beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/781012 / FA RK 25-10020 (COH/AD)
Beschikking van 15 april 2026 betreffende geschil gezamenlijke gezagsuitoefening als bedoeld in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. G.V. van der Bom te Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J. van Embden te Amstelveen.
1. 1. De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoek van de man, ingekomen op 24 december 2025;
het aanvullend verzoek tot vaststelling van een zorgregeling van de man, ingekomen op 2 maart 2026;
het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek, van de vrouw, ingekomen op 3 maart 2026;
een F9-formulier aan de zijde van de vrouw, ingekomen op 5 maart 2026
een F9-formulier aan de zijde van de man, met bijlagen, ingekomen op 11 maart 2026.
De mondelinge behandeling heeft achter gesloten deuren plaatsgevonden op 25 maart 2026.
Verschenen zijn:
de man met zijn advocaat;
de vrouw met haar advocaat.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd begin 2023.
Uit deze relatie is geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2022.
[minderjarige] is erkend door de man op 18 oktober 2022.
De vrouw is belast met de uitoefening van het gezag.
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
3. Het verzoek, het verweer en het zelfstandig verzoek
De man verzoekt de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
I. de man gezamenlijk met de vrouw met het gezag wordt belast over [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] ;
II. er een zorgregeling zal gelden tussen de man en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] elk weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19:00 uur bij de man zal zijn, waarbij de vrouw [minderjarige] op de vrijdag na school naar de man brengt en de man [minderjarige] op de zondag naar de vrouw zal terugbrengen, alsmede dat [minderjarige] de helft van alle vakanties en de helft van de feestdagen bij de man zal verblijven, dan wel een zorgregeling te bepalen die de rechtbank in goede justitie juist acht
De vrouw voert verweer en verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:
I. het verzoek tot verkrijgen van gezag van de man af te wijzen;
II. een proefcontactregeling voor de duur van 3 maanden vast te stellen die over 3 maanden wordt geëvalueerd waarbij:
de man zijn GBA adres en verblijf adres bekend maakt aan de vrouw;
[minderjarige] de gelegenheid krijgt zijn kamer bij de man eenmaal aan de vrouw te laten zien. De
vrouw heeft daar graag een derde persoon bij aanwezig; een familielid die [minderjarige] kent,
de man via 1 mobiel telefoonnummer met de vrouw en [minderjarige] communiceert;
de man 3 weekenden achtereen [minderjarige] op zaterdag om 13 uur ophaalt in [plaats 1] met hem naar voetbal gaat en dan op zondagavond om 18.30 thuis bij de vrouw afzet,
dat het vierde weekend [minderjarige] bij de vrouw is;
dat de man [minderjarige] in zijn weekend voor het naar bed gaan met de vrouw laat videobellen;
dat de vrouw [minderjarige] iedere avond met de man laat videobellen;
III. Een proefregeling vast te stellen die de rechtbank goeddunkt rekening houdend met het
werk van de vrouw, de voetbal van [minderjarige] en de reisafstand tussen de man en de vrouw.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gezag
De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoek gerefereerd aan het uitgangspunt van de wetgever over het gelijkwaardig ouderschap. Volgens de man is geen sprake van een van de ontzeggingsgronden. De man is sinds de geboorte van [minderjarige] actief betrokken bij zijn verzorging en opvoeding. Er zijn volgens de man geen omstandigheden die een afwijzing van het verzoek tot gezamenlijk gezag rechtvaardigen.
Door de vrouw is aangevoerd dat de man niet in staat is tot de voor gezamenlijk gezag vereiste samenwerking en communicatie, waardoor het risico ontstaat dat [minderjarige] klem raakt tussen de ouders. De vrouw stelt dat zij altijd alle verantwoordelijkheid voor de opvoeding van [minderjarige] op zich heeft genomen, zowel feitelijk als financieel. Daarnaast stelt de man zich intimiderend en escalerend op richting de vrouw, waardoor zij niet in staat zijn om constructief met elkaar over de opvoeding van [minderjarige] te communiceren. Gelet op het voorgaande dient het verzoek van de man te worden afgewezen.
