RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-069759-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 maart 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2025 door the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Trieste, Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] (Marokko),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 mei 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. Zaim, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Arabische taal (Marokkaans).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis delivered by the Preliminary Investigations Judge at the Ordinary Court of Trieste op 24 juli 2020, onherroepelijk geworden op 25 september 2020, met referentie: Reg. Gen. 481/2020 - R.G.N.R. 695/2020.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, zes maanden en achttien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd, subsidiair dat de zaak moet worden aangehouden om aanvullende vragen te stellen aan de Italiaanse autoriteiten. De opgeëiste persoon ontkent namelijk dat hij in persoon is verschenen bij de procedure die tot de beslissing heeft geleid, zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld. Ter onderbouwing heeft de raadsman gewezen op het A-formulier, waarin is vermeld dat “de dagvaarding op een andere wijze is betekend” en “de verdachte is verdedigd door een advocaat”. Die informatie roept vragen op over wat in het EAB staat vermeld. Volgens de raadsman is het verder onduidelijk of de opgeëiste persoon tijdig en daadwerkelijk officieel op de hoogte was van de datum en plaats van de inhoudelijke behandeling en staat niet ondubbelzinnig vast dat hij wist dat er een beslissing kon worden genomen als hij niet zou verschijnen. Verder blijkt niet dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om namens hem de verdediging te voeren. Evenmin blijkt dat het vonnis later persoonlijk aan hem is betekend en dat hij daarna is geïnformeerd over een rechtsmiddel waarbij de zaak opnieuw inhoudelijk kan worden behandeld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De verdediging heeft geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de stelling van de opgeëiste persoon dat hij niet aanwezig was bij de zitting, zodat op grond van het vertrouwensbeginsel van de juistheid van de informatie in het EAB moet worden uitgegaan.
Oordeel van de rechtbank
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. De opgeëiste persoon heeft geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon evenals de verwijzing van de raadsman naar wat in het A-formulier staat vermeld is zonder enige verdere onderbouwing niet voldoende. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen. Het verzoek om aanhouding wordt daarom afgewezen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is niet van toepassing.
5. Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
diefstal, vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
medeplegen van mishandeling;
medeplegen van opzetheling.
6. Overig verweren
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van artikel 9 OLW te weigeren in verband met de omstandigheid dat in Nederland nog een strafzaak loopt tegen de opgeëiste persoon. Subsidiair is verzocht de behandeling van de zaak aan te houden tot na de inhoudelijke behandeling van de in Nederland aanhangige strafzaak, nu de opgeëiste persoon die zitting in persoon wenst bij te wonen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Nederlandse strafzaak geen beletsel vormt voor de feitelijke overlevering.
De rechtbank begrijpt de verwijzing van de raadsman naar artikel 9 OLW zo dat hij zich primair heeft beroepen op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, OLW. Deze weigeringsgrond ziet echter op het geval dat de opgeëiste persoon in Nederland voor dezelfde feiten als die aan het EAB ten grondslag liggen, wordt vervolgd. Gesteld noch gebleken is dat die situatie aan de orde is.
Eventueel openstaande strafzaken in Nederland kunnen een belemmering voor de feitelijke overlevering opleveren in de zin van artikel 36 OLW. De toets aan artikel 36 OLW kan echter pas aan de orde komen nadat is beslist dat de overlevering wordt toegestaan. Daarom komt de rechtbank in dit stadium niet toe aan een eventueel daartoe strekkend verzoek van de raadsman.
7. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47, 300, 312, 416 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Prosecutor of the Republic at the Court of Trieste, Italië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.