RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Team Familie & Jeugd
Promis
Parketnummers: 15/110241-25 (A), 13/119147-25 (B) en 13/328303-24 (C) (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 24 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007,
wonende op het adres [adres 1] ,
thans gedetineerd te: [detentieplaats] ,
hierna te noemen verdachte of [verdachte] .
1. Onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 10 februari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B. Hartman, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [naam 2] namens Jeugdbescherming Regio Amsterdam (hierna: JBRA), [naam 4] , kinder- en jeugdpsychiater, [naam 3] , GZ-psycholoog en de moeder en de zus van verdachte naar voren is gebracht.
Ook is kennisgenomen van wat door [naam 5] van Slachtofferhulp Nederland namens de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] naar voren is gebracht.
2. Tenlastelegging
2.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij
Zaak A
op of omstreeks 28 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een winkelpand aan [adres 2] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een groot aantal telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
firma ' [naam 6] ' in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen:
- het in dat pand aanwezig winkelpersoneel, waaronder [naam 7] en/of [naam 8]
en/of [naam 9] en/of [naam 10] en/of
- [verbalisant] , politieman in burgerdienst en/of
- de zich in de directe omgeving van dat pand bevindende omstanders
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voorzien van gezichtsbedekking met een of meer hamers/slagvoorwerpen onverhoeds dat winkelpand binnen te gaan en vervolgens een of meer vitrines/ramen met kracht kapot te slaan/in te slaan en/of die [verbalisant] een of meermalen met kracht met een hamer op het hoofd te slaan;
Zaak B
1.
op of omstreeks 27 maart 2025 te Heiloo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag en/of sieraden en/of een tas en/of munten, door:
- zich telefonisch onder valse naam voor te doen als iemand van de politie en/of
- die [benadeelde partij 3] te vertellen dat er criminelen met geweren in de buurt zijn en dat daarom haar waardevolle spullen veilig gesteld zouden worden en/of
- te vertellen dat een persoon in naam van de politie voornoemde spullen zou ophalen onder vermelding van een codewoord en/of
- zich naar de woning van die [benadeelde partij 3] te begeven en/of onder vermelding van een codewoord om afgifte van voornoemde spullen te vragen;
2.
in of omstreeks de periode van 13 november 2024 tot en met 28 december 2024 te Ermelo en/of Zwolle en/of Venlo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens een of meer geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door middel van het onbevoegd gebruik van (een) bankpas(sen) en de bijbehorende pincode(s) geldbedrag(en) te pinnen, te weten:
- op 13 november 2024 een geldbedrag van in totaal € 600,00 toebehorende aan [naam 11] , en/of;
- op 28 november 2024 een geldbedrag van in totaal € 500,00 toebehorende aan [naam 12] , en/of;
- op 17 december 2024 een geldbedrag van in totaal € 511,20 toebehorende aan [benadeelde partij 4] , en/of;
- op 28 december 2024 een geldbedrag van in totaal € 1.000,00 toebehorende aan [benadeelde partij 5] ;
3.
op of omstreeks 27 december 2024 te Beverwijk, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meerdere (dummy-) telefoons, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan telefoonwinkel [naam winkel] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 15] en/of [naam 16] en/of [naam 17] en/of [naam 18] en/of onbekend gebleven omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [naam 15] en/of [naam 16] en/of [naam 17] en/of [naam 18] en/of onbekend gebleven omstanders en/of
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [naam 15] en/of [naam 16] en/of [naam 17] te richten en/of op hun af te lopen en/of
- te zeggen: “jullie moeten weg”, althans woorden van gelijke strekking en/of
- met een hamer een vitrinekast en/of vitrinetafel kapot te slaan;
Zaak C
1.
op of omstreeks de periode van 21 februari 2024 tot en met 9 september 2024 te Amsterdam en/of Assen en/of Zuidlaren en/of Bussum en/of Tilburg, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, telkens een of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed(eren) onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik van (een) bankpas(sen) en de bijbehorende pincode(s) en/of bankrekeningnummer(s), te weten:
- op 21 februari 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 1.350,00 toebehorende aan [naam 19] , en/of;
- op 3 maart 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 700,00 toebehorende aan [naam 20] , en/of;
- op 20 maart 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 1889,99 toebehorende aan [naam 21] , en/of;
- op 22 maart 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 750,00 toebehorende aan [naam 22] , en/of;
- op 29 maart 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 2.800,00 toebehorende aan [benadeelde partij 1] , en/of;
- op 9 september 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 2.480,00 toebehorende aan [benadeelde partij 2] ;
op of omstreeks 24 april 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (een) goed(eren) dat/die geheel of ten dele aan [naam 23] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 14] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, die [naam 14] met zijn hand bij de keel gepakt en haar hoofd met kracht tegen de muur geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
op of omstreeks 31 augustus 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland,
een scooter Piaggio C38, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het
voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
3. Voorvragen
De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
Ten aanzien van het in zaak A ten laste gelegde
Inleiding
Op 28 januari 2025 vindt een overval plaats op de firma ‘ [naam 6] ’ in Zaandam. De overval wordt uitgevoerd door medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna ook: de medeverdachten). Tijdens de overval slaan deze medeverdachten met een hamer de vitrines in en nemen zij 51 mobiele telefoons weg, waarna zij op de vlucht slaan. Vlak nadat zij de winkel uitrenden roept een politieambtenaar in burger: “Stop, politie” en pakt [medeverdachte 1] vast. [medeverdachte 1] slaat deze agent meerdere keren op zijn hoofd met een hamer.
Verdachte verklaart dat hij het vervoer heeft geregeld voor de overval en tijdens de overval in de vluchtauto zat, achterin, achter de passagier. Verdachte verklaart ook dat het Snapchataccount ‘ [account] ’ met accountnaam ‘ [accountnaam] ’ door hem voorafgaand en tijdens de overval is gebruikt om met de medeverdachten te communiceren. Verdachte heeft van tevoren contact opgenomen met de medeverdachten om ze ‘binnen te harken’, aan te sporen, te zeggen dat zij een tas en een hamer mee moesten nemen en te zeggen waar en wanneer ze zouden worden opgehaald. Hij moest er voor zorgen dat ze niet zouden terugdeinzen, niet zouden afhaken. Hij is met de medeverdachten richting de plaats delict gereden en heeft hen kort voor de overval verteld wat het plan was voor de overval. Hij zou daarna de te stelen goederen aannemen en naar ‘iemand anders’ brengen.
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet worden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste diefstal met geweld in vereniging. Verdachte heeft een actieve rol gehad in het plannen en uitvoeren van de overval. Daarmee is sprake van een voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Verdachte heeft daarnaast voorwaardelijk opzet gehad op het slaan met de hamer. Als je een overval plant en uitvoert dien je er serieus rekening mee te houden dat iemand zich verzet en dat een van de overvalplegers een meegenomen hamer vervolgens gebruikt tegen de persoon die zich verzet.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het medeplegen van de ten laste gelegde diefstal met geweld in vereniging. Verdachte is niet bij de uitvoering van de overval aanwezig geweest. Nu verdachte daarnaast geen voorname of compenserende rol heeft gespeeld in de voorbereidende fase van de overval is geen sprake van medeplegen. Verdachte heeft verklaard de gestuurde berichten alleen te hebben doorgestuurd en niet zelf de overval te hebben gepland. Het was ook niet de bedoeling om geweld te gebruiken tijdens de overval. De hamer moest meegenomen worden om de vitrines in te slaan. Verdachte vindt dat hij niet verantwoordelijk gehouden kan worden voor het slaan van aangever [verbalisant] door medeverdachte [medeverdachte 1] met een hamer, omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het slaan met de hamer.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een diefstal met geweld in vereniging. De rechtbank grondt haar overtuiging op de feiten en omstandigheden – die in de bewijsmiddelen zijn vervat – zoals beschreven in paragraaf 4.1.1. en die zijn opgenomen in de bijlage bij dit vonnis en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
Op grond van de feiten en omstandigheden zoals beschreven in paragraaf 4.1.1. overweegt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende. Verdachte heeft een actieve, coördinerende en sturende rol gespeeld in het voorbereiden en uitvoeren van de overval. Hij heeft immers met de medeverdachten afgestemd waar en wanneer zij zouden worden opgehaald, geïnventariseerd of de medeverdachten de voor de overval benodigde spullen (een hamer en een tas) voorhanden hadden en de medeverdachten aangestuurd door van tevoren tegen de medeverdachten te vertellen wat zij moesten doen en hen te motiveren. Hij heeft daarnaast het vervoer geregeld, is blijven wachten in de auto en zou daarna de buitgemaakte spullen afvoeren en overhandigen aan een andere persoon.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde – bestaande uit het aansturen van en afstemmen met de medeverdachten, het regelen van het vervoer en de verwerking van de spullen – naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