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de vrouw uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel wordt een verzoek tot gezamenlijk gezag slechts afgewezen indien: a) er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank overweegt dat het wettelijk uitgangspunt is dat ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Afwijzing van het verzoek van de man kan dan ook alleen aan de orde zijn als één van de uitzonderingsgronden van het tweede lid van artikel 1:253c BW zich voordoet. Volgens vaste rechtspraak brengt het ontbreken van een goede communicatie tussen ouders niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezag bij één van de ouders moet worden gelaten. Wel is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen, zodanig dat het kind niet klem of verloren raakt tussen de ouders.
De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en uit de mondelinge behandeling blijkt dat sprake is van een gebrek aan vertrouwen tussen de ouders en dat een goede basis voor samenwerking ontbreekt omtrent de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . In de onderlinge berichten die in het dossier zitten is sprake van onderling wantrouwen en een onbehoorlijke toon van de man richting de vrouw. De ouders zijn op dit moment nog niet in staat om op een behoorlijke manier met elkaar te communiceren. De rechtbank acht de ouders op dit moment niet in staat om gezagsbeslissingen over [minderjarige] in gezamenlijk overleg te nemen. Dat brengt met zich mee dat er een te groot risico bestaat dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders. De rechtbank zal het verzoek tot gezamenlijk gezag daarom afwijzen.
Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de man niet mede met het ouderlijk gezag zal worden belast, wordt hierna gesproken over de omgangsregeling.
Omgangsregeling
De man verzoekt de rechtbank een omgangsregeling vast te stellen. Hij stelt dat er sinds mei 2025 een omgangsregeling liep, waarbij [minderjarige] in ieder geval elk weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verbleef. De man heeft voor het laatst in het weekend van 3 januari 2026 omgang met [minderjarige] gehad omdat de vrouw [minderjarige] niet meer wenste te brengen naar de man. De man gaat niet akkoord met de voorgestelde ‘proefregeling’ van de vrouw, nu dit inhoudt dat de man [minderjarige] maar drie van de vier weekenden van de maand ziet en bovendien slechts van zaterdagochtend tot zondagavond. Ook acht de man een proefregeling niet aan de orde aangezien er al geruime tijd een regeling loopt.
De vrouw voert aan dat zij niet afwijzend tegenover een vaste omgangsregeling staat. Er moet echter wel rekening worden gehouden met het werk van de vrouw, de leeftijd van [minderjarige] en het feit dat hij woont en opgroeit in [plaats 2] . Er heeft sinds mei 2025 een regeling plaatsgevonden, maar deze regeling werd niet consequent door de man nageleefd. De vrouw wil van deze vrijblijvendheid af en wil naar een vaste regeling toewerken. Daarom stelt zij eerst een proefregeling voor, die voor de duur van drie maanden consequent moet worden nageleefd en daarna met de advocaten geëvalueerd kan worden. Voorwaarde voor een omgangsregeling is wel dat de man zijn (juiste) adresgegevens met de vrouw deelt.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de ouders het erover eens zijn dat er contact moet zijn tussen [minderjarige] en de man. Zij verschillen echter van mening over hoe dit contact eruit zou moeten zien. De vrouw heeft toegelicht dat zij eerst een proefregeling wil voordat een vaste omgangsregeling wordt bepaald. De man heeft toegelicht dat hij daar geen reden toeziet en verzoekt een omgangsregeling te bepalen. De rechtbank zal hierin de man volgen en een definitieve omgangsregeling bepalen. De rechtbank is gebleken dat in het verleden al omgang heeft plaatsgevonden en het is voor [minderjarige] belangrijk dat er duidelijkheid en structuur komt in de omgangsmomenten met de man. De rechtbank heeft bij het bepalen van een omgangsregeling in aanmerking genomen dat [minderjarige] binnenkort vier jaar oud wordt en dan naar school zal gaan. Daarop gelet zal [minderjarige] niet elk weekend, maar drie van de vier weekenden bij de man verblijven en daarbij om 16:00 uur op zondag terugkeren bij de vrouw, zodat hij voldoende tijd heeft om bij de vrouw thuis weer te aarden voordat hij de volgende dag weer naar school moet. De rechtbank acht het belangrijk dat de man [minderjarige] op vrijdag uit school ophaalt zodat de man ook betrokkenheid bij school heeft. De rechtbank overweegt verder dat het peutervoetbal, waar [minderjarige] sinds enige tijd op zondag aan deelneemt, niet in de weg kan komen te staan aan omgang tussen de man en [minderjarige] op zondag. Omgang met de man gaat voor.
