RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-035836-26
Datum uitspraak: 26 mei 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 27 februari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 januari 2026 door the National Prosecution Authority / Prosecution District of Southern Finland, Finland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1. Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 16 april 2026, in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting van 26 mei 2026 - na instemming van partijen - enkelvoudig gesloten en direct uitspraak gedaan.
2. Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een decision in the matter of remand van the Helsinki District Court van
18 november 2025, met kenmerken PK 25/1863; No 25/4782.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Fins recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4. Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Finland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
5. De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat hij, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft op 23 maart 2026 de volgende garantie gegeven:
“Person to be surrendered: ( [opeëiste persoon] , [geboortedag] .2003)
With reference to your enquiry, I confirm that section 59 of the Finnish Act on the Extradition on the Basis of an Offence Between Finland and Other Member States of the European Union provides that the conditions attached to the decision on extradition in accordance with the framework decision shall be complied with in respect of a person extradited to Finland. This provision binds all the Finnish authorities. If a person is extradited to Finland for prosecution on the condition that, at his request, he will be allowed to serve in the Netherlands unconditional and irrevocable prison sentence imposed on him in Finland after the surrender, the Finnish authorities are obliged to comply with such a condition.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6. Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
7. Verzoek tot uitstel van de datum van de uitspraak
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de datum van de uitspraak uit te stellen tot 26 mei 2026. De opgeëiste persoon is namelijk bezig met het staatsexamen VWO en in de middag van 26 mei 2026 heeft hij zijn laatste staatsexamen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat onderbouwd is dat het laatste examen van de opgeëiste persoon op 26 mei 2026 is. Die omstandigheid vormt echter geen grond voor het verlengen van de beslistermijn, als die datum niet binnen de beslistermijn van 90 dagen valt.
De rechtbank heeft al op de zitting het verzoek van de raadsman toegewezen. De rechtbank acht in het belang van de opgeëiste persoon, mede in het licht van zijn resocialisatie, dat hij aan het laatste onderdeel van het staatsexamen op 26 mei 2026 kan deelnemen. De rechtbank schorst daarom de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met onmiddellijke ingang voor de duur van één dag, te weten 26 mei 2026, zodat hij de gelegenheid heeft om deel te nemen aan zijn laatste staatsexamen op 26 mei 2026. Om die reden heeft de rechtbank aan de opgeëiste persoon op zitting meegedeeld dat hij, in afwijking van de hem opgelegde schorsingsvoorwaarden, niet bij de uitspraak op 26 mei 2026 aanwezig hoeft te zijn. De opgeëiste persoon moet zich met een tas met eerste benodigdheden op 27 mei 2026 tussen 09:00 uur en 10:00 uur melden bij het politiebureau [adres 2] teneinde ingesloten te worden en overgeplaatst te worden naar een huis van bewaring ten behoeve van de feitelijke overlevering.
8. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opeëiste persoon] aan the National Prosecution Authority / Prosecution District of Southern Finland (Finland) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB;
BEVEELT de schorsing van de overleveringsdetentie van [opeëiste persoon] met onmiddellijke ingang voor de duur van één dag, namelijk 26 mei 2026, zodat de opgeëiste persoon de gelegenheid heeft om deel te nemen aan zijn laatste staatsexamen op 26 mei 2026. Dit bevel is afzonderlijk opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E.M. de Bie en W.A.J.P. van den Reek, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 mei 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.