medeplegen van geweld tegen aangever [verbalisant]
Voor een bewezenverklaring van het slaan met een hamer op het hoofd van aangever [verbalisant] moet komen vast te staan dat verdachte hierop opzet heeft gehad, al dan niet in voorwaardelijke zin. Om vast te stellen of sprake is van opzet is in ieder geval vereist dat sprake is van een aanmerkelijke kans dat het geweld zich voordoet, welke aanmerkelijke kans ook door verdachte is aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roepen, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze handelingen zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het slaan van aangever [verbalisant] het volgende af. Verdachte regelde voorafgaand aan de overval dat één van de medeverdachten een hamer mee zou nemen. Uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] blijkt daarnaast dat [medeverdachte 2] van tevoren in de auto heeft gevraagd wat er zou moeten gebeuren als iemand niet zou meewerken. Iemand in de auto heeft toen geantwoord dat als iemand niet meewerkt, diegene gewoon moet worden geslagen. Hoewel de rechtbank niet vast kan stellen dat het verdachte is geweest die dit heeft gezegd, staat wel vast dat verdachte in de auto aanwezig was op het moment dat dit werd gezegd en dat hij dit moet hebben gehoord.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte wist dat een van de medeverdachten een hamer bij zich zou hebben tijdens de overval en dat de medeverdachten te horen hadden gekregen dat zij geweld moesten gebruiken tegen mensen die zich tijdens de overval eventueel zouden verzetten. De rechtbank overweegt daarnaast dat het een feit van algemene bekendheid is dat mensen zich tijdens een overval kunnen verzetten.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een van de medeverdachten tijdens de overval met de meegebrachte hamer geweld zou plegen tegen iemand die zich zou verzetten. Het in zaak A tenlastegelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 1 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde oplichting. Verdachte heeft het feit ter zitting bekend.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 27 maart 2025 te Heiloo schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van [benadeelde partij 3] .
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 2 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen. Verdachte heeft de feiten ter zitting bekend.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich omstreeks de periode van 13 november tot en met 28 december 2024 te Ermelo, Zwolle en Venlo schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van diverse geldbedragen toebehorende aan [naam 11] , [naam 12] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] door middel van een valse sleutel.
Ten aanzien van het in zaak B onder feit 3 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde overval. Verdachte heeft het feit ter zitting bekend.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 27 december 2024 te Beverwijk schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld en verbreking, in vereniging, door telefoonwinkel [naam winkel] te overvallen.
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 1 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gekwalificeerde diefstallen. Verdachte heeft deze feiten ter zitting bekend. De raadsman van verdachte heeft de rechtbank verzocht om de bewezenverklaring ten aanzien van het bedrag dat is weggenomen van aangever [benadeelde partij 2] te beperken tot € 1.000,-, nu verdachte alleen betrokken is geweest bij het pinnen van dat bedrag in de De Clercqstraat in Amsterdam.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich in de periode van 21 februari 2024 tot en met 9 september 2024 te Nederland schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging van diverse geldbedragen toebehorende aan [naam 19] , [naam 20] , [naam 21] , [naam 22] , [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , door middel van een valse sleutel. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte een bedrag van € 1.000,- van aangever [benadeelde partij 2] heeft weggenomen en dat niet is bewezen dat hij de rest van het tenlastegelegde bedrag heeft weggenomen.
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 2 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde poging tot diefstal met geweld. Het feit is door de raadsman niet betwist.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 24 april 2024 te Nederland schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld, waarbij de poging diefstal gericht was op goederen van [naam 23] en het geweld gericht was op haar dochter [naam 14] .
Ten aanzien van het in zaak C onder feit 3 ten laste gelegde
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde opzetheling. Het feit is door verdachte ter zitting bekend.
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich op 31 augustus 2024 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk helen van een scooter.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Zaak A
op 28 januari 2025 te Zaandam, gemeente Zaanstad, in een winkelpand aan [adres 2] , in vereniging met anderen, een groot aantal telefoons die aan firma ' [naam 6] ' toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen:
- het in dat pand aanwezig winkelpersoneel, waaronder [naam 7] en [naam 8]
en [naam 9] en [naam 10] en
- [verbalisant] , politieman in burgerdienst en
- de zich in de directe omgeving van dat pand bevindende omstanders
gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door voorzien van gezichtsbedekking met een hamer onverhoeds dat winkelpand binnen te gaan en vervolgens vitrines met kracht kapot te slaan en die [verbalisant] meermalen met kracht met een hamer op het hoofd te slaan;
Zaak B
1.
