RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-105844-25
Datum uitspraak: 23 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2024 door the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1998,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 april 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Kolobrzeg, Polen, van 23 januari 2023, met kenmerk II K 379/21.
Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 en 7 april 2026 blijkt dat er hoger beroep is ingesteld tegen dit vonnis. Op 24 mei 2023 heeft the District Court in Koszalin arrest gewezen met kenmerk VKa 213/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft, samengevat, betoogd dat niet duidelijk is of de procedure in hoger beroep aan artikel 12 OLW getoetst moet worden. Hij heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende informatie op te vragen om vast te kunnen stellen of in hoger beroep daadwerkelijk is geoordeeld over de schuld en/of de straf van de opgeëiste persoon. .Bovendien is onduidelijk of de opgeëiste persoon correct is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep en of er sprake was van een gemachtigd advocaat.
Standpunt van de officier van justitie
De officier heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet aan de overlevering in de weg staat. De opgeëiste persoon was in eerste aanleg aanwezig met een advocaat. Hij heeft zelf hierna gevraagd om een uitgewerkt vonnis op schrift. De advocaat heeft namens opgeëiste persoon hoger beroep ingesteld. Hoewel de opgeëiste persoon zelf niet aanwezig was op deze zitting, was zijn advocaat wel aanwezig
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 23 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was bij de zitting in eerste aanleg en toen werd bijgestaan door een advocaat. Uit deze informatie volgt verder dat de opgeëiste persoon tijdig om een schriftelijke motivering van het vonnis in eerste aanleg heeft verzocht, dat zijn advocaat hoger beroep heeft ingesteld en dat zijn advocaat aanwezig was bij de procedure in hoger beroep. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon heeft tijdens de voorgeleiding in de onderhavige overleveringsprocedure gesteld dat er een hoger beroep is geweest waarbij de raadsman aanwezig was. De opgeëiste persoon heeft daarna verklaard dat hij zijn advocaat had gevraagd bij alle zaken aanwezig te zijn en dat zijn advocaat ook bij alle zaken aanwezig was. Uit de aanvullende informatie van 7 april 2026 volgt daarnaast dat de opgeëiste persoon de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep op 24 april 2023 persoonlijk heeft ontvangen op zijn adres in [plaats] . Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om hieraan te twijfelen. Op basis van deze omstandigheden komt rechtbank tot de conclusie dat de opgeëiste persoon klaarblijkelijk op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. Het had daarom op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de beroepsinstantie over de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon heeft daarom ofwel stilzwijgend afstand gedaan van zijn recht om bij zijn proces aanwezig te zijn, ofwel is in dat kader kennelijk onzorgvuldig geweest.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat overlevering geen schending oplevert van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon.
4. Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. E.M. de Bie, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp en E. Mulder griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 april 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.