [verdachte] in beslag genomen. Ik, verbalisant, heb de data van de telefoon bekeken.
In de telefoon zag ik verschillende foto's waarop het slachtoffer [benadeelde partij 1] te zien was, terwijl hij onder schot werd gehouden door een vuurwapen gelijkend voorwerp.
Op de foto's [nummer] en [nummer] is het slachtoffer te zien, waarbij hij onder schot gehouden wordt.
De foto [nummer] betreft een schermafbeelding van GoogleMaps. Deze schermafbeelding betreft de exacte locatie welke door de verdachten verzonden is naar de ouders van het slachtoffer. Dit betrof de locatie waar het losgeld naar toe gebracht moest worden.
In de telefoon zag ik verschillende video's waarop het slachtoffer [benadeelde partij 1] te zien was. In de video’s is te zien hoe het slachtoffer werd bedreigd met een vuurwapen en werd mishandeld.
Video’s
Op de video is te zien dat het slachtoffer van dichtbij werd gefilmd, terwijl hij in een hoek tegen een gemetselde muur zat. Er is te zien dat een verdachte (NN2) tegenover het slachtoffer stond en de loop van een vuurwapen gelijkend voorwerp in de mond van het slachtoffer hield. Er is te zien dat NN2 het vuurwapen heen en weer schudde in de mond van het slachtoffer. Er is te zien dat NN2 met zijn linkerhand de rechterhand van het slachtoffer ter hoogte van zijn rechterschouder vasthield.
Er is te zien dat de verdachte die voornoemde video opnam (NN1) met zijn linkerhand een slaande beweging maakte tegen het hoofd van het slachtoffer.
Er is te zien dat het hoofd van het slachtoffer na de tik van NN1 naar links wegdraaide, waardoor de loop van het 'vuurwapen' niet meer in zijn mond zat. Daarna is te zien dat NN1 nog twee keer met zijn linkerhand tegen de rechterwang van het slachtoffer sloeg. Daarna zag ik dat NN2 tegen het gezicht van het slachtoffer sloeg.
In de video werd het slachtoffer van voren gefilmd. Er is te zien dat iemand met een lichte jas, vermoedelijk NN2, hem onder schot bleef houden met het ‘vuurwapen’ voorzien van een rode laser. Er is te zien dat het slachtoffer zijn handen omhoog deed en het scherm van zijn telefoon aan NN2 liet zien. Ik hoorde stemmen van vermoedelijk twee personen. In de video hoorde ik het volgende gesprek:
“NN1: Mattie
Slachtoffer: Ik doe het nu opnieuw.
NN1: Je gaat het nu doen, toch?
Slachtoffer: Ja, ja ik doe het nu opnieuw.
NN 1: Nu meteen broer
Op dat moment is te zien en te horen dat NN2 de slede van het ‘vuurwapen’ achteruit haalt en weer richt op het hoofd van het slachtoffer.
Slachtoffer: Ik doe het nu. Ik doe het nu. Ik doe het nu.
NN 1: Luister nu meteen.
Slachtoffer: Ja ik doe het nu. Wat heb je nodig?”
In deze video zag ik dat het slachtoffer [benadeelde partij 1] naakt tegen de muur stond. Ik zag dat NN2 in zijn rechterhand een zwarte riem vasthield en in zijn linkerhand een ‘vuurwapen’ vasthield. Ik zag dat er een rode stip verscheen op de plek naar de verdachte met het ‘vuurwapen’ naar wees.
Bij het starten van de video zag ik direct dat NN2 met de riem van achter zijn schouder een zwiep maakte en de riem met snelheid richting het lichaam van het slachtoffer bewoog. Op het moment dat de riem het lichaam van het slachtoffer bereikte hoorde ik een geluid van een zweepslag. Ik zag en hoorde dat NN2 in totaal zeven keer met de riem tegen het lichaam van het slachtoffer sloeg. Tijdens de mishandeling is te zien dat het vuurwapen gelijkend voorwerp meerdere malen richting het slachtoffer wordt gericht.
In de video is te horen dat een andere persoon die niet in beeld te zien was, het volgende riep: "Je bent rood broer. Wat je bent kankerrood broer. Mannen gaan dood broer."
In deze video is dezelfde smalle ruimte te zien als de vorige video. Er is te zien dat NN2 bij het volledig naakte slachtoffer stond. Er is te zien dat een andere verdachte (NN3) in een blauwe North Face jas gekleed met capuchon op de ruimte, in liep.
Resumé
In de telefoon van [verdachte] met goednummer 6663498 zijn foto's en video's te zien waarop het slachtoffer [benadeelde partij 1] te zien is. Er is te zien dat [benadeelde partij 1] wordt bedreigd, vernederd en mishandeld met een vuurwapen gelijkend voorwerp.