op 27 maart 2025 te Heiloo, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde partij 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten een geldbedrag en sieraden en een tas en munten, door:
- zich telefonisch onder valse naam voor te doen als iemand van de politie en
- die [benadeelde partij 3] te vertellen dat er criminelen met geweren in de buurt zijn en dat daarom haar waardevolle spullen veilig gesteld zouden worden en
- te vertellen dat een persoon in naam van de politie voornoemde spullen zou ophalen onder vermelding van een codewoord en
- zich naar de woning van die [benadeelde partij 3] te begeven en onder vermelding van een codewoord om afgifte van voornoemde spullen te vragen;
2.
omstreeks de periode van 13 november 2024 tot en met 28 december 2024 te Ermelo en Zwolle en Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een geldbedrag, dat aan een ander dan aan verdachte of zijn mededaders toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen geldbedragen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, door middel van het onbevoegd gebruik van bankpassen en de bijbehorende pincodes geldbedragen te pinnen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal € 600,00 toebehorende aan [naam 11] , en;
- een geldbedrag van in totaal € 500,00 toebehorende aan [naam 12] , en;
- op 17 december 2024 een geldbedrag van in totaal € 511,20 toebehorende aan [benadeelde partij 4] , en;
- op 28 december 2024 een geldbedrag van in totaal € 1.000,00 toebehorende aan [benadeelde partij 5] ;
3.
op 27 december 2024 te Beverwijk, tezamen en in vereniging met een andere, meerdere (dummy-)telefoons die aan telefoonwinkel [naam winkel] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam 15] en [naam 16] en [naam 17] en [naam 18] en onbekend gebleven omstanders, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen aan die [naam 15] en [naam 16] en [naam 17] en [naam 18] en onbekend gebleven omstanders en
- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [naam 15] en [naam 16] en [naam 17] te richten en op hun af te lopen en
- te zeggen: “jullie moeten weg”, en
- met een hamer een vitrinekast en een vitrinetafel kapot te slaan;
Zaak C
1.
in de periode van 21 februari 2024 tot en met 9 september 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, telkens een geldbedrag, dat aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten het onbevoegd gebruik van bankpassen en de bijbehorende pincodes en bankrekeningnummers, te weten:
- op 21 februari 2024 een geldbedrag van (in totaal) € 1.350,00 toebehorende aan [naam 19] , en;
- op 3 maart 2024 een geldbedrag van in totaal € 700,00 toebehorende aan [naam 20] , en;
- op 20 maart 2024 een geldbedrag van in totaal € 1889,99 toebehorende aan [naam 21] , en;
- op 22 maart 2024 een geldbedrag van in totaal € 750,00 toebehorende aan [naam 22] , en;
- op 29 maart 2024 een geldbedrag van in totaal € 2.800,00 toebehorende aan [benadeelde partij 1] , en;
- op 9 september 2024 een geldbedrag van in totaal € 1.000,00 toebehorende aan [benadeelde partij 2] ;
2.
op 24 april 2024 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen die geheel of ten dele aan [naam 23] toebehoorden weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze voorgenomen diefstal te doen volgen van geweld tegen [naam 14] om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, die [naam 14] met zijn hand bij de keel gepakt en haar hoofd met kracht tegen de muur geduwd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
op 31 augustus 2024 te Amsterdam een scooter, Piaggio C38, voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.
6. Strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straf
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht geen onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, en in plaats daarvan een alternatief zoals een voorwaardelijke PIJ-maatregel met een langere proeftijd te overwegen.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter zitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van 13 maanden schuldig gemaakt aan 15 strafbare feiten. Zo heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee gewelddadige overvallen op winkels. In één geval kwam hij de winkel samen met zijn mededader binnen terwijl hij een niet van echt te onderscheiden neppistool vasthield, dat hij op de winkelbediende en twee andere aanwezigen heeft gericht. Nadat zijn mededader de vitrines in had geslagen hebben verdachte en zijn mededader een hoeveelheid telefoons meegenomen. In het andere geval heeft verdachte en coördinerende en sturende rol op zich genomen door het vervoer te regelen, zorg te dragen voor de verwerking van de spullen en de uitvoerders van de overval aan te sturen en te motiveren. Bij deze overval hebben de gemaskerde mededaders wederom een hoeveelheid telefoons meegenomen. Ook heeft één van de mededaders met een hamer een agent in burger meerdere keren op zijn hoofd geslagen.
