RECHTBANK [woonplaats]
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats], het college
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/7029
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 30 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 december 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiseres was niet aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Awb. In een zaak als deze is het griffierecht € 194,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet is betaald.
Heeft eiseres het griffierecht tijdig betaald?
4. De griffier heeft eiser bij brief van 13 december 2025 gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en meegedeeld dat dit binnen vier weken moet zijn voldaan. De griffier heeft vervolgens bij aangetekend verzonden brief van 12 januari 2026 eiser nogmaals in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen vier weken na dagtekening van die brief.
5. Eiseres heeft het griffierecht niet betaald en heeft ook geen schriftelijk verzoek om vrijstelling van het griffierecht ingediend.
Is het niet betalen van het griffierecht verontschuldigbaar?
6. Op 20 april 2026 heeft de rechtbank per brief eiseres verzocht om de reden van het niet betalen van het griffierecht op te geven. Eiseres heeft hierop niet gereageerd en is niet verschenen op zitting om een toelichting te geven.
7. Nu eiseres geen reden heeft gegeven voor het niet betalen van het griffierecht is er dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.