Ten aanzien van feit 1:
6. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever (inhoudende: een verhoor van aangever [benadeelde partij 3] ) van 3 juni 2025, met documentcode 21019137, opgesteld door verbalisanten [naam verbalisant 5] en [naam verbalisant 6], p. B101 – B103.
Op 27 mei 2025 (de rechtbank begrijpt: 29 mei 2025) omstreeks 17:40 uur werd mijn man [benadeelde partij 2] beeld gebeld via Whatsapp door [benadeelde partij 1] . Wij zagen [benadeelde partij 1] en het was vrij donker om hem heen. Hij zei op een vrij dwingende manier “Pap, je moet nu €1.000,- overmaken op mijn rekening. Geen vragen stellen, nu doen!”. Wij zagen een rood lampje op [benadeelde partij 1] zijn gezicht schijnen tijdens het beeldbellen. We hebben op Live360 gekeken waar hij zat, dat was ergens in de buurt van [plaats] sinds 17:27 uur.
Wij hadden al €1.000,- overgemaakt naar [benadeelde partij 1] , maar de daders konden er niet genoeg vanaf halen in verband met het daglimiet van de bankrekening van [benadeelde partij 1] . Toen kwamen zij met het idee dat we het dan maar contant moesten komen brengen. Ik heb in de Albert Heijn in Amsterdam Zuidoost drie keer €750,- opgenomen.
We hebben [plaats] 13 ingetoetst op Google. De daders hadden al een Whatsappfoto gestuurd van de locatie waar we het geld neer moesten leggen. Wij belden via Whatsapp de daders op, op [benadeelde partij 1] zijn telefoon. We zeiden dat we er waren en dat we €2.250,- bij ons hadden. Een dader werd heel boos en bleef maar zeggen dat het niet genoeg was. Hij gebruikte veel het woord kanker. Zoals “Je moet dat kanker geld nu overmaken, anders krijg je je zoon niet terug”. Ze dreigden ook dat ze alles wisten van ons en dat we [benadeelde partij 1] niet meer terug zouden zien.
De daders zeiden toen dat dat niet genoeg was en dat we onze zoon nooit meer terug zouden zien. Ze zeiden dat ze ons alle drie door ons hoofd zouden schieten en wisten waar we woonden. Ook zeiden ze dat ze [benadeelde partij 1] wat aan zouden doen. Op de achtergrond zei een andere jongen: “Laat maar want hij ligt al in de kofferbak, het is al te laat”.
Toen kwam er iemand die het gesprek overnam. We hebben met hem afgesproken dat we €3.000,- zouden geven. We zijn met €3.000,- weer naar [plaats] gereden en hebben het geld op de plek gelegd. Uiteindelijk kwamen er twee jongens aanlopen, die hebben dat geld gepakt.
Ten aanzien van feit 5:
7. Een proces-verbaal van onderzoek (inhoudende: proces-verbaal van wapenonderzoek) van 31 mei 2025, met registratienummer PL1300-2025131858, opgesteld door verbalisant [naam verbalisant 7] p. B059 – B065.
Op 30 mei 2025 werd verdachte [verdachte] aangehouden op de [adres]. In de tas van de verdachte werden diverse goederen aangetroffen waaronder een vuurwapen. Tevens werd er in de woning van de verdachte een doorzoeking verricht, de woning was gelegen aan de [adres]. Bij deze doorzoeking werd munitie aangetroffen.
Het vuurwapen (itemnummer: 2025131858 – 6663553)
Het inbeslaggenomen vuurwapen werd door mij, verbalisant, nader onderzocht.
Uit het onderzoek bleek mij het volgende:
Munitie uit het vuurwapen (itemnummer: 2025131858 -6663554)
In het patroonmagazijn behorende bij het aangetroffen vuurwapen werd munitie aangetroffen.
Door de transformatie van het gaspistool naar scherp (projectiel verschietend wapen) is het vuurwapen geschikt gemaakt voor het verschieten van munitie in het kaliber 7,65mm Browning. De munitie is geschikt om te verschieten met het aangetroffen vuurwapen (6663553).
De kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie.
Munitie uit de woning (itemnummer: 2025131858 – 6663646)
Bij de doorzoeking van de woning werd munitie aangetroffen, het betrof 6 stuks kogelpatronen.
De kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4e gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en Munitie.
8. Een proces-verbaal van onderzoek (inhoudende: proces-verbaal van wapenonderzoek, aanvulling) van 6 juni 2025, met registratienummer PL1300-2025131858, opgesteld door verbalisant [naam verbalisant 7] p. B165 – 167.
Het vuurwapen (itemnummer 2025131858 – 6663553)
Het omschreven vuurwapen betreft een semiautomatisch vuurwapen. Dit (getransformeerde) pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 3° van de Wet wapens en munitie.