Uit het dossier blijkt dat deze misdrijven een grote impact hebben gehad op de medewerkers en de andere aanwezigen in de winkel. Zij ervaren nog steeds hinder van die angstige en onveilige situaties. Een van de slachtoffers beschrijft in het bijzonder welke impact het door verdachte richten van het vuurwapen op hem heeft gehad. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij, ingegeven door zijn behoefte aan geld, tot twee keer toe slachtoffers heeft gemaakt door een overval te plegen. Ondanks dat hij het niet zelf was die met een hamer insloeg op het hoofd van een politieambtenaar in burger neemt de rechtbank hem wel kwalijk dat hij dit risico heeft genomen door een gewelddadige overval mede te plegen.
Ook heeft verdachte geprobeerd een oudere vrouw in haar huis te bestelen en daarbij haar dochter bij de keel gepakt en haar hoofd tegen de muur geduwd. Deze brutaliteit zal op de slachtoffers een grote impact hebben gehad. Ook versterkt dit het gevoel van onveiligheid in de samenleving.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van oplichting en meerdere diefstallen met valse sleutels. Verdachte heeft daarbij samen met zijn mededaders elf verschillende, in veel gevallen bejaarde, slachtoffers opgelicht en/of bestolen. Verdachte heeft hierin verschillende essentiële rollen gespeeld door in de hoedanigheid van een politieagent kostbaarheden op te halen bij de woning van een slachtoffer dan wel met de door middel van oplichting door mededaders buitgemaakte bankpassen en verkregen pincodes geldbedragen te pinnen van de bankrekeningen van slachtoffers.
Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige feiten, die naast financiële schade vaak veel overlast en gevoelens van onmacht en onveiligheid bij slachtoffers teweegbrengen. Met hun handelen hebben verdachte en zijn mededaders niet alleen het bij de slachtoffers gewekte vertrouwen geschaad, maar ook dat van de maatschappij in de politie, het digitale betalingsverkeer en het bankwezen. Feiten als deze leiden, ook daarom, tot maatschappelijke onrust. Het is extra kwalijk dat juist bejaarden met een grotere kwetsbaarheid en afhankelijkheid tot slachtoffer zijn gemaakt.
Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan heling van een scooter. Hij heeft op die manier meegewerkt aan de instandhouding van gepleegde criminaliteit.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatievan 5 januari 2026 waaruit blijkt dat verdachte op 19 december 2023 door de kinderrechter in deze rechtbank is veroordeeld voor vuurwapenbezit en winkeldiefstal tot een werkstraf van 120 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie van 45 dagen met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van onder meer de volgende rapportages, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
een rapport van jeugdbescherming Regio Amsterdam van 20 januari 2026;
Pro Justitia rapportages van [naam 3] met medewerking van [naam 13] , GZ-psychologen, van 24 maart 2025 en 2 december 2025;
een Pro Justitia rapportage van [naam 4] , kinder- en jeugdpsychiater, van 9 december 2025;
een emailbericht van namens voornoemde rapporteurs van 29 januari 2026,
alsmede van de ter zitting gegeven mondelinge toelichtingen.
Volgens de psychiater is bij verdachte onder meer sprake van een disharmonisch en beneden gemiddeld intelligentieniveau en zeer vermoedelijk van een traumastoornis bij een normoverschrijdende gedragsstoornis met scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling (met o.a. narcistische en antisociale trekken). Volgens de GZ-psychologen is bij verdachte onder meer sprake van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een ongespecificeerde traumagerelateerde stoornis. Alle rapporteurs spreken ook van een ouder-kind relatieprobleem. De rapporteurs geven aan dat deze stoornissen ook aanwezig waren ten tijde van de bewezenverklaarde feiten. Zij achten het mogelijk dat de psychische stoornissen van invloed waren op het bewezenverklaarde. Er is echter te weinig zicht gekomen op het denken en handelen van [verdachte] voorafgaand, tijdens en na afloop van de feiten waardoor geen uitspraak wordt gedaan over de toerekenbaarheid van de bewezenverklaarde feiten.
