ECLI:NL:RBAMS:2026:4766

ECLI:NL:RBAMS:2026:4766

Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak 26-03-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer 11515107 \ CV EXPL 25-2361
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Stalling boot. Niet kan worden vastgesteld dat de prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde is verstrekt. Prijsbeding oneerlijk. Vordering afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11515107 \ CV EXPL 25-2361

Vonnis van 26 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RHENERGEN MULTIHULL YACHTS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 23 oktober 2025,- de akte van eisende partij.

Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij, kort gezegd, in de gelegenheid gesteld zich (nader) uit te laten over:

de wijze waarop de overeenkomst is gesloten,

hoe is voldaan aan de informatieplichten,

de transparantie van het beding over de prijs,

de toepasselijkheid c.q. het hanteren van algemene voorwaarden,

de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd, en

de gevolgen van eventuele vernietiging van deze bedingen voor het geval ze als oneerlijk worden aangemerkt.

Eisende partij heeft bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat in 2022 tussen partijen mondeling een overeenkomst tot stalling van een Spaans vissersbootje van gedaagde partij tot stand is gekomen, in de verkoopruimte van eisende partij. Na het sluiten van de overeenkomst is de eerste factuur door gedaagde partij betaald. De factuur met betrekking tot de tweede periode, van 1 april 2023 tot 1 april 2024, is onbetaald gebleven. Eisende partij stelt zich op het standpunt dat door het betalen van de eerste factuur niet meer hoeft te worden getoetst op transparantie. Gedaagde partij wist immers wat hem te wachten stond voor wat betreft de vergoeding van de stalling. De vergoeding is gelijk gebleven. De prijzen van eisende partij staan vermeld op haar website. Eisende partij hanteert algemene voorwaarden, die zij in het geding brengt, maar deze zijn niet op de overeenkomst met gedaagde partij van toepassing verklaard omdat deze niet ter hand zijn gesteld. Hierin staan overigens geen oneerlijke bedingen, aldus – steeds – eisende partij.

In de dagvaarding stelt eisende partij dat zij alle relevante gegevens voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde partij heeft medegedeeld. Partijen hebben mondeling een prijs afgesproken van € 1.236,00.

De stelling van eisende partij dat de prijs voor de stalling voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, kan in het kader van het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter zonder verdere concretisering of onderbouwing op zichzelf niet leiden tot de vaststelling dat het prijsbeding voldoende transparant is. Het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter gaat, ook in verstekzaken, verder dan stellen en niet weerspreken. Dat gedaagde partij een eerdere factuur heeft betaald, maakt niet dat het prijsbeding daardoor niet meer hoeft te worden getoetst. Deze toets vindt plaats ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, ongeacht of en hoe aan de overeenkomst uitvoering is gegeven.

Nu zonder concretisering of onderbouwing niet kan worden vastgesteld dat de (bij benadering te verwachten) prijs, zoals blijkt uit de factuur, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze aan gedaagde partij is verstrekt, wordt het prijsbeding ook als oneerlijk aangemerkt. Gedaagde partij heeft de economische gevolgen van het sluiten van de overeenkomst immers niet goed kunnen inschatten.

Dat betekent, gelet op artikel 6 lid 1 van Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn), dat gedaagde partij niet aan het prijsbeding is gebonden en dat als gevolg daarvan de onderhavige overeenkomst niet kan blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).

Nu eisende partij de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst. Wel komt gedaagde partij door het vervallen van de overeenkomst in een situatie van rechtsonzekerheid te verkeren, nu het eisende partij de mogelijkheid biedt om op basis van ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 lid 1 BW) een vergoeding voor de reeds verrichte werkzaamheden te vorderen (ECLI:EU:C:2023:14, overweging 62).

In die wetsartikelen is bepaald dat ongedaanmaking of de verplichting om schade te vergoeden alleen mogelijk is voor zover dit redelijk is. In dit geval is het niet redelijk om een vergoeding van de waarde van de prestatie in de plaats te laten treden van het ongedaan maken van de prestatie dan wel gedaagde partij tot schadevergoeding te verplichten, nu gebruik is gemaakt van een oneerlijk prijsbeding. Een eventueel in de toekomst in te stellen vordering door eisende partij op een andere grond dan de overeenkomst zal dan ook niet slagen. Het niet voortbestaan van de overeenkomst brengt gedaagde partij daarom niet in een zodanig onzekere situatie dat dit uiterst nadelig is voor hem, zodat aanvulling van de overeenkomst niet nodig is.

De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen.

Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

3. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vordering af,

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

991

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand