beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/779340 / FA RK 25-9087 (FL/WvL)
Beschikking van 20 februari 2026 betreffende verzoek inzake de omgangsregeling op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. M. Metin te Arnhem,
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man.
1. De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw van 25 november 2025.
De behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026.
Daarbij zijn verschenen:
- de vrouw bijgestaan door haar advocaat,
- de man.
2. De feiten
Uit de relatie van partijen zijn geboren:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016,
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2021.
De vrouw is belast met het ouderlijk gezag. De man heeft de kinderen erkend. Bij beschikking van 18 november 2022 is onder meer een omgangsregeling bepaald. Bij vonnis van 9 februari 2024 is de vrouw veroordeeld voor het medeplegen van een ontploffing van het voertuig van de man en vernieling. Het bij dit vonnis opgelegde contactverbod met de man kent een uitzondering ten behoeve van de omgangsregeling en/of het verbeteren van de relatie tussen partijen.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt de beschikking van 18 november 2022 te wijzigen op de door haar verzochte wijze, zoals is opgenomen in haar verzoekschrift van 25 november 2025.
Volgens de vrouw wordt de huidige omgangsregeling niet structureel nagekomen, ondanks herhaaldelijk verzoek van de vrouw. De omgang vindt plaats als het de man uitkomt. Dit is volgens de vrouw geen houdbare situatie en is niet in het belang van de kinderen. Overleg over de vakanties is ook niet mogelijk. De vrouw heeft werk en het is niet handig dat het continu de vraag blijft of de man wel of niet komt. De vrouw wil ook andere afspraken maken, maar de man is niet inhoudelijk ingegaan op het eerder gedane voorstel daartoe.
4. De beoordeling
Beide partijen hebben een onregelmatig werkrooster waarbij ook in de weekenden wordt gewerkt. De man heeft verklaard dat omgang op zondagen voor hem ingewikkeld is vanwege zijn rooster. Namens de vrouw is verklaard dat zij graag een regeling wenst die de man ook kan nakomen. Zij heeft ingestemd met omgang op vrijdag en om de twee weken van vrijdag tot zaterdagavond. De rechtbank zal verder bepalen dat de man de kinderen een weekend per vier weken ook op de zondag bij zich heeft, zoals op de zitting ook met partijen is besproken. Van de man wordt verwacht dat hij deze regeling tijdig communiceert met zijn werkgever zodat zijn werkgever daar bij de inroostering rekening mee kan houden.
De rechtbank gaat ervan uit dat de man zijn verantwoordelijkheid zal nemen en op de hieronder te bepalen dagen voor de kinderen zo veel als mogelijk beschikbaar is. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat de ouders zich tot het uiterste gaan inspannen om te communiceren over de kinderen.
Alles afwegend komt de rechtbank tot de volgende omgangsregeling die per 4 weken als volgt luidt:
- in week 1: de kinderen verblijven bij man op de vrijdag van 08.00 tot 19.30 uur;
- in week 2: de kinderen verblijven bij de man van vrijdag van 08.00 uur tot zaterdag 19.30 uur;
- in week 3: de kinderen verblijven bij de man van op de vrijdag van 08.00 uur tot 19.30 uur;
- in week 4 : de kinderen verblijven bij de man van vrijdagochtend 08.00 uur tot zondagavond 19.30 uur. In alle gevallen zal de man de kinderen halen en brengen.
Met betrekking tot de vakanties heeft de vrouw verklaard dat zij in de zomer van 2026 van week 27 tot en met week 30 met de kinderen op vakantie is in Suriname en dat zij er van uit is gegaan dat de kinderen de gehele zomervakantie bij haar zullen zijn. De man heeft verklaard dat hij dit jaar zijn vakantiedagen verspreid over het jaar heeft opgenomen. De man heeft zich niet verzet tegen een regeling voor de vakanties vanaf 2027 en evenmin bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen en de door de vrouw verzochte vakantie- en feestdagenregeling bepalen.
Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijzigt de bij de beschikking van 18 november 2022 bepaalde omgangsregeling in die zin dat:
- in week 1: de kinderen verblijven bij man op de vrijdag van 08.00 tot 19.30 uur;
- in week 2: de kinderen verblijven bij de man van vrijdag van 08.00 uur tot zaterdag 19.30 uur;
- in week 3: de kinderen verblijven bij de man van op de vrijdag van 08.00 uur tot 19.30 uur;
- in week 4: de kinderen verblijven bij de man van vrijdagochtend 08.00 uur tot zondagavond 19.30 uur;
- bepaalt dat de man de kinderen zal halen en brengen;
- bepaalt dat de vakanties met ingang van 2027 bij helfte worden verdeeld, waarbij de vakanties die één week duren een wisselmoment hebben op woensdag 12.00 uur en waarbij de kinderen in de eerste helft van de vakanties bij de vader verblijven;
- bepaalt dat de kinderen in de meivakantie de eerste helft bij de man verblijven vanaf vrijdag na school tot en met vrijdag 18.00 uur;
- bepaalt dat de kinderen in de kerstvakantie in de even jaren in de eerste week bij de vrouw verblijven, inclusief de kerstdagen, en.in de tweede week bij de man verblijven, inclusief Oud & Nieuw, en in de oneven jaren omgedraaid;
- bepaalt dat de kinderen in de zomervakantie in de eerste helft van de vakantie bij de man verblijven waarbij de vakantie begint op vrijdag na school en eindigt na drie weken op vrijdag om 18.00 uur;
- bepaalt dat de kinderen op Vaderdag verblijven bij de man en op Moederdag bij de vrouw;
- bepaalt dat de kinderen met Pasen inclusief tweede paasdag in de even jaren bij de man zijn en in de oneven jaren bij de vrouw;
- bepaalt dat de kinderen met Pinsteren inclusief tweede pinksterdag in de even jaren bij de vrouw zijn en in de oneven jaren bij de man;
- verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.P. Lauwaars, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren, griffier, op 20 februari 2026.