Ten aanzien van het recidiverisico geldt dat zonder inzet van begeleiding en behandeling een hoog risico bestaat op soortgelijk gedrag. Gelet op de verdenkingen baart het netwerk en het sociaal functioneren van [verdachte] zorgen. Doordat hij veel negatieve ervaringen heeft opgedaan, is het voorstelbaar dat hij buiten zijn prosociale en familiaire netwerk bevestiging zoekt, wat hem kwetsbaar maakt voor negatieve beïnvloeding. Er lijken veel spanningen en emotie in de binnenwereld van [verdachte] te zitten die hij onvoldoende uit en kan reguleren. Hij laat aan de buitenkant vooral opstandig, zelfbepalend en regelovertredend gedrag zien. De negatieve ervaringen die hij hierdoor opdoet, lijken ertoe te leiden dat hij zich nog meer afsluit en afzet.
Er is behandeling nodig voor de traumaklachten van [verdachte] , waarna de neurobiologische problematiek duidelijker in beeld gebracht kan worden. Daarbij moet ook aandacht zijn voor de emotieregulatie-vaardigheden en copingvaardigheden. Ook is het belangrijk om een delictanalyse en kosten-batenanalyse te laten plaatsvinden en dient gewerkt te worden aan de algemene en gewetensontwikkeling van [verdachte] en het begrijpen van zijn binnenwereld.
Zonder langdurige behandeling en scholing ontstaat het risico op ontwikkeling naar een antisociale persoonlijkheidsstoornis, ernstig gevaar voor anderen en verder crimineel ontsporen. Gelet op de ernstige gedragsproblematiek, het disfunctioneren op verschillende terreinen, het hoog ingeschatte recidiverisico en het beperkte probleembesef van [verdachte] wordt geadviseerd om de behandelingen binnen het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel te laten plaatsvinden. Het eerdere juridische kader, met schorsingsvoorwaarden bestaande uit onder meer ambulante behandeling en een enkelband, zijn onvoldoende gebleken. Hij is meerdere keren teruggemeld vanwege het niet nakomen van afspraken en overtreden van schorsende voorwaarden. Dit zijn indicaties die laten zien dat het voor [verdachte] te moeilijk is in een ambulant kader aan te komen bij behandeling en gedragsverandering te laten gebeuren. Er wordt niet verwacht dat [verdachte] zich aan de voorwaarden in een ambulant kader zal houden. Een gesloten setting en een gedwongen kader zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van de opgelegde behandeling.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het mondelinge advies van de Raad ter zitting. De Raad en JBRA sluiten zich aan bij de adviezen in de Pro Justitia rapportages.
PIJ-maatregel
De rechtbank is van oordeel dat de conclusies van de deskundigen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en inzichtelijk zijn verwoord. De rechtbank legt deze dan ook ten grondslag aan de hiernavolgende overwegingen over een op te leggen PIJ-maatregel.
Ingevolge artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan aan de verdachte bij wie ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond een PIJ-maatregel worden opgelegd. Daarnaast dient het feit waarvoor de maatregel wordt opgelegd, een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel te behoren tot een van de feiten zoals genoemd in artikel 77s, eerste lid onder a, Sr. Aan die voorwaarden is in deze zaak voldaan.
Ook moet de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eisen. Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en in aanmerking genomen wat de deskundigen hebben gerapporteerd over het recidiverisico, oordeelt de rechtbank dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Ten slotte moet de maatregel in het belang zijn van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Deze vraag wordt door de deskundigen positief beantwoord en duidelijk toegelicht. De rechtbank overweegt verder als volgt.
Een PIJ-maatregel is een middel dat met grote terughoudendheid moet worden ingezet. De rechtbank hecht eraan te benoemen dat verdachte duidelijk heeft gemaakt zijn leven wel in positieve zin te willen veranderen en dat hij daar inmiddels in de JJI ook zijn best voor doet. Het feit dat hij in de JJI zijn MBO-1 diploma heeft behaald en binnenkort ook zijn MBO-2 diploma – met hoge cijfers – verwacht te behalen, getuigt daarvan. Er is meer dan alleen scholing nodig. En naast de wil tot verandering is ook het vermogen tot verandering een vereiste. In een ambulant kader is dat meermaals tevergeefs geprobeerd. Verdachte heeft de motivatie niet kunnen vasthouden en kon zich niet houden aan de opgelegde voorwaarden en afspraken. Verdachte heeft gezien zijn problematiek intensieve en klinische behandeling in een strak kader nodig om zijn ontwikkeling en gedragsverandering te bevorderen. Gelet op het advies van de deskundigen, het hoge recidiverisico, het belang van structuur, betrouwbaarheid en voorspelbaarheid tijdens de behandeling, en de constatering dat de kans op onttrekking reëel is vindt de rechtbank behandeling in een gesloten setting van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk.
