RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/5778
(gemachtigde: mr. I. Rhodes),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(mr. A. Isik)
Procesverloop
Met een besluit van 1 mei 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor een WW-uitkering met ingang van 1 april 2025 maar dat deze niet tot uitbetaling komt.
Met een besluit van 2 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Eiseres is bijgestaan door mr. T.S. Brinkman, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1. Eiseres was sinds 14 oktober 2024 in dienst bij PostNL. Deze werkgever heeft eiseres op staande voet ontslagen. Op 25 april 2025 heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd.
Met het primaire besluit heeft verweerder beslist dat eiseres in aanmerking komt voor een WW-uitkering maar dat deze niet tot uitbetaling komt omdat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres te laat bezwaar gemaakt heeft. Het primaire besluit is op 1 mei 2025 in ‘Mijn UWV’ geplaatst en daarmee bekendgemaakt. Eiseres kon dus bezwaar maken tegen dit besluit tot en met 12 juni 2025. Het bezwaar van 19 juni 2025, op dezelfde dag door verweerder ontvangen, is dus niet tijdig ingediend. Eiseres heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat het laat maken van bezwaar verschoonbaar is.
3. Eiseres voert aan dat niet duidelijk is wanneer het primaire besluit is geplaatst in Mijn UWV. Dat kan ook een week na 1 mei 2025 zijn geweest en dan is het bezwaar tijdig. Bij gebrek aan bewijs van plaatsing van het primaire besluit in ‘ Mijn UWV’ staat niet vast dat het bezwaar niet tijdig is ingediend. Van verweerder mag worden verwacht dat hij aantoont op welk moment dit besluit toegankelijk is geworden voor eiseres. Ook is geen notificatie aan eiseres gestuurd van plaatsing van dit besluit in ‘Mijn UWV’ en van een dergelijk bericht blijkt ook niet uit het dossier.
4. Verweerder heeft zich op zitting alsnog en uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat het primaire besluit op de beslissingsdatum is geplaatst in ‘Mijn UWV’ en vanaf dat moment toegankelijk is voor eiseres. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook nog toegelicht dat die plaatsing ook blijkt uit haar voor de zitting gedane interne navraag bij de servicedesk.
Het oordeel van de rechtbank
5. De juistheid van verweerders mededelingen ter zitting is niet betwist of in twijfel getrokken door eiseres. De rechtbank ziet ook overigens geen reden daaraan te twijfelen.
6. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 4 mei 2022 en jurisprudentie van de rechtbank Oost-Brabant overweegt de rechtbank verder het volgende.
7. Voor wat betreft de bekendmaking van besluiten geldt voor, voor zover hier van belang, de WW op grond van artikel 32e Wet Suwi en de Beleidsregel dat dit elektronisch plaatsvindt. Daarmee is gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid van artikel 2:13, tweede lid, sub a, van de Awb om af te wijken van (onder meer) artikel 2:14, eerste lid, van de Awb. Verweerder heeft ook conform deze regelgeving gehandeld.
8. Eiseres voert aan dat bij plaatsing van het bericht in ‘Mijn UWV’ een e-mailnotificatie aan haar had moeten worden verstuurd. Voor zover eiseres zich daarmee beroept op de jurisprudentie van de Raad volgt de rechtbank haar hierin niet. Uit de uitspraak van de Raad van 4 mei 2022, waar verweerder zich op beroept, volgt dat verweerder niet verplicht was om een dergelijke notificatie te sturen aan haar toen het primaire besluit werd geplaatst in ‘Mijn UWV’.
9. Het voorgaande betekent dat de rechtbank verweerders standpunt volgt dat het primaire besluit op 1 mei 2024 in ‘Mijn UWV’ is geplaatst. De bezwaartermijn is dus op
2 mei 2025 gaan lopen en eiseres kon daartegen bezwaar maken tot en met 12 juni 2025. Dat betekent dat het op 19 juni 2025 per fax ingediende en ontvangen bezwaar buiten de termijn ontvangen is.
10. Eiseres heeft verder niet aangevoerd dat het niet tijdig indienen van haar bezwaarschrift verschoonbaar is.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiseres daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft.
13. Verweerder heeft eerst op de zitting duidelijkheid gegeven over de datum van plaatsing van het primaire besluit in ‘Mijn UWV’. Dit terwijl eiseres in bezwaar al heeft aangegeven dat zij, omdat haar niet duidelijk is wanneer dit besluit toegankelijk is geworden, niet weet wanneer de bezwaartermijn is gaan lopen. Daarom moet verweerder wel het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt daarom ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting) met een waarde per punt van € 934,-, bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
14. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegezegd dat zij zich ervoor zal inspannen dat reeds in besluiten op bezwaar in zaken waarin hetzelfde speelt als in deze zaak wordt toegelicht waaruit volgt waarom genoemde bewijslevering niet aan de orde is.
BeslissingDe rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.