RECHTBANK AMSTERDAM
vonnis
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/229039-25
Datum uitspraak: 13 mei 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (mr. B. Hogewind) en van wat verdachte en zijn raadsvrouw (mr. D. Kisteman) naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 28 augustus 2025 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] door hem met geschoeide voet in, op of tegen het gezicht en/of het hoofd te schoppen en/of trappen. Deze gedraging is subsidiair ten laste gelegd als een mishandeling.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3. Waardering van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de poging tot zware mishandeling kan worden bewezen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het bewijs van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Het oordeel van de rechtbank
Inleiding
In deze zaak bestaat weinig discussie over de aanleiding die tot het ten laste gelegde feit heeft geleid en over de feitelijke handeling die verdachte wordt verweten. De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte op de terechtzitting en haar eigen waarneming van de camerabeelden daarover, samengevat, het volgende vast.
Op 28 augustus 2025 probeert [slachtoffer] op klaarlichte dag in het centrum van Amsterdam twee gouden kettingen en een hanger van verdachte te roven door deze van de nek van verdachte te trekken. Verdachte probeert zijn sieraden terug te pakken en vliegt [slachtoffer] aan. Er ontstaat een korte worsteling, waarbij ook een vriend van verdachte en twee vrienden van [slachtoffer] betrokken raken. Op enig moment komt [slachtoffer] op de grond terecht. Een van de vrienden van [slachtoffer] probeert verdachte op een afstand te houden. Het lukt verdachte om bij [slachtoffer] te komen, hij haalt daarbij zijn rechterbeen naar achteren en schopt de liggende [slachtoffer] tegen de zijkant van het hoofd, ter hoogte van het oor. Verdachte heeft daarbij schoenen aan. Het hoofd van [slachtoffer] beweegt door de schop opzij en hij blijft vervolgens ongeveer 90 seconden op straat liggen, kennelijk ‘knock out’.
Onder rubriek 6, waarin de vraag omtrent de strafbaarheid van verdachte aan de orde komt, zullen de handelingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden, verder worden besproken.
Poging tot zware mishandeling
De rechtbank moet beoordelen of verdachte zich met deze schop tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Daarvoor is vereist dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat verdachte de intentie had [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van opzet op zwaar lichamelijk letsel kan echter ook sprake zijn als verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op dat gevolg. Het dossier bevat geen informatie over de aard en omvang van het letsel dat [slachtoffer] mogelijk heeft opgelopen noch de duur van zijn eventuele herstel. Wel kan worden vastgesteld dat de trap met de nodige kracht moet zijn gedaan. Verdachte neemt een korte aanloop van enkele stappen en haalt zijn been naar achteren voordat hij met geschoeide voet het hoofd van [slachtoffer] vol raakt. Het hoofd van [slachtoffer] beweegt door de schop opzij en hij ligt vervolgens ongeveer 90 seconden, bijna zonder beweging, op straat. Door een zodanige schop tegen de zijkant van het hoofd te geven is de kans aanmerkelijk dat zwaar lichamelijk letsel ontstaat. Deze gedraging van verdachte kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .
4. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de onder 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 28 augustus 2025 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] op de grond lag) (met geschoeide voet) tegen het hoofd heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank grondt deze beslissing op de feiten en omstandigheden die in de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
5. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte: beroep op noodweerexces
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich, kort gezegd, op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt en dat verdachte daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Op het moment van de schop was sprake van een nog voortdurende ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, omdat zijn sieraden waren geroofd en hij die nog niet allemaal terug had. De schop tegen het hoofd kan als disproportioneel worden gezien, maar een eventuele overschrijding van wat was geboden is ontstaan door de angst, paniek en gevoelens van onmacht die bij verdachte bestonden. Deze hevige gemoedsbeweging was door de aanranding, een diefstal met geweld in vereniging, veroorzaakt.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie slaagt het verweer niet, omdat niet aan de vereisten voor een geslaagd beroep op noodweerexces is voldaan. Er bestond op het moment dat verdachte de schop gaf geen noodzaak voor verdachte om op deze wijze zich te verdedigen. Verdachte was degene die de confrontatie opzocht. Hij was heel boos. Het is de vraag of die gemoedsbeweging is veroorzaakt door de aanranding.