Aan de verdachte zal gelet op het voorgaande een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel worden opgelegd. De rechtbank overweegt dat deze PIJ-maatregel wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Dit betekent dat verlenging van de maatregel mogelijk is voor zover deze de duur van zeven jaar niet te boven gaat.
9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[verbalisant]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 2.216,50 aan materiële schade en € 7.000,- aan immateriële schade alsmede vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 542,-. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de beoordeling van de vordering aansluiting moet worden gezocht bij het vonnis van de medeverdachte, waarin de vordering is toegewezen tot een hoogte van € 5.216,50 bestaande uit € 2.216,50 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade. De raadsman heeft, gelet op de verzochte vrijspraak voor het in zaak A ten laste gelegde, verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak A bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat de schadeposten voldoende onderbouwd zijn en billijk voorkomen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 2.216,50 dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (28 januari 2025).
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij op een andere wijze in zijn persoon is aangetast. De aard en de ernst van de normschending brengen mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon in de zin van art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen.
De rechtbank overweegt daartoe dat de benadeelde partij met een hamer meerdere keren op het hoofd is geslagen. Het incident is voor de benadeelde partij begrijpelijkerwijs zeer ingrijpend geweest. Zo blijkt uit de toelichting op de door hem ingediende vordering die zich in het dossier bevindt dat hij aanhoudende klachten heeft van vermoeidheid, prikkelbaarheid en gevoeligheid voor licht en geluid waardoor hij bepaalde hobby’s niet meer kan uitoefenen en dat hij zich ernstig zorgen maakt over de toekomst.
Op grond van de door benadeelde partij gestelde omstandigheden, rekening houdend met vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 3.000,- aan vergoeding voor de geleden immateriële schade billijk en zij wijst dat toe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (28 januari 2025).
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
Schadevergoedingsmaatregel In het belang van de benadeelde [verbalisant] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 3]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De eerdere, handgeschreven vordering is ter zitting door de vertegenwoordiger van de benadeelde partij ingetrokken, zodat de rechtbank alleen toekomt aan de beoordeling van de vordering opgesteld op 7 januari 2026. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 32.265,- aan materiële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft ter onderbouwing van de vordering een ondertekende brief overgelegd van een juwelier die de gestolen juwelen goed kent en heeft kunnen taxeren. De rechtbank overweegt dat de schadepost van de juwelen daarmee voldoende onderbouwd is en de rechtbank billijk voorkomt. Ook voor het overige is de vordering voldoende onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering ter hoogte van € 32.265,- geheel dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (27 maart 2025).
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
Schadevergoedingsmaatregel In het belang van de benadeelde [benadeelde partij 3] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 4]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 42.661,20 aan materiële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag tot een hoogte van € 511,20 dient te worden toegewezen, aangezien verdachte dit bedrag heeft gestolen door het te pinnen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat verdachte niet verweten wordt dat hij sieraden heeft gestolen.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat alleen dat deel van de vordering dat ziet op de schade voor zover die door verdachte is veroorzaakt, te weten het door hem gepinde geldbedrag, voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van dit bedrag (€ 511,20) is de vordering voldoende onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 511,20 dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (17 december 2024).
Voor het overige deel van de materiële schadevergoeding zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde [benadeelde partij 4] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 5]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 3.680 aan materiële schade en € 600,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag tot een hoogte van € 1.000,- dient te worden toegewezen, aangezien verdachte dit bedrag heeft gestolen door het te pinnen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht niet meer toe te wijzen dan de € 1.000,-. die door verdachte gepind is.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat alleen dat deel van de vordering dat ziet op de schade voor zover die door verdachte is veroorzaakt, te weten het door hem gepinde geldbedrag, voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van dit bedrag (€ 1.000,-) is de vordering voldoende onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 1.000,- dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (28 december 2024).
Voor het overige deel van de materiële schadevergoeding zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde immateriële schade niet rechtstreeks samenhangt met het in zaak B onder 2 bewezenverklaarde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde [benadeelde partij 5] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[naam 17]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 1.336,32 aan materiële schade. De officier van justitie en de raadsman hebben zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering omdat hij geen bewijsstukken ten grondslag heeft gelegd aan de gevorderde schade.