Ten aanzien van de vakanties overweegt de rechtbank als volgt. In de komende zomervakantie zal [minderjarige] twee weken bij de man verblijven. Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, geldt dat de schoolvakanties 50/50 zullen worden verdeeld. Voor de feestdagen geldt de normale weekend/vakantieregeling.
Het voorgaande houdt in dat de rechtbank de volgende definitieve omgangs- en vakantieregeling zal vaststellen, inhoudende dat [minderjarige] bij de man verblijft:
in drie van de vier weekenden: van vrijdagmiddag 15:00 en uit school, vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat tot zondag 16:00. De man haalt [minderjarige] op vrijdag op bij de vrouw thuis/school en de vrouw haalt [minderjarige] op zondag op bij de man thuis;
in de zomervakantie 2026: twee weken;
de schoolvakanties: de helft van de vakanties.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over een videobelregeling, inhoudende dat wanneer [minderjarige] bij de ene ouder verblijft, de andere ouder de gelegenheid krijgt om in de avond rond 19 uur te videobellen met [minderjarige] . Daarnaast heeft de man tijdens de mondelinge behandeling toegezegd via een videoverbinding zijn huis te zullen laten zien aan de vrouw en heeft hij zijn adres en telefoonnummer aan de vrouw gegeven. De rechtbank hoeft hierover dan ook geen beslissingen meer te nemen.
De rechtbank benadrukt dat, als de omgang tussen de man en [minderjarige] en het contact tussen de man en de vrouw goed verlopen, over een tijd opnieuw gekeken kan worden of er een basis is voor het gezamenlijk gezag. Het is daarbij aan de man om te laten zien dat hij zich respectvol kan opstellen tegenover de vrouw, zijn verplichtingen omtrent de omgang kan nakomen en mee kan werken aan hulpverlening zoals ‘t Kabouterhuis.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank:
stelt de volgende omgangsregeling vast:
Reguliere weken
- Drie van de vier weekenden zal [minderjarige] omgang hebben met de man. De man haalt [minderjarige] dan op vrijdag om 15:00 op bij de vrouw of, vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, op uit school en de vrouw haalt [minderjarige] op zondag om 16:00 op bij de man;
Zomervakantie 2026
- In de zomervakantie 2026 verblijft [minderjarige] gedurende twee weken bij de man. De man en de vrouw dienen onderling te bepalen welke twee weken [minderjarige] bij de man zal verblijven;
Schoolvakanties
Vanaf het moment dat [minderjarige] naar school gaat, geldt dat de schoolvakanties 50/50 worden verdeeld:
Even jaren
Oneven jaren
Herfstvakantie
vrouw
man
Kerstvakantie
eerste week man, tweede week vrouw
eerste week vrouw, tweede week man
Voorjaarsvakantie
vrouw
man
Meivakantie
eerste week man, tweede week vrouw
eerste week vrouw, tweede week man
Zomervakantie
eerste helft vrouw, tweede helft man
eerste helft man; tweede helft vrouw
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door de rechter mr. C.C.M. Oude Hengel, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier, op 15 april 2026.