Het oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging sprake kan zijn indien de verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, maar hij daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder is gegaan dan geboden was binnen de gegeven omstandigheden. Voor een geslaagd beroep op noodweerexces is dus vereist dat vast komt te staan dat er een noodweersituatie is of is geweest. In het geval dat de noodweersituatie op het moment van de verweten gedraging al is geëindigd en de noodzaak tot verdediging niet meer bestaat, moet vast komen te staan dat die gedraging niettemin het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die is veroorzaakt door de daaraan voorafgaande wederrechtelijke aanranding.
Feiten en omstandigheden
Bij de beoordeling van het beroep op noodweerexces gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 28 augustus 2025 rond 13:15 uur staat verdachte buiten een kledingwinkel in de [straatnaam] in het centrum van Amsterdam met zijn zojuist verrichte aankopen te wachten op een vriend die nog in de betreffende winkel is. Op dat moment komt [slachtoffer] aangelopen. Met hem lopen een andere jongen en een wat oudere forse man. [slachtoffer] legt, ogenschijnlijk amicaal, zijn hand in de nek van verdachte en trekt dan ineens met kracht twee gouden kettingen kapot en van de nek van verdachte, waarbij een gouden hanger op de grond valt. Deze sieraden hebben, zo heeft verdachte uitgelegd, grote emotionele waarde voor verdachte. Verdachte vliegt [slachtoffer] aan, waarna geduwd en getrokken wordt. De andere jongen en de forse man raken er ook bij betrokken en de vriend van verdachte komt de winkel uitgelopen om verdachte te helpen. Kort daarna weet de verdachte in ieder geval één ketting terug te pakken. De worsteling gaat verder en [slachtoffer] belandt op de grond. Verdachte probeert dan opnieuw bij [slachtoffer] te komen, maar wordt tegengehouden door de forse man die het slachtoffer afschermt en verdachte slaat en duwt. Vervolgens probeert verdachte nogmaals bij [slachtoffer] te komen en geeft hem, als de forse man niet oplet, een schop tegen het hoofd. De rechtbank kan niet vaststellen wie van alle betrokkenen op dat moment de sieraden onder zich heeft. Verdachte heeft daarover verklaard dat hij op dat moment ervan overtuigd was dat hij niet alle sieraden terug had.
Noodweerexces
Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop, voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, of dat die situatie net was beëindigd (en verdachte zich daarvan niet bewust was). [slachtoffer] had de waardevolle sieraden van verdachte met geweld weggenomen en verdachte mocht zich verdedigen en trachten de sieraden terug te krijgen. De rechtbank stelt wel vast dat verdachte door een schop te geven tegen het hoofd van [slachtoffer] daarbij verder is gegaan dan in deze omstandigheden geboden was.
Op de beelden is te zien dat verdachte eerst rustig op straat staat, maar direct nadat de kettingen van zijn nek worden getrokken, hevig geëmotioneerd raakt. Verdachte heeft hierover op de terechtzitting verklaard dat hij door de beroving veel angst, paniek en boosheid voelde. Het voelde voor hem als drie tegen één, waarbij één van hen (de forse man) heel groot was en naar hem in het Arabisch schreeuwde. Ook was hij bang dat de jongens een wapen bij zich droegen. De situatie heeft hij als heel bedreigend ervaren. Daarnaast was bij verdachte sprake van een groot onrechtvaardigheidsgevoel en van boosheid die daarmee samenhing. Verdachte heeft verklaard dat hij in een “survival modus” zat en dat hij door de emoties zich niet goed bewust was van wat er om hem heen gebeurde. Zo heeft hij niet direct doorgehad dat zijn vriend aanwezig was en evenmin dat [slachtoffer] bijna bewegingloos op de grond lag. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van verdachte, die strookt met wat verdachte bij zijn verhoor heeft verklaard en de rechtbank op de camerabeelden heeft waargenomen, aannemelijk. Het door verdachte gebruikte geweld dat gezien de situatie de grenzen overschreed van hetgeen ter noodzakelijke verdediging geboden was, was gelet op het voorgaande het onmiddellijke gevolg van een hevige gemoedsbeweging die was veroorzaakt door de daaraan voorafgaande diefstal met geweld door [slachtoffer] .
Het beroep op noodweerexces slaagt. Verdachte is daarom niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
7. Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek drie is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. Blok, voorzitter,
mrs. C. Klomp en A.M. Loots, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 mei 2026.
[…]