De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
[benadeelde partij 1]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 9.970,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering wat het immateriële deel betreft tot een hoogte van € 2.320,- dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht niet meer toe te wijzen dan het bedrag van € 2.800,- dat door verdachte gepind is en de benadeelde partij voor het immateriële deel niet-ontvankelijk te verklaren.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat vaststaat dat de benadeelde partij als gevolg van het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde materiële schade is toegebracht. De rechtbank overweegt dat alleen dat deel van de vordering dat ziet op de schade voor zover die door verdachte is veroorzaakt, te weten het door hem gepinde geldbedrag (€ 2.800,-) minus het door ING Bank vergoede bedrag (€ 500,-) voor toewijzing in aanmerking komt. Ten aanzien van dit deel van de vordering is de schade voldoende onderbouwd.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot een hoogte van € 2.300,- dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (29 maart 2025).
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde immateriële schade niet het rechtstreekse gevolg is van het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij ten aanzien van het immateriële deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
De rechtbank zal bepalen dat de schadevergoeding hoofdelijk wordt opgelegd. De verdachte is daarmee niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door een eventuele mededader aan de benadeelde partij is voldaan.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde [benadeelde partij 1] voornoemd wordt de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd ten aanzien van de benadeelde. Vanwege het uitgangspunt dat geen gijzeling wordt opgelegd aan verdachten die volgens het jeugdstrafrecht worden berecht, zal de rechtbank de maximale duur van de gijzeling bepalen op 0 dagen.
[benadeelde partij 2]
heeft zich gevoegd als benadeelde partij. De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 131,81 aan materiële schade en € 550,- aan immateriële schade. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag dient te worden toegewezen. De raadsman heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering omdat verdachte niet verweten wordt dat hij de tablet heeft gestolen of dat hij bij de benadeelde partij heeft opgelicht.
De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelde partij gestelde materiële en immateriële schade niet het rechtstreekse gevolg is van het in zaak C onder 1 bewezenverklaarde. De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
10. Beslag
Tijdens het onderzoek naar het ten laste gelegde zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1. 1 STK Hamer (Voorwerpnummer G1693243)2. 1 STK GSM (Voorwerpnummer G1717798)
Het oordeel van de rechtbank
Onttrekking aan het verkeer
De hamer en de GSM zullen worden onttrokken aan het verkeer, nu het in zaak A bewezenverklaarde met betrekking tot de hamer en met behulp van de GSM is begaan.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77s, 311, 312, 326 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
12. Bijlage
De bijlage maakt deel uit van dit vonnis.
13. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A, het in zaak B onder feit 1, 2 en 3 en het in zaak C onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Zaak A
diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Zaak B
1.
medeplegen van oplichting
2.
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
3.
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, die diefstal gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking
Zaak C
1.
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd
2.
poging tot diefstal, gevolgd van geweld tegen personen met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren
3.
opzetheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
Benadeelde partij [verbalisant]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [verbalisant] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 5.216,50 (vijfduizendtweehonderdzestien euro en vijftig cent) bestaande uit € 3.000,- aan immateriële schade en € 2.216,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [verbalisant] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot € 542,-.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[verbalisant] , te betalen de som van € 5.216,50 (vijfduizendtweehonderdzestien euro en vijftig cent) bestaande uit € 3.000,- aan immateriële schade en € 2.216,50 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 januari 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 3]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] hoofdelijk toe tot een bedrag van
€ 32.265,- (tweeëndertigduizendtweehonderdvijfenzestig euro) bestaande materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 3] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 3] , te betalen de som van € 32.265,- (tweeëndertigduizendtweehonderdvijfenzestig euro) bestaande materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (27 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 4]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] hoofdelijk toe tot een bedrag van € 511,20 (vijfhonderdelf euro en twintig cent) bestaande materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 4] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 4] , te betalen de som van € 511,20 (vijfhonderdelf euro en twintig cent) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (17 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 5]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 1.000,- (duizend euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 5] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 5] , te betalen de som van € 1.000,- (duizend euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (28 december 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Benadeelde partij [naam 17]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gedeeltelijk, hoofdelijk toe tot een bedrag van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 1] het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[benadeelde partij 1] , te betalen de som van € 2.300,- (drieëntwintighonderd euro) bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (29 maart 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening, behoudens voor zover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.
Bepaalt daarbij de maximale duur van de gijzeling op 0 dagen.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende inbeslaggenomen goederen:
- 1 STK Hamer (Voorwerpnummer G1693243)- 1 STK GSM (Voorwerpnummer G1717798)
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.J.M. Marseille, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. G.S. Crince Le Roy en C.F. de Lemos Benvindo, kinderrechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Bongenaar, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 februari 2026.